We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.
Koninklijk besluit betreffende de administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 19 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten.
- Sectie :
- Wetgeving
- Bron :
- Numac 1990000585
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Artikel 1 <KB 2004-06-05/34, Art. 1, 005; En vigueur : 15-06-2004> De Directeur-generaal van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid en de ambtenaren of personeelsleden met een graad van minstens rang 13 of de mandaathouder N-2, behorende tot de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid worden aangewezen om de administratieve geldboeten op te leggen zoals bedoeld in artikel 19 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten.
Artikel 2 In het geval de in artikel 1 bedoelde ambtenaar meent dat er reden is om een administratieve geldboete op te leggen, geeft hij hiervan, samen met een afschrift van het proces-verbaal, per aangetekende brief, kennis aan de betrokkene.
In deze brief verzoekt hij de betrokkene zijn verweermiddelen bij aangetekende brief in te dienen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van die brief.
De betrokkene kan zich in elke fase van de procedure laten bijstaan door een raadsman.
Indien het administratief dossier dat naar aanleiding van het misdrijf werd samengesteld, nog andere stukken bevat dan het proces-verbaal, vermeldt de in het eerste lid bedoelde brief eveneens dat de betrokkene of zijn raadsman kennis mag nemen van het dossier.
Artikel 3 Na onderzoek van de verweermiddelen van de betrokkene, kan de in artikel 1 bedoelde ambtenaar de betrokkene oproepen bij aangetekende brief opdat deze laatste bijkomende inlichtingen zou kunnen verstrekken of bijkomende bewijsstukken overhandigen.
In dat geval wordt een bondig verslag van het onderhoud onmiddellijk opgemaakt en ondertekend door de ambtenaar die het ter ondertekening voorlegt aan de betrokkene. Indien deze weigert te tekenen, maakt de ambtenaar hiervan melding.
Andere ambtenaren of andere personen kunnen eveneens uitgenodigd worden om bij het onderhoud aanwezig te zijn of om nadien te worden gehoord. De betrokkene wordt voor ieder later verhoor opgeroepen.
Artikel 4 De administratieve geldboete moet worden betaald binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aangetekende brief waarmee kennis wordt gegeven van de beslissing waarbij het bedrag van de geldboete is vastgelegd.
Artikel 5 De administratieve geldboeten worden voldaan door storting of overschrijving op de postrekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken door middel van de formulieren gevoegd bij de beslissing waarbij het bedrag van de geldboete is vastgesteld.
Artikel 6 <KB 2000-04-07/33, Art. 2, 002; En vigueur : 26-04-2000> Indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet heeft voorzien in een waarborg, overeenkomstig artikel 19, § 1, 3°, van de wet, in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de termijn voorzien in artikel 4, en hij de toepassing ervan niet betwist binnen deze termijn dan beschikt de in artikel 1 bedoelde ambtenaar over een termijn van twee maanden vanaf het ogenblik dat de termijn voorzien in artikel 4 verstrijkt om bij de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot invordering in te stellen.
Artikel 7 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1991.
Artikel 8 Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Artikel 2 In het geval de in artikel 1 bedoelde ambtenaar meent dat er reden is om een administratieve geldboete op te leggen, geeft hij hiervan, samen met een afschrift van het proces-verbaal, per aangetekende brief, kennis aan de betrokkene.
In deze brief verzoekt hij de betrokkene zijn verweermiddelen bij aangetekende brief in te dienen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van die brief.
De betrokkene kan zich in elke fase van de procedure laten bijstaan door een raadsman.
Indien het administratief dossier dat naar aanleiding van het misdrijf werd samengesteld, nog andere stukken bevat dan het proces-verbaal, vermeldt de in het eerste lid bedoelde brief eveneens dat de betrokkene of zijn raadsman kennis mag nemen van het dossier.
Artikel 3 Na onderzoek van de verweermiddelen van de betrokkene, kan de in artikel 1 bedoelde ambtenaar de betrokkene oproepen bij aangetekende brief opdat deze laatste bijkomende inlichtingen zou kunnen verstrekken of bijkomende bewijsstukken overhandigen.
In dat geval wordt een bondig verslag van het onderhoud onmiddellijk opgemaakt en ondertekend door de ambtenaar die het ter ondertekening voorlegt aan de betrokkene. Indien deze weigert te tekenen, maakt de ambtenaar hiervan melding.
Andere ambtenaren of andere personen kunnen eveneens uitgenodigd worden om bij het onderhoud aanwezig te zijn of om nadien te worden gehoord. De betrokkene wordt voor ieder later verhoor opgeroepen.
Artikel 4 De administratieve geldboete moet worden betaald binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aangetekende brief waarmee kennis wordt gegeven van de beslissing waarbij het bedrag van de geldboete is vastgelegd.
Artikel 5 De administratieve geldboeten worden voldaan door storting of overschrijving op de postrekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken door middel van de formulieren gevoegd bij de beslissing waarbij het bedrag van de geldboete is vastgesteld.
Artikel 6 <KB 2000-04-07/33, Art. 2, 002; En vigueur : 26-04-2000> Indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet heeft voorzien in een waarborg, overeenkomstig artikel 19, § 1, 3°, van de wet, in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de termijn voorzien in artikel 4, en hij de toepassing ervan niet betwist binnen deze termijn dan beschikt de in artikel 1 bedoelde ambtenaar over een termijn van twee maanden vanaf het ogenblik dat de termijn voorzien in artikel 4 verstrijkt om bij de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot invordering in te stellen.
Artikel 7 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1991.
Artikel 8 Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.