Overeenkomst tot uitlevering tusschen België en Chili.

Datum :
29-05-1899
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 1899052950

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Artikel 1 De Belgische Regeering en de Chileensche Regeering verbinden zich elkander wederkeerig de personen te leveren die, beschuldigd of veroordeeld in een van beide landen als daders van of medeplichtigen aan een der hierna opgenoemde misdrijven, zich in het andere mochten schuilhouden :
  1° Oudermoord, kindermoord, manslag met voorbedachten rade (moord), sluipmoord, vergiftiging;
  2° Vrijwillig toegebracht letsel met, als gevolg, eene erge, ongeneesbaar schijnende ziekte, bestendige onbekwaamheid tot werken, volstrekt verlies of verminking van een voornaam lichaamsdeel, den dood zonder inzicht hem toe te brengen;
  3° Vereeniging van misdadigers;
  4° Afdrijving van de vrucht eener vrouw;
  5° Verlaten van kinderen, minder dan 7 jaar oud, door hunne ouders of hunne beschermers, op onbewoonde plaatsen;
  6° Kinderroof; wegmaking, vervanging, onderschuiving van kinderen;
  7° Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met geweld of verkrachting gepleegd; feitelijke aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld gepleegd op den persoon of door middel van den persoon van een kind, van de eene of andere kunne, minder dan 14 jaar oud;
  8° Aanslag op de zeden, door tot ontucht of bederf van minderjarigen gewoonlijk aan te hitsen of die te bevorderen, ten einde eens anders driften te voldoen;
  9° Schaking van vrouwen minder dan 12 jaar oud, of boven dien ouderdom doch minder dan 20 jaar oud, met geweld, arglist of bedreiging;
  10° Dubbel huwelijk;
  11° Opsluiting van personen;
  12° Diefstal of verduistering;
  13° Bedrieglijke bankbreuk;
  14° Brandstichting;
  15° Algeheele of gedeeltelijke vernieling van schepen, gebouwen, bruggen, dijken, banen, spoorwegen, telegraaflijnen;
  16° Vervalschen of bedrieglijk in omloop brengen van muntspeciën of -papier, koepons, aandeelen, schuldbekentenis en of andere kredietwaarden, met wettelijke toelating uitgegeven door den Staat, de gemeentebesturen, de openbare instellingen, maatschappijen of bijzondere personen van het eene of het andere land.
  Vervalschen of bedrieglijk in omloop brengen van gezegeld papier, zegels, stempelmerken of postzegels.
  Vervalschen of bedrieglijk in omloop brengen der hooger opgenoemde effecten of stukken, door personen die bij bewaringhouders werkzaam zijn;
  17° Vervalsching of bedrieglijk gebruik van stempels, zegels, keurijzers, matrijzen, keurmerken, tot het maken van munt en andere hooger vermelde effecten bestemd;
  18° Vervalsching, verwisseling of bedrieglijk gebruik van openbare geschriften, van akten en van officieele oorkonden der Regeering of der openbare overheid (ook der rechtbanken);
  19° Afpersing van handteekeningen of titels, misbruik van handteekening in blanco, aftroggelarij of ander bedrog;
  20° Valsche getuigenis of mijneed in strafzaken en ook in zake wanbedrijven, wanneer de verklaring tegen den beschuldigde werd gedaan;
  21° Omkooping;
  22° Verduistering, door openbare ambtenaars gepleegd;
  23° Omkooping van openbare ambtenaars, valsche verklaring van deskundigen of tolken;
  24° Verlaten, door den schipper, van een koopvaardijschip of eene visschersboot, buiten de gevallen door de wet voorzien;
  25° Doen stranden of zinken, vernielen, door den schipper of de stuurlieden en mindere schepelingen, verduisteren, door den schipper, van een koopvaardijschip of eene visschersboot, wegwerpen of vernielen, zonder noodzakelijkheid, van de geheele of gedeeltelijke lading, levensmiddelen en uitrusting van het schip; afwijking van den rechten koers; beleening, zonder noodwendigheid, op den bodem, het proviand of de uitrusting van het schip, of verpanden of verkoopen van de koopwaren of levensmiddelen, of schrijven, op de rekeningen, van veronderstelde schade of uitgaven; verkoopen van het schip zonder bijzondere machtgeving, buiten het geval van onzeewaardigheid; lossen van koopwaren zonder voorafgaand verslag, buiten het geval van dreigend gevaar; diefstal, aan boord gepleegd; vervalsching van eet- of koopwaren, aan boord gepleegd door het bijmengen van schadelijke stoffen; aanranding of verzet met geweld en feitelijkheden jegens den schipper, door meer dan een derde van het scheepsvolk; weigering van gehoorzaamheid aan de bevelen van den schipper of den stuurman van het schip, voor de redding van het vaartuig of van de lading, met slagen en kwetsuren; samenzwering tegen de veiligheid, de vrijheid of het gezag van den schipper; innemen van het schip door de matroozen of passagiers, met bedrog of geweld jegens den schipper.
  Ook pogingen zijn onder de voorgaande benamingen begrepen, als de wetgeving van beide landen ze voorziet.
  In alle gevallen - misdaden of wanbedrijven - mag de uitlevering maar geschieden als dergelijk feit strafbaar is volgens de wetgeving van het land aan hetwelk de vraag wordt gericht.
  Zoo de misdaad of het wanbedrijf, waarvoor uitlevering wordt gevraagd, op het grondgebied van een derde land gepleegd werd, mag aan die vraag maar gevolg worden gegeven als de wetgeving van het aanzochte land de vervolging toelaat derzelfde misdrijven buiten zijn grondgebied gepleegd.
  (" 26° : Onwettige handel in schadelijke verdovingsmiddelen, zoals bedoeld bij artikel 2 van de Internationale Overeenkomst tot beteugeling van de onwettige handel in schadelijke verdovingsmiddelen, ondertekend te Genève, op 26 Juni 1936. ") <V 05-05-1958, enig art., En vigueur : 05-07-1958>

Artikel 2 Uitlevering zal maar geschieden ingeval de veroordeeling, de inbetichting- of inbeschuldigingstelling, ofwel de rechterlijke vervolging verwekt werd door eene misdaad of een wanbedrijf waarop, volgens de wetgeving van beide landen, eene straf van meer dan één jaar gevangenzitting is gesteld.

Artikel 3 Voor een der in artikel 1 opgegeven feiten wordt niet uitgeleverd :
  1° Als de opgeëischte persoon veroordeeld of ontslagen werd, in het land waarin hij gevlucht is, voor hetzelfde wanbedrijf dat tot de uitleveringsvraag aanleiding geeft, behoudens ingeval van opschorsing omdat het bestaan van het wanbedrijf of de schuldigheid van den beschuldigde niet werd bewezen;
  2° Als, overeenkomstig de wet van het aanzochte land, de strafvordering of de straf verjaard is op het oogenblik dat de overlevering zou kunnen geschieden.
  Uitdrukkelijk is bepaald dat de persoon, wiens uitlevering werd toegestaan, niet vervolgd of gestraft mag worden wegens eenig staatkundig wanbedrijf, voor de uitlevering gepleegd; noch wegens eenig feit, met dergelijk wanbedrijf verbonden; noch wegens eenige door deze Overeenkomst niet voorziene misdaad of wanbedrijf.
  Wordt niet beschouwd als staatkundig wanbedrijf, of als met dergelijk wanbedrijf verbonden feit, de aanslag tegen den persoon van het Hoofd van een vreemden Staat, of tegen dien zijner familieleden, zoo die aanslag bestaat uit het feit hetzij van moord, hetzij van sluipmoord, hetzij van vergiftiging.
  De uitgeleverde persoon mag echter wedersprakelijk vervolgd of gestraft worden in de volgende gevallen, voor een ander misdrijf dan dat waarvoor de uitlevering werd verleend :
  1° Indien hij gevraagd heeft terecht te staan of zijne straf te ondergaan, in welk geval zijne aanvraag medegedeeld wordt aan de Regeering die hem heeft uitgeleverd;
  2° Indien hij het land waaraan hij uitgeleverd werd, niet heeft verlaten gedurende de maand nadat hij voorgoed in vrijheid werd gesteld;
  3° Indien het misdrijf in de Overeenkomst voorzien is en de Regeering, waaraan hij werd overgeleverd, op voorhand de toestemming bekomen heeft van de Regeering die de uitlevering heeft toegestaan. Laatstgenoemde Regeering mag, zoo zij het gepast oordeelt, de overlegging vergen van een der bescheiden, in artikel 5 dezer Overeenkomst vermeld.
  Verdere overlevering aan een derde land is aan dezelfde regelen onderworpen.

Artikel 4 In geen geval en om geenerlei reden, kunnen de Hooge Verdragsluitende Partijen verplicht worden elkander hare landgenooten over te leveren, behoudens de vervolgingen jegens hen in hun land in te spannen, overeenkomstig de bestaande wetten.

Artikel 5 De vraag tot uitlevering wordt ingediend langs diplomatieken weg en, bij gebreke daarvan, langs consulairen weg of door een anderen daartoe behoorlijk gemachtigden persoon.
  Een rechtsgeldig afschrift van het door de bevoegde overheid afgeleverd bevel tot gevangenneming, of van het eindvonnis, dient de aanvraag te vergezellen.
  Het vonnis van veroordeeling ontslaat van de overlegging van elk ander bescheid tot wettiging der aanvraag.
  Zoo er geen vonnis van veroordeeling bestaat, moet de overheid, die het bevel tot gevangenneming heeft geleverd, opgeven wat tot op dien oogenblik werd gedaan :
  1° Het juiste feit dat het wanbedrijf uitmaakt waarvoor wordt vervolgd, met aanwijzing of het een voltrokken wanbedrijf of enkel eene poging geldt;
  2° Of de persoon als dader of als medeplichtige wordt vervolgd;
  3° Welke de bezwarende omstandigheden zijn die de verantwoordelijkheid van den persoon schijnen te treffen;
  4° Den gekenden of vermoedelijken ouderdom van den opgeëischten persoon;
  5° Den vastgestelden of vermoedelijken datum van het wanbedrijf;
  6° De persoonsbeschrijving van den opgeëischte en alle aanwijzingen die van aard zijn om zijne opzoeking en het bewijs zijner persoonlijke eenzelvigheid te bevorderen.
  Nauwgezette opgave der bijzonderheden 1° en 5° is volstrekt noodzakelijk.
  Het weglaten der bijzonderheden 2°, 3°, 4° en 6° maakt de aanvraag niet onaanneembaar, zoo het onmogelijk is ze nauwkeurig te vermelden, niettegenstaande de gedane opzoekingen.

Artikel 6 In spoedeischende gevallen mag elke der Regeeringen, zoo er bevel tot gevangenneming of vonnis van veroordeeling bestaat, aan de andere, langs telegrafischen weg, de gevangenneming van den vluchteling vragen, op voorwaarde dat zij, binnen den termijn van zeventig dagen, de vraag stelle in den bij voorgaand artikel bepaalden vorm; is, na dien tijd, deze verplichting niet vervuld, zoo wordt de gevangene in vrijheid gesteld.

Artikel 7 Wordt de vraag tot uitlevering verworpen, zoo wordt de betichte in vrijheid gesteld en kan hij om dezelfde reden niet meer gevangen genomen worden.
  Waar twijfel bestaat over de vraag of deze Overeenkomst geldt voor de misdaad of het wanbedrijf waarvoor wordt vervolgd, worden uitleggingen gevraagd en beslist de Regeering van wie de uitlevering wordt verlangd, na onderzoek, welk gevolg aan de vraag dient gegeven.
  De gevangenhouding van den beschuldigde of van den veroordeelde mag echter, in geen geval, boven den termijn van zes maanden worden gehandhaafd, te rekenen van den dag zijner gevangenneming krachtens de aanvraag der bevoegde overheid.

Artikel 8 De overlevering van den opgeëischte geschiedt in de zeehaven der plaats van gevangenhouding, aan den persoon dien de aanvragende Regeering aanwijst.

Artikel 9 De burgerlijke verplichtingen, door den opgeëischten persoon in het toevluchtsland aangegaan, zijn geene hindernis voor de uitlevering.

Artikel 10 Al wat het voorwerp van het misdrijf uitmaakt of gediend heeft om het te begaan, alsmede elk ander overtuigingsstuk dat verborgen mocht zijn of in het bezit van den opgeëischte of van derden genomen mocht worden, zullen aan de aanvragende Regeering worden overhandigd, zelfs als de uitlevering niet kon gebeuren omdat de betrokken persoon overleden of voortgevlucht is.
  Blijven, echter, voorbehouden de rechten van de derden op die voorwerpen, welke kosteloos teruggeven worden na afloop van het rechtsgeding.

Artikel 11 De kosten van gevangenneming, gevangenhouding of van vervoer van den opgeëischten persoon, tot in de haven van overlevering, zijn ten laste van den Staat op wiens grondgebied zij werden veroorzaakt.
  Van het oogenblik af der overlevering, zijn de kosten ten laste der opeischende partij.

Artikel 12 Is de opgeëischte persoon onder handen van het gerecht voor een wanbedrijf, in het toevluchtsland gepleegd, zoo wordt zijne uitlevering uitgesteld tot na afloop van het geding en, indien hij veroordeeld is of wordt, totdat hij zijne straf heeft uitgedaan.

Artikel 13 Wanneer dezelfde persoon door twee Staten wordt opgeëischt, behoort het den aanzochten Staat te beslissen, naar den aard der misdrijven, de orde waarin de vragen hem zijn geworden, of naar de omstandigheden die hij meent in aandacht te moeten nemen, aan welke der opeischende Regeeringen hij de overlevering zal doen.

Artikel 14 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich den doortocht toe te laten, over haar wederzijdsch grondgebied, van personen - tenzij het hare landgenooten gelde - die, op aanvraag van eene van haar, door een derde land worden uitgeleverd. De toelating wordt gevraagd langs diplomatieken weg of, bij gebreke daarvan, langs consulairen weg en de aanvraag gaat vergezeld van een der bescheiden, bij artikel 5 van deze Overeenkomst bepaald.
  Doorvoer is overigens beperkt tot de in artikel 1 voorziene feiten en zal maar geschieden voor zooveel de vordering of de straf niet verjaard is.

Artikel 15 Als een van beide Regeeringen het verhoor van getuigen, die zich in den anderen Staat bevinden, of elke andere akte van rechterlijk onderzoek noodig acht, wordt daartoe eene volmacht bij aanvraag, des voorkomend van eene Fransche vertaling vergezeld, langs diplomatieken weg gezonden en, zoo niets zich daartegen verzet, zal er door de zorgen der aanzochte Regeering gevolg aan gegeven worden, met inachtneming der wetten van het land waarin het verhoor der getuigen of de akte van onderzoek moet plaats grijpen.
  De volmachten bij aanvraag, uitgaande van de bevoegde vreemde overheid en strekkende tot het doen volbrengen van hetzij huiszoeking, hetzij inbeslagneming van het voorwerp des misdrijfs of van overtuigingsstukken, mogen maar worden uitgevoerd voor een der feiten in artikel 1 opgenoemd en onder het voorbehoud uitgedrukt in de laatste paragraaf van artikel 10.
  De wederzijdsche Regeeringen zien af van elke vordering strekkende tot terugbetaling der kosten waartoe de uitvoering van de volmacht bij aanvraag in strafzaken mocht aanleiding geven, zelfs wanneer het een schatting geldt, mits deze schatting niet meer dan één zitting hebben gevergd.

Artikel 16 Dit Verdrag blijft in werking gedurende vijf jaar, te rekenen van den dag van de uitwisseling der akten van bekrachtiging, en na dien tijd wordt het als verlengd beschouwd totdat eene der Verdragsluitende Partijen aan de andere haar inzicht meldt er een eind aan te stellen, één jaar na de opzegging.
  Dit Verdrag zal bekrachtigd en de akten van bekrachtiging te Santiago uitgewisseld worden binnen den termijn van één jaar, te rekenen van dezen dag.
  Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden van het Belgisch Koninkrijk en van de Republiek Chili deze Overeenkomst in dubbel en in de Fransche en in de Spaansche taal hebben onderteekend, en er hunne wederzijdsche zegels op hebben gesteld.
  Daar de termijn voorzien voor de uitwisseling der akten van bekrachtiging met gemeen overleg werd verlengd, zoo werd tot die uitwisseling overgegaan op 14 Januari 1904, te Santiago in Chili.