Paritair Comité voor de binnenscheepvaart. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 27 oktober 1992. - Tewerkstellingsmaatregelen. .

Datum :
27-10-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 1992102751

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Artikel 1 Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart, uitgezonderd de ondernemingen die zich bezighouden met het slepen, duwen of voorttrekken van zeeschepen op de binnenwateren.
  Onder RSZ. verstaat men de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Artikel 2 Het Paritair samengesteld tewerkstellingscomité, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 mei 1983 betreffende de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling en verder gezet bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van 18 maart 1987, houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord van 7 november 1986 en van 7 december 1988, betreffende de tewerkstellingsmaatregelen, gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van 29 juni 1989, 30 mei 1990 en 29 mei 1991, respectievelijk algemeen verbindend verklaard bij de koninklijke besluiten van 20 juli 1983, 12 april 1988, 27 juni 1989, 6 augustus 1990, 15 maart 1991 en 5 augustus 1992 blijft behouden.
  Het bestaat uit zes leden, waarvan drie leden voorgedragen door de werkgeversorganisaties, vertegenwoordigd in het paritair comité en drie leden, voorgedragen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair comité, met dien verstande dat ten minste één lid van elke partij, beheerder is van het Fonds voor de Rijn- en binnenscheepvaart.
  De leden van het tewerkstellingscomité worden benoemd door het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart.

Artikel 3 Het Fonds voor de Rijn- en binnenscheepvaart is belast met de inning van de bijdragen van de werkgevers, met de uitbetaling van de tussenkomsten ten gunste van de werkgevers en met het beheer van de in artikel 4 bedoelde bijdragen.
  Het heeft daartoe een afzonderlijke rekening geopend.

Artikel 4 Ieder kwartaal storten de werkgevers een bijdrage van 5 pct. berekend op de brutolonen verdiend door de werklieden en werksters tijdens het kwartaal met ingang van 1 januari 1991, samen met de andere bijdragen aan het fonds.
  In geval van wanbetaling zijn alle maatregelen van kracht zoals deze gelden voor de inning van de bijdragen door het fonds voor bestaanszekerheid zoals bepaald bij artikel 17, § 2, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 juni 1970, tot oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid en vaststelling van zijn statuten, gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van 5 december 1973 en 13 november 1975, respectievelijk algemeen verbindend verklaard bij de koninklijke besluiten van 11 september 1970, 4 januari 1974 en 10 juni 1976.

Artikel 5 De werkgevers die voor 1 januari 1991, een bijkomende tewerkstelling verzekeren op contractuele basis, kunnen ten laste van het voornoemd fonds een tegemoetkoming genieten van 40 pct. berekend op het werkelijk brutoloon van de aangeworven werkman of werkster.
  De werkgevers die vanaf 1 januari 1991, een bijkomende tewerkstelling verzekeren op contractuele basis, kunnen ten laste van voornoemd fonds een tegemoetkoming genieten gelijk aan 35 pct. berekend op het werkelijk brutoloon van de aangeworven werkman of werkster.
  De aldus bekomen tussenkomst wordt in 1992 en 1993 aan 90 pct. uitbetaald.
  Onder bijkomende tewerkstelling wordt verstaan de indienstneming van een werknemer die tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan zijn indiensttreding niet tewerkgesteld was in het bedrijf van de werkgever zelf, of in het bedrijf van zijn familieleden tot de 3de graad of in enig ander bedrijf waarin de werkgever, zijn echtgeno(o)t(e) of zijn familieleden tot de 3de graad of nog aandeelhouders van de werkgever, zo deze een rechtspersoon is, financiële belangen hebben.
  Tevens zal het personeelsbestand van het bedrijf van de werkgever gedurende een periode van 12 maanden samengevoegd worden met het personeelsbestand van het bedrijf van de echtgeno(o)t(e) van de werkgever, van het bedrijf van zijn familieleden tot de 3de graad of van het bedrijf waarin de werkgever, zijn echtgeno(o)t(e), zijn familieleden tot de 3de graad of nog de aandeelhouders van de werkgever, zo deze een rechtspersoon is, financiële belangen hebben om het recht op tewerkstellingspremies ingevolge bijkomende tewerkstelling vast te stellen.
  Deze periode van 12 maanden vangt aan vanaf de eerste dag van indiensttreding van de werknemer waarvoor een premie wordt aangevraagd.

Artikel 6 De werkgever die de in artikel 5 bedoelde tegemoetkoming wenst te genieten, dient aan het tewerkstellingscomité de nodige documenten voor te leggen als bewijs van de bijkomende tewerkstelling.
  De tussenkomst gaat in ten vroegste de eerste der maand die de aanvraag aan het fonds voorafgaat.
  Het voornoemde fonds betaalt het toegekende voordeel, voorzien bij artikel 5, ten vroegste één maand na betaling door de werkgever van de RSZ.-bijdragen en de bijdragen aan het voornoemd fonds, van het betrokken kwartaal.
  De tewerkstellingspremies toegekend voor 1 januari 1990 op basis van bijkomende tewerkstelling gecreëerd voor 31 december 1986 vervallen vanaf 1 januari 1990.
  De tewerkstellingspremies toegekend voor 1 januari 1990 op basis van bijkomende tewerkstelling gecreëerd in 1987, 1988 en 1989 vervallen respectievelijk vanaf 1 januari 1991, 1 januari 1992 en 1 januari 1993.
  De tewerkstellingspremies toegekend vanaf 1 januari 1990 ingevolge bijkomende tewerkstelling worden uitbetaald zolang deze bijkomende tewerkstelling gehandhaafd blijft zonder echter een termijn van 3 jaar te overschrijden.
  Deze termijn van 3 jaar vangt aan vanaf de dag van indiensttreding, waarop het recht op de tewerkstellingspremie ingaat.
  Alle betwistingen in verband met de toepassing van dit artikel worden, onverminderd de bevoegdheden van de hoven en rechtbanken, onderworpen aan het oordeel van het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart.

Artikel 7 Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1991 en is gesloten voor onbepaalde tijd.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomst kan door elk van de ondertekenende partijen worden opgezegd, mits een opzeggingstermijn van zes maanden wordt in acht genomen te rekenen van de eerste van de maand die volgt op deze waarin de opzegging geschiedt door een ter post aangetekende brief, gericht aan de Voorzitter van het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart en aan de in dit comité vertegenwoordigde organisaties.
  Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 29 januari 1996.
  (Voor het KB., zie %%1996-01-29/45%%).
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
  Mevr. M. SMET