Omzendbrief nr. 320. - Indienstneming van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen.
- Sectie :
- Wetgeving
- Bron :
- Numac 1990800837
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Artikel M (Om technische redenen, wordt deze omzendbrief onderverdeeld als volgt : M1-M4).
Artikel M1 I. De aard van de overeenkomsten.
De overeenkomsten beogen het regelen van de betrekkingen tussen de werkgever en de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, inzonderheid wat betreft :
- de voorafgaande voorwaarden voor het genieten van de premies bedoeld in artikel 94 van de programmawet van 30 december 1988;
- het aantal en de duur van het toekennen van deze premies.
De overeenkomst van het type I betreft het vervangen van ambtenaren die hun betrekking niet (detachering bij een kabinet, ziekte van lange duur, loopbaanonderbreking, ...) of slechts deeltijds (verminderde prestaties) bekleden.
Ze regelt vooreerst de toestand van de personeelsleden die, op de dag van de ondertekening, ambtenaren vervangen die afwezig zijn of die onvolledige prestaties verrichten.
Ze omschrijft vervolgens het kader waarin later de indienstneming zal gebeuren van de ambtenaren die de afwezige ambtenaren of de ambtenaren met onvolledige prestaties zullen vervangen.
Dit komt erop neer dat, voor de toekomst, er geen nieuwe overeenkomst van type I zal nodig zijn voor de nieuwe gevallen van vervanging die zich bij de betrokken werkgever zullen voordoen.
De overeenkomst van het type II heeft betrekking op de indienstneming van contractuelen :
- om te beantwoorden aan uitzonderlijke en tijdelijke behoeften aan personeel,
- of voor het verrichten van specifieke of bijkomende opdrachten.
a) Voor de uitzonderlijke tijdelijke personeelsbehoeften kan de overeenkomst van het type II niet als een kaderovereenkomst worden beschouwd. Ze wordt immers beperkt door de machtiging welke door de Ministerraad werd gegeven. Elke nieuwe machtiging van de Ministerraad impliceert dus het ondertekenen van een nieuwe overeenkomst van het type II.
b) Het koninklijk besluit van 1 augustus 1989 ter uitvoering van artikel 94, § 2, tweede lid, van de programmawet van 30 december 1988 (ingevoegd bij artikel 66 van de programmawet van 6 juli 1989 - Belgisch Staatsblad van 8 juli 1989) heeft bepaald wat men onder bijkomende of specifieke opdrachten dient te verstaan. Het gaat uitsluitend om opdrachten welke kunnen worden toebedeeld aan :
- de personeelsleden bedoeld in de artikelen 5 en 5bis van het koninklijk besluit van 7 maart 1974 betreffende de werving van personeelsleden in de besturen en andere diensten van de ministeries;
- de personeelsleden bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 1 maart 1976 betreffende de werving van de personeelsleden van sommige instellingen van openbaar nut, met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in het eerste lid, 7°, 8° en 9° van dit artikel.
Uitsluitend voor de specifieke of bijkomende opdrachten opgenomen onder deze bedoeld in het vorige lid en die bij de ondertekening van de overeenkomst als dusdanig worden beschouwd maakt de overeenkomst van het type II een kaderovereenkomst uit.
Het toevoegen van elke nieuwe specifieke of bijkomende opdracht die voorzien is in voornoemde koninklijke besluiten van 7 maart 1974 en 1 maart 1976, vereist het ondertekenen van een nieuwe overeenkomst van het type II (zie punt IV, B).
Artikel M2 II. De overeenkomst van het type I en de vervanging van personeelsleden door gesubsidieerde contractuelen.
A. Het akkoord over de overeenkomst van het type I.
Bij het indienen van een ontwerpovereenkomst van het type I bij de Minister van Openbaar Ambt, moet elke werkgever, overeenkomstig het model in bijlage 1, het aantal gevraagde wervingen, de duur ervan, alsook de graden waarin hij wenst in dienst te nemen vermelden. Hij dient het gunstig advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën en het onderhandelingsprotocol van het betrokken sectorcomité bij te voegen (niet het gemotiveerd advies van een overlegcomité).
Het voormelde gunstige advies heeft tot doel na te gaan of elke beoogde indienstneming daadwerkelijk beantwoordt aan een vervanging en of het totale aantal indienstnemingen binnen de perken blijft van de begrotingskredieten.
Het akkoord van de Minister van Openbaar Ambt dat inzake de overeenkomst wordt gegeven, zal het aantal indienstnemingen als gesubsidieerde contractueel bepalen waarop het slaat, de duur van hun tewerkstelling evenals de graden waarin zij kunnen worden aangeworven.
B. Indienstnemingen nadat de overeenkomst van het type I werd gesloten.
De overeenkomst van het type I is een kaderovereenkomst. Dit betekent dat zij het kader bepaalt binnen hetwelk de latere vervanging van personeelsleden door gesubsidieerde contractuelen kan geschieden.
In het algemeen, voor latere vervangingen, eventueel boven het aantal dat oorspronkelijk in voornoemde overeenkomst werd voorzien, dient enkel het akkoord van de inspecteur van Financiën, de Regeringscommissaris of de afgevaardigde van de Minister van Financiën toegevoegd aan de aanvraag die wordt gericht aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. Dit akkoord houdt rekening met de budgettaire mogelijkheden en heeft tot doel na te gaan of iedere indienstneming daadwerkelijk beantwoordt aan een vervanging.
Artikel M3 III. De overeenkomst van het type II en de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen om te beantwoorden aan uitzonderlijke en tijdelijke behoeften aan personeel.
De procedure voor het verkrijgen van de machtiging om gesubsidieerde contractuelen in dienst te nemen om aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen verloopt als volgt :
1. a) De aanvraag wordt door de betrokken Minister ingediend. Dit vereist dat elke instelling van openbaar nut eerst haar aanvraag richt tot de Minister die het gezag, de controle of het toezicht over de instelling uitoefent.
b) De aanvraag wordt gericht aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
c) De aanvraag dient te worden geformuleerd per bestuur of dienst. Er kunnen dus verschillende aanvragen zijn voor een ministerie of een instelling.
d) De aanvraag behelst :
- een nota ter rechtvaardiging die het uitzonderlijk en tijdelijk karakter van de behoeften aan personeel aantoont en die de wijze van berekening uiteenzet welke leidt tot het gevraagde personeelsbestand en de gevraagde geldigheidsduur;
- het advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën;
- een voorontwerp van koninklijk besluit waarbij de aanvraag wordt geconcretiseerd (zie model in bijlage 2).
Het advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën heeft betrekking op de budgettaire aspecten die onderzocht worden in de veronderstelling van een minimale premie. De inspecteur van Financiën, de Regeringscommissaris of de afgevaardigde van de Minister van Financiën bepaalt een standpunt inzake het uitzonderlijk en tijdelijk karakter van de opdrachten vermeld in de aanvraag.
2. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt de aanvraag.
a) Indien ze formeel niet beantwoordt aan de onder punt 1 gestelde eisen, zendt hij ze aan de betrokken Minister terug.
b) Van zodra de Minister van Tewerkstelling en Arbeid vaststelt dat het dossier volledig is en hij uitspraak heeft gedaan over het bedrag van de toe te kennen premies, maakt hij het dossier over aan de Dienst van Algemeen Bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt. Hij voegt er het advies van de inspecteur van Financiën bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid aan toe.
3. a) De Dienst van Algemeen Bestuur onderzoekt de aanvraag. Hij ontvangt van de Minister van Openbaar Ambt mandaat om contact op te nemen met de vertegenwoordigers van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van de betrokken Minister.
b) Na ze onderzocht te hebben stuurt de Dienst van Algemeen Bestuur de aanvraag, samen met zijn standpunt daarover, door naar de Minister van Begroting.
4. De Minister van Begroting onderzoekt de aanvraag. Hij deelt zijn standpunt mede aan de Dienst van Algemeen Bestuur.
5. De Dienst van Algemeen Bestuur stelt de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de betrokken Minister in kennis van het akkoord, het akkoord over een alternatief standpunt, of het gemotiveerd niet-akkoord van de Minister van Begroting en van de Minister van Openbaar Ambt.
6. De betrokken Minister en de Minister van Tewerkstelling en Arbeid dienen een nota in bij de Ministerraad.
Deze nota behelst :
a) een beschrijving van de uiteindelijke aanvraag van de betrokken Minister;
b) het voorontwerp van koninklijk besluit waarbij concrete vorm wordt gegeven aan het akkoord van de Ministers van Begroting en van Openbaar Ambt;
c) de adviezen die werden gegeven door de inspecteurs van Financiën, de afgevaardigde van de Minister van Financiën of de Regeringscommissaris.
7. a) Op grond van de beraadslaging in de Ministerraad werken de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de betrokken Minister of de Leidende ambtenaar van de instelling van openbaar nut een overeenkomst uit.
b) Over de ontwerpovereenkomst wordt onderhandeld in het sectorcomité.
c) Van zodra de onderhandeling beëindigd is, kan het in punt 6, b, bedoelde ontwerp van koninklijk besluit voor ondertekening door de Koning worden voorgelegd en vervolgens in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
d) Na onderhandeling wordt de overeenkomst ondertekend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de betrokken Minister of de Leidende ambtenaar van de betrokken instelling van openbaar nut.
e) De overeenkomst wordt medeondertekend door de Minister van Openbaar Ambt.
Artikel M4 IV. De overeenkomsten van het type II en de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen voor het vervullen van specifieke of bijkomende opdrachten.
A. Het akkoord over de overeenkomst van het type II.
Bij het indienen van een ontwerpovereenkomst van het type II bij de Minister van Openbaar Ambt, moet elke werkgever, overeenkomstig het model in bijlage 3, het aantal gevraagde wervingen, de duur ervan, alsook de graden waarin hij wenst in dienst te nemen vermelden. Hij dient het gunstig advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën en het onderhandelingsprotocol van het betrokken sectorcomité bij te voegen (niet het gemotiveerd advies van een overlegcomité).
Het voormelde gunstige advies heeft tot doel na te gaan of elke beoogde indienstneming daadwerkelijk bestemd is voor het vervullen van specifieke of bijkomende opdrachten en of het totale aantal indienstnemingen binnen de perken blijft van de begrotingskredieten.
Het akkoord van de Minister van Openbaar Ambt dat inzake de overeenkomst wordt gegeven, zal het aantal indienstnemingen als gesubsidieerde contractueel bepalen waarop het slaat, de duur van hun tewerkstelling evenals de graden waarin zij kunnen worden aangeworven.
B. Indienstnemingen nadat de overeenkomst van het type II werd gesloten.
De overeenkomst van het type II bedoeld in IV is een kaderovereenkomst. Dit betekent dat zij het kader bepaalt binnen hetwelk de latere indienstneming van gesubsidieerde contractuelen voor het vervullen van specifieke of bijkomende opdrachten kan geschieden.
Voor de latere indienstnemingen, eventueel boven het aantal dat oorspronkelijk in voornoemde overeenkomst werd voorzien, en voor zover de bedoelde opdrachten reeds in de oorspronkelijke overeenkomst voorkwamen, dient dus enkel het akkoord van de inspecteur van Financiën, de Regeringscommissaris of de afgevaardigde van de Minister van Financiën toegevoegd aan de aanvraag die wordt gericht aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. Dit akkoord houdt rekening met de budgettaire mogelijkheden en wordt enkel verleend op voorwaarde dat de indienstnemingen geschieden voor het vervullen van de specifieke of bijkomende opdrachten zoals die nader werden omschreven in voornoemde overeenkomst.
Het toevoegen van nieuwe specifieke of bijkomende opdrachten vergt een nieuwe overeenkomst.
De Minister van Openbaar Ambt,
R. LANGENDRIES
BIJLAGEN
Artikel N1 Bijlage 1. Vervanging van momenteel afwezige personeelsleden.
I. Loopbaanonderbreking.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-04-1990).
II. Deeltijdse arbeid.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-04-1990).
III. Andere afwezigheden.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-04-1990).
Artikel N2 Bijlage 2. Model van besluit.
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 24-04-1990).
Artikel M1 I. De aard van de overeenkomsten.
De overeenkomsten beogen het regelen van de betrekkingen tussen de werkgever en de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, inzonderheid wat betreft :
- de voorafgaande voorwaarden voor het genieten van de premies bedoeld in artikel 94 van de programmawet van 30 december 1988;
- het aantal en de duur van het toekennen van deze premies.
De overeenkomst van het type I betreft het vervangen van ambtenaren die hun betrekking niet (detachering bij een kabinet, ziekte van lange duur, loopbaanonderbreking, ...) of slechts deeltijds (verminderde prestaties) bekleden.
Ze regelt vooreerst de toestand van de personeelsleden die, op de dag van de ondertekening, ambtenaren vervangen die afwezig zijn of die onvolledige prestaties verrichten.
Ze omschrijft vervolgens het kader waarin later de indienstneming zal gebeuren van de ambtenaren die de afwezige ambtenaren of de ambtenaren met onvolledige prestaties zullen vervangen.
Dit komt erop neer dat, voor de toekomst, er geen nieuwe overeenkomst van type I zal nodig zijn voor de nieuwe gevallen van vervanging die zich bij de betrokken werkgever zullen voordoen.
De overeenkomst van het type II heeft betrekking op de indienstneming van contractuelen :
- om te beantwoorden aan uitzonderlijke en tijdelijke behoeften aan personeel,
- of voor het verrichten van specifieke of bijkomende opdrachten.
a) Voor de uitzonderlijke tijdelijke personeelsbehoeften kan de overeenkomst van het type II niet als een kaderovereenkomst worden beschouwd. Ze wordt immers beperkt door de machtiging welke door de Ministerraad werd gegeven. Elke nieuwe machtiging van de Ministerraad impliceert dus het ondertekenen van een nieuwe overeenkomst van het type II.
b) Het koninklijk besluit van 1 augustus 1989 ter uitvoering van artikel 94, § 2, tweede lid, van de programmawet van 30 december 1988 (ingevoegd bij artikel 66 van de programmawet van 6 juli 1989 - Belgisch Staatsblad van 8 juli 1989) heeft bepaald wat men onder bijkomende of specifieke opdrachten dient te verstaan. Het gaat uitsluitend om opdrachten welke kunnen worden toebedeeld aan :
- de personeelsleden bedoeld in de artikelen 5 en 5bis van het koninklijk besluit van 7 maart 1974 betreffende de werving van personeelsleden in de besturen en andere diensten van de ministeries;
- de personeelsleden bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 1 maart 1976 betreffende de werving van de personeelsleden van sommige instellingen van openbaar nut, met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in het eerste lid, 7°, 8° en 9° van dit artikel.
Uitsluitend voor de specifieke of bijkomende opdrachten opgenomen onder deze bedoeld in het vorige lid en die bij de ondertekening van de overeenkomst als dusdanig worden beschouwd maakt de overeenkomst van het type II een kaderovereenkomst uit.
Het toevoegen van elke nieuwe specifieke of bijkomende opdracht die voorzien is in voornoemde koninklijke besluiten van 7 maart 1974 en 1 maart 1976, vereist het ondertekenen van een nieuwe overeenkomst van het type II (zie punt IV, B).
Artikel M2 II. De overeenkomst van het type I en de vervanging van personeelsleden door gesubsidieerde contractuelen.
A. Het akkoord over de overeenkomst van het type I.
Bij het indienen van een ontwerpovereenkomst van het type I bij de Minister van Openbaar Ambt, moet elke werkgever, overeenkomstig het model in bijlage 1, het aantal gevraagde wervingen, de duur ervan, alsook de graden waarin hij wenst in dienst te nemen vermelden. Hij dient het gunstig advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën en het onderhandelingsprotocol van het betrokken sectorcomité bij te voegen (niet het gemotiveerd advies van een overlegcomité).
Het voormelde gunstige advies heeft tot doel na te gaan of elke beoogde indienstneming daadwerkelijk beantwoordt aan een vervanging en of het totale aantal indienstnemingen binnen de perken blijft van de begrotingskredieten.
Het akkoord van de Minister van Openbaar Ambt dat inzake de overeenkomst wordt gegeven, zal het aantal indienstnemingen als gesubsidieerde contractueel bepalen waarop het slaat, de duur van hun tewerkstelling evenals de graden waarin zij kunnen worden aangeworven.
B. Indienstnemingen nadat de overeenkomst van het type I werd gesloten.
De overeenkomst van het type I is een kaderovereenkomst. Dit betekent dat zij het kader bepaalt binnen hetwelk de latere vervanging van personeelsleden door gesubsidieerde contractuelen kan geschieden.
In het algemeen, voor latere vervangingen, eventueel boven het aantal dat oorspronkelijk in voornoemde overeenkomst werd voorzien, dient enkel het akkoord van de inspecteur van Financiën, de Regeringscommissaris of de afgevaardigde van de Minister van Financiën toegevoegd aan de aanvraag die wordt gericht aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. Dit akkoord houdt rekening met de budgettaire mogelijkheden en heeft tot doel na te gaan of iedere indienstneming daadwerkelijk beantwoordt aan een vervanging.
Artikel M3 III. De overeenkomst van het type II en de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen om te beantwoorden aan uitzonderlijke en tijdelijke behoeften aan personeel.
De procedure voor het verkrijgen van de machtiging om gesubsidieerde contractuelen in dienst te nemen om aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen verloopt als volgt :
1. a) De aanvraag wordt door de betrokken Minister ingediend. Dit vereist dat elke instelling van openbaar nut eerst haar aanvraag richt tot de Minister die het gezag, de controle of het toezicht over de instelling uitoefent.
b) De aanvraag wordt gericht aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
c) De aanvraag dient te worden geformuleerd per bestuur of dienst. Er kunnen dus verschillende aanvragen zijn voor een ministerie of een instelling.
d) De aanvraag behelst :
- een nota ter rechtvaardiging die het uitzonderlijk en tijdelijk karakter van de behoeften aan personeel aantoont en die de wijze van berekening uiteenzet welke leidt tot het gevraagde personeelsbestand en de gevraagde geldigheidsduur;
- het advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën;
- een voorontwerp van koninklijk besluit waarbij de aanvraag wordt geconcretiseerd (zie model in bijlage 2).
Het advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën heeft betrekking op de budgettaire aspecten die onderzocht worden in de veronderstelling van een minimale premie. De inspecteur van Financiën, de Regeringscommissaris of de afgevaardigde van de Minister van Financiën bepaalt een standpunt inzake het uitzonderlijk en tijdelijk karakter van de opdrachten vermeld in de aanvraag.
2. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt de aanvraag.
a) Indien ze formeel niet beantwoordt aan de onder punt 1 gestelde eisen, zendt hij ze aan de betrokken Minister terug.
b) Van zodra de Minister van Tewerkstelling en Arbeid vaststelt dat het dossier volledig is en hij uitspraak heeft gedaan over het bedrag van de toe te kennen premies, maakt hij het dossier over aan de Dienst van Algemeen Bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt. Hij voegt er het advies van de inspecteur van Financiën bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid aan toe.
3. a) De Dienst van Algemeen Bestuur onderzoekt de aanvraag. Hij ontvangt van de Minister van Openbaar Ambt mandaat om contact op te nemen met de vertegenwoordigers van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van de betrokken Minister.
b) Na ze onderzocht te hebben stuurt de Dienst van Algemeen Bestuur de aanvraag, samen met zijn standpunt daarover, door naar de Minister van Begroting.
4. De Minister van Begroting onderzoekt de aanvraag. Hij deelt zijn standpunt mede aan de Dienst van Algemeen Bestuur.
5. De Dienst van Algemeen Bestuur stelt de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de betrokken Minister in kennis van het akkoord, het akkoord over een alternatief standpunt, of het gemotiveerd niet-akkoord van de Minister van Begroting en van de Minister van Openbaar Ambt.
6. De betrokken Minister en de Minister van Tewerkstelling en Arbeid dienen een nota in bij de Ministerraad.
Deze nota behelst :
a) een beschrijving van de uiteindelijke aanvraag van de betrokken Minister;
b) het voorontwerp van koninklijk besluit waarbij concrete vorm wordt gegeven aan het akkoord van de Ministers van Begroting en van Openbaar Ambt;
c) de adviezen die werden gegeven door de inspecteurs van Financiën, de afgevaardigde van de Minister van Financiën of de Regeringscommissaris.
7. a) Op grond van de beraadslaging in de Ministerraad werken de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de betrokken Minister of de Leidende ambtenaar van de instelling van openbaar nut een overeenkomst uit.
b) Over de ontwerpovereenkomst wordt onderhandeld in het sectorcomité.
c) Van zodra de onderhandeling beëindigd is, kan het in punt 6, b, bedoelde ontwerp van koninklijk besluit voor ondertekening door de Koning worden voorgelegd en vervolgens in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
d) Na onderhandeling wordt de overeenkomst ondertekend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de betrokken Minister of de Leidende ambtenaar van de betrokken instelling van openbaar nut.
e) De overeenkomst wordt medeondertekend door de Minister van Openbaar Ambt.
Artikel M4 IV. De overeenkomsten van het type II en de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen voor het vervullen van specifieke of bijkomende opdrachten.
A. Het akkoord over de overeenkomst van het type II.
Bij het indienen van een ontwerpovereenkomst van het type II bij de Minister van Openbaar Ambt, moet elke werkgever, overeenkomstig het model in bijlage 3, het aantal gevraagde wervingen, de duur ervan, alsook de graden waarin hij wenst in dienst te nemen vermelden. Hij dient het gunstig advies van de inspecteur van Financiën, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën en het onderhandelingsprotocol van het betrokken sectorcomité bij te voegen (niet het gemotiveerd advies van een overlegcomité).
Het voormelde gunstige advies heeft tot doel na te gaan of elke beoogde indienstneming daadwerkelijk bestemd is voor het vervullen van specifieke of bijkomende opdrachten en of het totale aantal indienstnemingen binnen de perken blijft van de begrotingskredieten.
Het akkoord van de Minister van Openbaar Ambt dat inzake de overeenkomst wordt gegeven, zal het aantal indienstnemingen als gesubsidieerde contractueel bepalen waarop het slaat, de duur van hun tewerkstelling evenals de graden waarin zij kunnen worden aangeworven.
B. Indienstnemingen nadat de overeenkomst van het type II werd gesloten.
De overeenkomst van het type II bedoeld in IV is een kaderovereenkomst. Dit betekent dat zij het kader bepaalt binnen hetwelk de latere indienstneming van gesubsidieerde contractuelen voor het vervullen van specifieke of bijkomende opdrachten kan geschieden.
Voor de latere indienstnemingen, eventueel boven het aantal dat oorspronkelijk in voornoemde overeenkomst werd voorzien, en voor zover de bedoelde opdrachten reeds in de oorspronkelijke overeenkomst voorkwamen, dient dus enkel het akkoord van de inspecteur van Financiën, de Regeringscommissaris of de afgevaardigde van de Minister van Financiën toegevoegd aan de aanvraag die wordt gericht aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. Dit akkoord houdt rekening met de budgettaire mogelijkheden en wordt enkel verleend op voorwaarde dat de indienstnemingen geschieden voor het vervullen van de specifieke of bijkomende opdrachten zoals die nader werden omschreven in voornoemde overeenkomst.
Het toevoegen van nieuwe specifieke of bijkomende opdrachten vergt een nieuwe overeenkomst.
De Minister van Openbaar Ambt,
R. LANGENDRIES
BIJLAGEN
Artikel N1 Bijlage 1. Vervanging van momenteel afwezige personeelsleden.
I. Loopbaanonderbreking.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-04-1990).
II. Deeltijdse arbeid.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-04-1990).
III. Andere afwezigheden.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-04-1990).
Artikel N2 Bijlage 2. Model van besluit.
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 24-04-1990).