Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, Bijlagen I, II, III, IV, V en VI, Slotakte en Lijst met de gebonden Staten, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000.

Datum :
23-06-2000
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
58 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 2003A15019

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Paart 1. Algemene bepalingen

Titel 1. Doeleinden, beginselen en actoren

Hoofdstuk 1. Doelstellingen en beginselen

Artikel 1 Doelstellingen van het partnerschap.
  De Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de ACS-staten anderzijds, hierna " de partijen " genoemd, sluiten deze Overeenkomst om de economische, culturele en maatschappelijke ontwikkeling van de ACS-staten te bevorderen en te versnellen, teneinde tot vrede en veiligheid bij te dragen en een stabiel en democratisch politiek klimaat te bevorderen.
  De kern van het partnerschap wordt gevormd door de doelstelling armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te roeien, overeenkomstig de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en geleidelijk integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.
  Aan alle ontwikkelingsstrategieën liggen deze doelstellingen en de internationale verbintenissen van de partijen ten grondslag; zij worden verwezenlijkt volgens een geïntegreerde benadering, die de politieke, economische, maatschappelijke, culturele en milieuaspecten van de ontwikkeling tegelijkertijd in aanmerking neemt. Het partnerschap biedt een samenhangend kader voor de ondersteuning van de ontwikkelingsstrategieën van elke ACS-staat.
  Elementen van dit kader zijn duurzame economische groei, ontwikkeling van de particuliere sector, stimulering van de werkgelegenheid en verbetering van de toegang tot productiemiddelen. Steun wordt verleend ter bevordering van de eerbiediging van de rechten van het individu en de vervulling van basisbehoeften, de bevordering van sociale ontwikkeling en de vervulling van de voorwaarden voor rechtvaardige verdeling van de vruchten van de groei. Regionale en subregionale integratieprocessen die de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie bevorderen, zowel wat handel als wat particuliere investeringen betreft, worden aangemoedigd en gesteund. Integrerende onderdelen van deze benadering zijn de opbouw van de capaciteit van de actoren van het ontwikkelingsproces en de verbetering van het institutionele kader dat vereist is voor sociale cohesie, voor het functioneren van een democratische samenleving en een markteconomie en voor het ontstaan van een actieve, georganiseerde civiele samenleving. De situatie van vrouwen en gendervraagstukken worden systematisch in aanmerking genomen op alle gebieden politiek, economisch en sociaal. De beginselen van duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen en het milieu worden op elk niveau van het partnerschap geïntegreerd toegepast.

Artikel 2 Grondbeginselen.
  De samenwerking tussen ACS en EG, die gegrondvest is op een bindende rechtsregeling en gezamenlijke instellingen, is gebaseerd op de volgende grondbeginselen :
  gelijkheid van de partners en van de inbreng in de ontwikkelingsstrategieën : ter uitvoering van de doelstellingen van het partnerschap bepaalt iedere ACS-staat de ontwikkelingsstrategie voor zijn economie en zijn samenleving in volledige soevereiniteit, daarbij alle in artikel 9 genoemde essentiële elementen in aanmerking nemende; het partnerschap stimuleert de inbreng van de betrokken landen en volkeren in de eigen ontwikkelingsstrategie;
  deelname : naast de centrale overheid als belangrijkste partner, staat het partnerschap open voor andere actoren, teneinde de integratie in de hoofdstroom van het politieke, economische en maatschappelijke leven te bevorderen van alle geledingen van de samenleving, waaronder de particuliere sector en organisaties van de civiele samenleving;
  centrale rol voor dialoog en naleving van wederzijdse verplichtingen : de verplichtingen die de partijen in het kader van hun dialoog zijn aangegaan vormen een kernpunt van hun partnerschaps- en samenwerkingsbetrekkingen;
  differentiëring en regionalisering : de regelingen en prioriteiten voor samenwerking worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau, de behoeften, de prestaties en de ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn van de partner. Bijzondere nadruk ligt daarbij op de regionale dimensie. De minst ontwikkelde landen krijgen een bijzondere behandeling. Rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van niet aan zee grenzende en insulaire landen.

Artikel 3 Verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst.
  Elke partij neemt, voorzover het bepaalde in de Overeenkomst haar aangaat, alle algemene of bijzondere maatregelen waardoor de nakoming van de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen kan worden gewaarborgd en het nastreven van de doelstellingen ervan kan worden vergemakkelijkt. De partijen zien af van maatregelen die deze doelstellingen in gevaar kunnen brengen.

Hoofdstuk 2. DE ACTOREN VAN HET PARTNERSCHAP

Artikel 4 Algemene benadering.
  De ACS-staten bepalen de beginselen, strategieën en modellen voor de ontwikkeling van hun economie en hun samenleving in volledige soevereiniteit. Zij stellen samen met de Gemeenschap de samenwerkingsprogramma's vast waarin de Overeenkomst voorziet. De partijen erkennen echter dat niet-overheidsactoren in het ontwikkelingsproces een complementaire rol kunnen spelen en dat zij daartoe een bijdrage kunnen leveren. Niet-overheidsactoren worden daartoe in voorkomend geval, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de Overeenkomst, bij het proces op de volgende wijze betrokken :
  zij worden ingelicht en betrokken bij overleg over samenwerkingsbeleid en samenwerkingsstrategie, over samenwerkingsprioriteiten, met name op terreinen die hen aangaan of rechtstreeks betreffen, en over de politieke dialoog;
  hun worden, op de voorwaarden als in de Overeenkomst vastgesteld, financiële middelen ter beschikking gesteld om het proces van plaatselijke ontwikkeling te steunen;
  zij worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van samenwerkingsprojecten en -programma's op terreinen die hen aangaan of waarop zij een relatief voordeel hebben;
  hun wordt op kritieke gebieden steun verleend ter versterking van hun capaciteiten en vermogens, met name ten aanzien van organisatie en representatie en de instelling van mechanismen voor overleg, met inbegrip van communicatielijnen en dialoog, alsmede ter bevordering van strategische allianties.

Artikel 5 Voorlichting.
  De samenwerking ondersteunt maatregelen ten behoeve van voorlichting over de belangrijkste aspecten van het partnerschap tussen ACS en EU. De samenwerking is bovendien gericht op :
  aanmoediging van partnerschap en contacten tussen actoren in de ACS en in de EU;
  versterking van netwerkvorming en uitwisseling van deskundigheid en ervaring onder de actoren.

Artikel 6 Definities.
  1. De actoren van de samenwerking zijn :
  a) overheden (plaatselijk, regionaal en nationaal);
  b) buiten de overheid :
  de particuliere sector;
  de economische en sociale partners, onder andere vakverenigingen;
  de civiele samenleving in al haar verschijningsvormen, overeenkomstig de nationale kenmerken.
  2. Erkenning door de partijen van niet-overheidsactoren is afhankelijk van de mate waarin zij beantwoorden aan de behoeften van de bevolking, hun specifieke deskundigheid en het democratisch gehalte en de transparantie van hun organisatie en beheer.

Artikel 7 Capaciteitsopbouw.
  De bijdrage van de civiele samenleving tot het ontwikkelingsproces kan worden gestimuleerd door versterking van maatschappelijke organisaties en niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk op alle terreinen van de samenwerking. Dit houdt in dat :
  de totstandkoming en ontwikkeling van dergelijke organisaties moet worden gestimuleerd;
  regelingen moeten worden getroffen om dergelijke organisaties te betrekken bij de opzet, de uitvoering en de evaluatie van ontwikkelingsstrategieën en ontwikkelingsprogramma's.

Titel 2. DE POLITIEKE DIMENSIE

Artikel 8 Politieke dialoog.
  1. De partijen gaan regelmatig een brede, evenwichtige en diepgaande politieke dialoog aan, die tot verbintenissen van beide zijden leidt.
  2. Het doel van deze dialoog is het uitwisselen van informatie, het bevorderen van het wederzijds begrip en het vereenvoudigen van de totstandkoming van overeengekomen prioriteiten, met name door te erkennen dat de verschillende aspecten van de betrekkingen tussen de partijen onderling verband houden, evenals de diverse samenwerkingsterreinen waarin deze Overeenkomst voorziet. De dialoog dient het overleg tussen de partijen in internationale fora te vereenvoudigen. De dialoog moet tevens voorkomen dat situaties ontstaan waarin een partij het noodzakelijk acht een beroep te doen op de niet-uitvoeringsclausule.
  3. De dialoog heeft betrekking op alle doelstellingen van de Overeenkomst, alsmede alle vraagstukken van gemeenschappelijk, algemeen, regionaal of subregionaal belang. Door middel van de dialoog dragen de partijen bij tot vrede, veiligheid en stabiliteit, en bevorderen zij de totstandkoming van een stabiel en democratisch politiek klimaat. De dialoog omvat samenwerkingsstrategieën en wereldwijde en sectorale beleidsvraagstukken, zoals milieu, gendervraagstukken en migratie en vraagstukken in verband met het cultureel erfgoed.
  4. De dialoog concentreert zich onder meer op specifieke politieke vraagstukken van gemeenschappelijk belang of van algemene betekenis voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst, zoals de wapenhandel, buitensporige militaire uitgaven, drugs en georganiseerde criminaliteit, alsook discriminatie op grond van etnische afkomst, godsdienst of ras. In het kader van de dialoog wordt voorts regelmatig geëvalueerd welke de ontwikkelingen zijn ten aanzien van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur.
  5. Een op brede basis gestoeld beleid ter bevordering van de vrede en ter voorkoming, beheersing en oplossing van gewelddadige conflicten is een belangrijk onderdeel van de dialoog; het streven naar vrede en democratische stabiliteit dient bij de vaststelling van de prioriteitsgebieden voor de samenwerking volledig in aanmerking te worden genomen.
  6. De dialoog wordt op flexibele wijze gevoerd. De dialoog verloopt naargelang de behoefte formeel of informeel, en wordt gevoerd zowel binnen als buiten het institutionele kader, in een passende vorm en op passend niveau, onder meer op regionaal, subregionaal en nationaal niveau.
  7. Regionale en subregionale organisaties en vertegenwoordigers van organisaties van de civiele samenleving worden bij de dialoog betrokken.

Artikel 9 Essentiële elementen en fundamenteel element.
  1. De samenwerking is gericht op duurzame ontwikkeling, waarin de mens, de stuwende kracht en voornaamste begunstigde ervan, centraal staat; dit houdt in dat alle rechten van de mens dienen te worden geëerbiedigd en bevorderd.
  Eerbiediging van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, onder meer inhoudende eerbiediging van de fundamentele sociale rechten, op de rechtsstaat berustende democratie en transparant en verantwoordelijk bestuur, is een integrerend aspect van duurzame ontwikkeling.
  2. De partijen verwijzen naar hun internationale verplichtingen en verbintenissen betreffende de eerbiediging van de mensenrechten. Zij verklaren opnieuw bijzonder gewicht te hechten aan de waardigheid en de rechten van de mens, waarnaar individuen en volkeren rechtmatig streven. De mensenrechten zijn universeel, ondeelbaar en onderling verbonden. De partijen verbinden zich ertoe alle fundamentele vrijheden en mensenrechten te bevorderen en te beschermen, zowel burgerrechten en politieke rechten als economische, sociale en culturele rechten. In dit verband bevestigen de partijen opnieuw de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.
  De partijen verklaren dat democratisering, ontwikkeling en de bescherming van de fundamentele vrijheden onderling zijn verbonden en elkaar versterken. De democratische beginselen zijn universeel erkende beginselen die aan de organisatie van de staat ten grondslag liggen en daardoor de legitimiteit van zijn gezag, de wettigheid van zijn handelen, zoals dit zijn weerslag vindt in het constitutionele, wetgevende en regelgevende stelsel, alsmede het bestaan van mechanismen voor participatie waarborgen. Op basis van deze universeel erkende beginselen ontwikkelt ieder land zijn democratische cultuur.
  De structuur van de overheid en de bevoegdheden van de verschillende machten moeten zijn gegrondvest op de rechtsstaat, wat met name het bestaan inhoudt van doeltreffende en toegankelijke juridische beroepsmogelijkheden, een onafhankelijk rechtsstelsel dat gelijkheid voor de wet waarborgt en een uitvoerende macht die volledig is ondergeschikt aan de wet.
  De eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, waarop het partnerschap tussen ACS en EU berust, liggen ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van de partijen, en zijn essentiële elementen van deze Overeenkomst.
  3. In het kader van een politiek en institutioneel klimaat dat de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat beschermt, wordt onder goed bestuur verstaan het transparante en verantwoordelijke beheer van menselijke en natuurlijke hulpbronnen en economische en financiële middelen ten behoeve van rechtvaardige en duurzame ontwikkeling. Goed bestuur houdt het bestaan in van duidelijke besluitvormingsprocedures bij de overheid, transparante en verantwoording verschuldigde instellingen, de voorrang van de wet bij het beheer en de verdeling van middelen en de opbouw van capaciteiten ten behoeve van het uitwerken en uitvoeren van maatregelen teneinde met name corruptie te voorkomen en te bestrijden.
  Goed bestuur, waarop het partnerschap tussen ACS en EU berust, ligt ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van de partijen, en is een fundamenteel element van deze Overeenkomst. De partijen komen overeen dat slechts ernstige gevallen van corruptie, met inbegrip van omkoping die tot dergelijke corruptie leidt, als omschreven in artikel 97, een schending van dit element inhouden.
  4. Bevordering van de mensenrechten, democratiseringsprocessen, consolidatie van de rechtsstaat en goed bestuur worden door het partnerschap actief ondersteund.
  Deze terreinen zijn een belangrijk onderwerp voor de politieke dialoog. In het kader van deze dialoog kennen de partijen bijzonder belang toe aan de veranderingen zoals die zich voordoen en de continuïteit van de bereikte vooruitgang. Bij deze regelmatige evaluatie wordt de economische, sociale, culturele en historische achtergrond van ieder land in aanmerking genomen.
  Aan deze terreinen wordt tevens bijzondere aandacht geschonken bij de steun voor ontwikkelingsstrategieën. De Gemeenschap verleent steun voor politieke, institutionele en juridische hervormingen en voor het versterken van de capaciteit van openbare en particuliere actoren en de civiele samenleving in het kader van strategieën die door de betrokken staat en de Gemeenschap worden overeengekomen.

Artikel 10 Andere elementen van het politieke klimaat.
  1. De partijen zijn van oordeel dat de volgende elementen bijdragen tot de instandhouding en consolidatie van een stabiel en democratisch politiek klimaat :
  duurzame en rechtvaardige ontwikkeling, wat onder meer toegang tot productiemiddelen, essentiële diensten en justitie inhoudt;
  sterkere betrokkenheid van een actieve, georganiseerde civiele samenleving en de particuliere sector.
  2. De partijen erkennen dat de beginselen van de markteconomie, ondersteund door transparante concurrentieregels en gezond economisch en sociaal beleid, tot de verwezenlijking van doelstellingen van het partnerschap bijdragen.

Artikel 11 Vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing.
  1. De partijen voeren in het kader van het partnerschap een actief, veelomvattend en geïntegreerd beleid inzake vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing. Dit beleid wordt gebaseerd op het beginsel van eigen inbreng. Het richt zich met name op de opbouw van capaciteiten op regionaal, subregionaal en nationaal vlak en op het voorkomen van gewelddadige conflicten in een vroeg stadium, door de onderliggende oorzaken op gerichte wijze en met een passende combinatie van alle beschikbare instrumenten aan te pakken.
  2. De activiteiten op het gebied van vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing houden met name in : steun voor de evenwichtige verdeling van politieke, economische, sociale en culturele kansen onder alle geledingen van de samenleving, steun voor versterking van de democratische legitimiteit en de effectiviteit van het bestuur, steun voor de totstandbrenging van effectieve instrumenten voor de vreedzame verzoening van groepsbelangen, steun voor het overbruggen van scheidslijnen tussen verschillende geledingen van de samenlevingen en steun voor een actieve en georganiseerde civiele samenleving.
  3. Andere relevante activiteiten in dit verband zijn onder meer : steun voor bemiddeling, onderhandelingen en verzoening, steun voor effectief regionaal beheer van gedeelde schaarse natuurlijke hulpbronnen, steun voor demobilisatie van voormalige strijdenden en hun reïntegratie in de samenleving, steun voor het aanpakken van het probleem van kindsoldaten, alsmede steun voor passende maatregelen om de militaire uitgaven en de wapenhandel tot een verantwoord niveau terug te brengen, onder meer door steun te verlenen ter bevordering en toepassing van overeengekomen gedragsnormen en gedragscodes. In dit verband wordt bijzondere aandacht besteed aan de bestrijding van antipersoneelmijnen en van de buitensporige en ongecontroleerde verspreiding en accumulatie van en de illegale handel in kleine en lichte wapens.
  4. In gewelddadige conflictsituaties nemen de partijen alle passende maatregelen om escalatie van het geweld te voorkomen en de territoriale uitbreiding ervan te beperken, en een vreedzame beslechting van geschillen te bevorderen. In het bijzonder moet erop worden toegezien dat de voor samenwerking bestemde financiële middelen benut worden in overeenstemming met de beginselen en doelstellingen van de Overeenkomst, en moet worden voorkomen dat deze middelen voor offensieve doeleinden worden misbruikt.
  5. In situaties na een conflict nemen de partijen alle passende maatregelen om het herstel van een niet-gewelddadige, stabiele en zichzelf instandhoudende situatie te bevorderen. De partijen zien toe op de totstandkoming van de noodzakelijke koppeling tussen noodmaatregelen, herstel en ontwikkelingssamenwerking.

Artikel 12 Coherentie van het Gemeenschapsbeleid en uitvoering van de overeenkomst.
  Onverminderd artikel 96 stelt de Gemeenschap, indien zij voornemens is bij de uitvoering van haar bevoegdheden een maatregel te nemen die, gelet op de doelstellingen van de Overeenkomst, van invloed kan zijn op de belangen van de ACS-staten, deze daarvan tijdig in kennis. Met het oog hierop doet de Commissie haar voorstel voor maatregelen van deze aard tegelijkertijd aan het secretariaat van de ACS-staten toekomen. Zo nodig kan ook op initiatief van de ACS-staten een verzoek om inlichtingen worden ingediend.
  Op verzoek van deze staten vindt onverwijld overleg plaats opdat, voordat een definitief besluit wordt genomen, rekening kan worden gehouden met hun bezwaren ten aanzien van de gevolgen van deze maatregelen.
  Na dit overleg kunnen de ACS-staten hun bezwaren bovendien schriftelijk aan de Gemeenschap kenbaar maken en voorstellen voor wijzigingen doen die aangeven hoe hun bezwaren ondervangen moeten worden.
  Indien de Gemeenschap geen gevolg geeft aan de voorstellen van de ACS-staten, stelt zij de ACS-staten daar zo spoedig mogelijk van in kennis, onder opgave van redenen.
  De ACS-staten wordt tevens, indien mogelijk tevoren, toereikende informatie verstrekt over de inwerkingtreding van deze besluiten.

Artikel 13 Migratie.
  1. Betreffende migratie wordt in het kader van het partnerschap tussen EU en ACS een diepgaande dialoog gehouden.
  De partijen bevestigen opnieuw dat zij krachtens het internationale recht gehouden zijn en zich ertoe verbonden hebben toe te zien op de eerbiediging van de mensenrechten en de bestrijding van alle vormen van discriminatie op grond van met name afkomst, geslacht, ras, taal en godsdienst.
  2. De partijen zijn het erover eens dat ten aanzien van migratie een partnerschap met zich meebrengt : billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, integratiebeleid dat deze onderdanen rechten en plichten geeft die vergelijkbaar zijn met die van hun staatsburgers, versterking van de bestrijding van discriminatie in het economische, sociale en culturele leven en ontwikkeling van maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat.
  3. Elke lidstaat past op werknemers die de nationaliteit van een ACS-staat bezitten en legaal in loondienst werkzaam zijn op zijn grondgebied, wat arbeidsvoorwaarden, beloning en ontslag betreft, een regeling toe waarbij geen discriminatie op grond van nationaliteit plaatsvindt ten opzichte van zijn eigen onderdanen. Elke ACS-staat past bovendien ten aanzien hiervan op werknemers die de nationaliteit van een lidstaat bezitten een vergelijkbare niet-discriminerende regeling toe.
  4. De partijen zijn van oordeel dat strategieën om de armoede te bestrijden, de levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren, werkgelegenheid te scheppen en scholingsmogelijkheden te ontwikkelen, op de lange termijn bijdragen tot normalisering van de migratiestromen.
  De partijen houden in het kader van de ontwikkelingsstrategieën en de nationale en regionale programmering rekening met de structurele knelpunten die met de migratiestromen verband houden, teneinde de economische en sociale ontwikkeling van de gebieden waaruit de migranten afkomstig zijn te steunen en de armoede terug te dringen.
  De Gemeenschap steunt door middel van nationale en regionale samenwerkingsprogramma's de opleiding van onderdanen van de ACS-staten, in hun land van herkomst, in een ander ACS-land of in lidstaat van de Europese Unie. Ten aanzien van opleiding in een lidstaat zien de partijen erop toe dat dergelijke opleidingen gericht zijn op de professionele integratie van de ACS-onderdanen in hun land van herkomst.
  De partijen ontwikkelen samenwerkingsprogramma's teneinde de toegang voor studerenden uit de ACS-staten tot het onderwijs te vergemakkelijken, met name door gebruikmaking van nieuwe communicatietechnologieën.
  5. a) In het kader van de politieke dialoog bespreekt de Raad van Ministers problemen die het gevolg zijn van illegale immigratie, teneinde waar toepasselijk tot middelen voor een preventiebeleid te komen.
  b) In dit verband komen de partijen met name overeen erop toe te zien dat in het kader van alle procedures voor terugkeer van illegale immigranten naar hun land van herkomst de rechten en de waardigheid van het individu worden gerespecteerd. De autoriteiten verstrekken hun in verband hiermede de administratieve faciliteiten die voor hun terugkeer noodzakelijk zijn.
  c) Voorts komen de partijen overeen :
  i) iedere lidstaat van de Europese Unie verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een ACS-staat verblijven op verzoek van die staat zonder verdere formaliteiten over te nemen;
  iedere ACS-staat verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verblijven op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten over te nemen.
  Voor dergelijke doeleinden verstrekken de lidstaten en de ACS-staten hun onderdanen passende identiteitsdocumenten.
  Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft zijn de verplichtingen van dit lid uitsluitend van toepassing op personen die voor de toepassing van het Gemeenschapsrecht geacht worden hun onderdanen te zijn overeenkomstig Verklaring nr. 2 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie. Wat de ACS-staten betreft zijn de verplichtingen van dit lid uitsluitend van toepassing op personen die overeenkomstig het rechtsstelsel van het betrokken land geacht worden hun onderdanen te zijn.
  ii) Op verzoek van een partij wordt overleg geopend met de ACS-staten teneinde in goed vertrouwen en met inachtneming van de desbetreffende regels van het internationale recht overeenkomsten bilaterale overeenkomsten te sluiten inzake specifieke verplichtingen op het gebied van de overname en terugkeer van hun onderdanen. Indien een partij zulks noodzakelijk acht, bevatten dergelijke overeenkomsten tevens regelingen voor de overname van onderdanen van derde landen en van stateloze personen. In die regelingen wordt bepaald welke categorieën personen onder de regelingen vallen, alsmede op welke wijze de overname en de terugkeer dienen te geschieden.
  De ACS-staten wordt passende steun verleend ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze regelingen.
  iii) Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " partijen " verstaan : de Gemeenschap, elk van haar lidstaten en elke ACS-staat.

Paart 2. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 14 Gezamenlijke instellingen.
  De instellingen in het kader van deze Overeenkomst zijn de Raad van Ministers, het Comité van Ambassadeurs en de Paritaire Parlementaire Vergadering.

Artikel 15 De Raad van Ministers.
  1. De Raad van Ministers bestaat uit de leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en een lid van de regering van elke ACS-staat anderzijds.
  Het voorzitterschap van de Raad van Ministers wordt bij toerbeurt bekleed door een lid van de Raad van de Europese Unie en een lid van de regering van een ACS-staat.
  De Raad komt, op initiatief van de voorzitter, in de regel eenmaal per jaar bijeen, alsmede in alle gevallen wanneer zulks noodzakelijk wordt geacht, in een vorm en een geografische samenstelling die passend zijn voor de te bespreken vraagstukken.
  2. De Raad van Ministers heeft de volgende taken :
  a) hij voert de politieke dialoog;
  b) hij stelt beleidsrichtsnoeren vast en neemt de noodzakelijke besluiten voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de Overeenkomst, met name wat betreft ontwikkelingsstrategieën voor de specifieke gebieden die onder deze Overeenkomst vallen en alle andere relevante gebieden, alsmede wat betreft de procedures;
  c) hij onderzoekt en vindt een oplossing voor problemen die de effectieve en efficiënte tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst kunnen belemmeren of de verwezenlijking van de doelstellingen ervan kunnen verhinderen;
  d) hij ziet toe op de soepele werking van de overlegmechanismen.
  3. De Raad van Ministers neemt zijn besluiten bij overeenstemming tussen de partijen. De Raad van Ministers kan slechts geldig besluiten indien ten minste de helft van de leden van de Raad van de Europese Unie, één lid van de Commissie en twee derde van de leden die de regeringen van de ACS-staten vertegenwoordigen, aanwezig zijn. Ieder lid van de Raad van Ministers kan zich bij verhindering laten vertegenwoordigen. Het plaatsvervangend lid oefent alle rechten van het verhinderde lid uit.
  De Raad kan besluiten nemen die voor de partijen bindend zijn en resoluties, aanbevelingen en adviezen formuleren. Hij bestudeert resoluties en aanbevelingen van de Paritaire Parlementaire Vergadering en neemt die in overweging.
  De Raad van Ministers voert een permanente dialoog met de vertegenwoordigers van de sociale en economische partners en andere actoren van de civiele samenleving in de ACS en in de EU. Daartoe kan buiten de vergaderingen overleg worden gevoerd.
  4. De Raad van Ministers kan bevoegdheden delegeren aan het Comité van Ambassadeurs.
  5. De Raad van Ministers stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst zijn reglement van orde vast.

Artikel 16 Het Comité van Ambassadeurs.
  1. Het Comité van Ambassadeurs bestaat uit de Permanente Vertegenwoordigers van alle lidstaten bij de EU en een vertegenwoordiger van de Commissie enerzijds en het hoofd van de missie bij de EU van iedere ACS-staat anderzijds.
  Het voorzitterschap van het Comité van Ambassadeurs wordt bij toerbeurt bekleed door de Permanente Vertegenwoordiger van een door de Gemeenschap aangewezen lidstaat en het hoofd van een missie die een door de ACS-staten aangewezen ACS-staat vertegenwoordigt.
  2. Het Comité staat de Raad van Ministers bij in de vervulling van zijn taken en voert alle opdrachten uit waarmee het Comité door de Raad van Ministers is belast. In dit verband volgt het de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst en de vooruitgang die bij de verwezenlijking van de daarin omschreven doelstellingen wordt geboekt.
  Het Comité van Ambassadeurs komt regelmatig bijeen, met name om de zittingen van de Raad voor te bereiden, en bij elke andere noodzakelijk geachte gelegenheid.
  3. Het Comité stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst zijn reglement van orde vast.

Artikel 17 De Paritaire Parlementaire Vergadering.
  1. De Paritaire Parlementaire Vergadering bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de Europese Unie en vertegenwoordigers van de ACS-staten. De leden van de Paritaire Parlementaire Vergadering zijn enerzijds leden van het Europese Parlement en anderzijds Parlementsleden of, bij ontstentenis daarvan, andere vertegenwoordigers die door het parlement van iedere ACS-staat zijn aangewezen. Indien een ACS-staat geen parlement heeft, moet de deelneming van een vertegenwoordiger van die ACS-staat vooraf door de Paritaire Parlementaire Vergadering worden goedgekeurd.
  2. De taken van de Paritaire Parlementaire Vergadering als raadgevend lichaam zijn als volgt :
  bevordering van de democratische processen door middel van dialoog en overleg;
  bevordering van het wederzijds begrip tussen de volkeren van de Europese Unie en die van de ACS-staten en stimulering van de bekendheid met ontwikkelingsvraagstukken bij de bevolking;
  bespreking van vraagstukken met betrekking tot ontwikkeling en het partnerschap tussen ACS en EU;
  aanneming van resoluties en formulering van aanbevelingen aan de Raad van Ministers ter bevordering van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst.
  3. De Paritaire Parlementaire Vergadering komt twee maal per jaar in voltallige vergadering bijeen, bij toerbeurt in de Europese Unie en in een ACS-staat. Teneinde de regionale integratie te versterken en de samenwerking tussen de nationale parlementen te bevorderen, kunnen op regionaal en subregionaal niveau bijeenkomsten tussen parlementsleden van de EU en de ACS-staten worden gehouden.
  De Paritaire Parlementaire Vergadering onderhoudt regelmatige contacten met vertegenwoordigers van de economische en sociale partners en andere actoren van de civiele samenleving van de ACS en de EU, teneinde hun oordeel over de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst te vernemen.
  4. De Paritaire Parlementaire Vergadering stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst haar reglement van orde vast.

Paart 3. SAMENWERKINGSSTRATEGIEEN

Artikel 18 De samenwerkingsstrategieën worden gebaseerd op ontwikkelingsstrategieën en de economische en commerciële samenwerking; deze twee gebieden zijn onderling verbonden en vullen elkaar aan. De partijen zien erop toe dat de inspanningen op beide gebieden elkaar wederzijds versterken.

Titel 1. ONTWIKKELINGSSTRATEGIEEN

Hoofdstuk 1. ALGEMEEN KADER

Artikel 19 Principes en doelstellingen.
  1. De centrale doelstelling van de ACS-EG-samenwerking is bestrijding en uiteindelijk uitroeiing van armoede; duurzame ontwikkeling; en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie. In deze context worden samenwerkingskader en -richtlijnen afgestemd op de individuele omstandigheden in elke ACS-staat, en worden de lokale betrokkenheid bij de economische en sociale hervormingen en de integratie van de particuliere sector en actoren van de civiele samenleving in het ontwikkelingsproces bevorderd.
  2. Bij de samenwerking wordt uitgegaan van de conclusies van de conferenties van de Verenigde Naties en de op internationaal niveau overeengekomen doelstellingen, oogmerken en actieprogramma's, alsmede van de follow-up daarvan, als basis voor ontwikkelingsprincipes. Bij de samenwerking wordt mede uitgegaan van de doelstellingen van de internationale ontwikkelingssamenwerking; voorts wordt bijzondere aandacht geschonken aan de totstandbrenging van kwalitatieve en kwantitatieve voortgangsindicatoren.
  3. Regering en niet-overheidsactoren in elke ACS-staat nemen het initiatief tot overleg over de ontwikkelingsstrategieën van het land en de steun van de gemeenschap daarvoor.

Artikel 20 Benadering.
  1. De doelstellingen van de ACS-EG-ontwikkelingssamenwerking dienen te worden bereikt door middel van geïntegreerde strategieën waarvan de economische, maatschappelijke, culturele, institutionele en milieuelementen in de lokale gemeenschap geworteld zijn. De samenwerking vormt aldus een samenhangend kader op basis waarvan steun kan worden verleend ten behoeve van de eigen ontwikkelingsstrategieën van de ACS-staten, waarbij gezorgd dient te worden voor complementariteit en interactie tussen de verschillende elementen. In deze context, en binnen het kader van het ontwikkelingsbeleid en de hervormingen van de ACS-staten, zijn de ACS-EG-samenwerkingsstrategieën gericht op :
  a) de verwezenlijking van snelle en duurzame, werkgelegenheid creërende economische groei, de ontwikkeling van de particuliere sector, de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de toegang tot productieve economische activiteiten en hulpmiddelen, alsmede de stimulering van de regionale samenwerking en integratie;
  b) de bevordering van de menselijke en maatschappelijke ontwikkeling, waarbij erop wordt toegezien dat in de voordelen van de groei door allen gelijkelijk wordt gedeeld en de gelijkheid van vrouwen en mannen wordt gestimuleerd;
  c) de stimulering van de culturele waarden van gemeenschappen en specifieke interacties met economische, politieke en maatschappelijke elementen;
  d) de bevordering van de institutionele hervormingen en opbouw, de versterking van de instellingen die nodig zijn voor de consolidering van de democratie, goed bestuur en de totstandkoming van efficiënte en concurrerende markteconomieën; alsmede de opbouw van de capaciteit voor ontwikkeling en partnerschap; en
  e) de bevordering van de duurzaamheid en het herstel van het milieu, goede praktijken en het behoud van de natuurlijke hulpbronnen.
  2. Er dient systematisch op te worden toegezien dat de volgende thematische of algemene onderwerpen aan de orde worden gesteld op alle samenwerkingsgebieden : gendervraagstukken, milieuvraagstukken en institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw. Deze gebieden komen tevens in aanmerking voor steun van de Gemeenschap.
  3. De gedetailleerde teksten betreffende de doelstellingen en strategieën van de ontwikkelingssamenwerking, met name de sectorale beleidsvormen en strategieën, worden opgenomen in een compendium met operationele richtsnoeren voor specifieke samenwerkingsgebieden of -sectoren. Deze teksten kunnen worden herzien, gewijzigd en/of aangepast door de Raad van Ministers op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.

Hoofdstuk 2. GEBIEDEN WAAROP STEUN WORDT VERLEEND

Paart 1. ECONOMISCHE ONTWIKKELING

Artikel 21 Investeringen en ontwikkeling van de particuliere sector.
  1. In het kader van de samenwerking wordt steun verleend voor de noodzakelijke economische en institutionele hervormingen en beleidslijnen op nationaal en/of regionaal niveau, die gericht zijn op de totstandbrenging van een gunstig klimaat voor particuliere investeringen en de ontwikkeling van een dynamische, levensvatbare en concurrerende particuliere sector. Voorts wordt in het kader van de samenwerking steun verleend ten behoeve van :
  a) de bevordering van de dialoog en de samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector;
  b) de ontwikkeling van ondernemersvaardigheden en de bedrijfscultuur;
  c) privatisering en hervorming van ondernemingen; en
  d) ontwikkeling en modernisering van bemiddelings- en arbitragesystemen.
  2. Voorts wordt in het kader van de samenwerking steun verleend ter verbetering van de kwaliteit, beschikbaarheid en toegankelijkheid van financiële en niet-financiële diensten ten behoeve van particuliere ondernemingen, zowel formeel als informeel, door :
  a) katalysering en benutting van binnenlandse en buitenlandse particuliere spaartegoeden ten behoeve van de financiering van particuliere ondernemingen door de ondersteuning van beleid gericht op de ontwikkeling van een moderne financiële sector, inclusief kapitaalmarkt, financiële instellingen en duurzame microfinancieringstransacties;
  b) ontwikkeling en versterking van bedrijfsinstellingen en intermediaire organisaties, associaties, kamers van koophandel en lokale dienstverleners uit de particuliere sector die niet-financiële diensten ondersteunen en aanbieden aan ondernemingen, zoals professionele, technische, beheers-, opleidings- en commerciële ondersteuningsdiensten; en
  c) ondersteuning van instellingen, programma's, activiteiten en initiatieven die bijdragen tot de ontwikkeling en overdracht van technologieën, knowhow en goede praktijken met betrekking tot alle aspecten van de bedrijfsvoering.
  3. De samenwerking is gericht op de bevordering van de bedrijfsontwikkeling door de verlening van financiering, garantiefaciliteiten en technische ondersteuning gericht op de bevordering en ondersteuning van de oprichting, vestiging, uitbreiding, diversificatie, rehabilitatie, herstructurering, modernisering of privatisering van dynamische, levensvatbare en concurrerende ondernemingen in alle economische sectoren, alsmede van financiële tussenpersonen, zoals financieringsinstituten en venture-capitalinstellingen, en leasingbedrijven, door :
  a) de totstandbrenging en/of versterking van financiële instrumenten in de vorm van investeringskapitaal;
  b) de verbetering van de toegang tot essentiële input, zoals bedrijfsinformatie en advies- of technische bijstandsdiensten;
  c) de stimulering van de exportactiviteiten, met name door capaciteitsopbouw op alle met de handel verband houdende gebieden; en
  d) de bevordering van contacten, netwerken en samenwerking tussen bedrijven, met inbegrip van de overdracht van technologie en knowhow op nationaal, regionaal en ACS-EU-niveau, en partnerschappen met particuliere buitenlandse investeerders, voor zover die in overeenstemming zijn met de doelstellingen en richtlijnen van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking.
  4. In het kader van de samenwerking wordt steun verleend voor de ontwikkeling van micro-ondernemingen door de verbetering van de toegang tot financiële en niet-financiële diensten; een passend beleids- en regelgevingskader voor hun ontwikkeling; en de verschaffing van opleiding en informatiediensten over goede praktijken op het gebied van microfinanciering.
  5. De steun voor investeringen en ontwikkeling van de particuliere sector omvat acties en initiatieven op macro-, meso- en micro-economisch niveau.

Artikel 22 Macro-economische en structurele hervormingen en beleidslijnen.
  1. De samenwerking is gericht op de ondersteuning van de ACS-staten bij :
  a) de totstandbrenging van macro-economische groei en stabilisatie door middel van een streng fiscaal en monetair beleid, resulterend in de vermindering van de inflatie en de verbetering van het externe en fiscale evenwicht; de versterking van de fiscale discipline, de stimulering van de begrotingstransparantie en -efficiency en de verbetering van de kwaliteit, rechtvaardigheid en samenstelling van het fiscaal beleid; en
  b) de tenuitvoerlegging van structureel beleid dat erop is gericht de rol van de verschillende actoren, in het bijzonder van de particuliere sector, te versterken en een voor de groei van bedrijfsleven, investeringen en werkgelegenheid bevorderlijk klimaat te creëren;
  i) de liberalisering van de handels- en wisselkoersregimes en de convertibiliteit van de lopende rekening, daarbij rekening houdende met de specifieke omstandigheden van elk land;
  ii) de versterking van de hervormingen van de arbeids- en productenmarkt;
  iii) de stimulering van hervormingen van de financiële systemen, die bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van een levensvatbare bancaire en non-bancaire sector, kapitaalmarkten en financiële diensten, inclusief microfinanciering;
  iv) de verbetering van de kwaliteit van de particuliere en publieke diensten; en
  v) de bevordering van de regionale samenwerking en geleidelijke integratie van het macro-economisch en monetair beleid.
  2. Bij de ontwikkeling van macro-economisch beleid en structurele aanpassingsprogramma's dient rekening te worden gehouden met de sociaal-politieke achtergrond en institutionele capaciteit van de betrokken staten; dit beleid en deze programma's dienen een positief effect te hebben op de armoedebestrijding en de toegang tot de sociale dienstverlening, en zijn gebaseerd op de volgende principes :
  a) de ACS-staten zijn als eerste verantwoordelijk voor het analyseren van de op te lossen problemen en het opstellen en ten uitvoer leggen van de hervormingen;
  b) steunprogramma's moeten worden afgestemd op de bijzondere situatie van elke ACS-staat; in deze programma's moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke omstandigheden, de cultuur en het milieu van deze staten;
  c) het recht van de ACS-staten om de koers van hun ontwikkelingsstrategieën en -prioriteiten te bepalen, wordt erkend en geëerbiedigd;
  d) het tempo van de hervormingen moet realistisch zijn en verenigbaar met de capaciteiten en hulpbronnen van elke ACS-staat; en
  e) de bevolking moet beter worden voorgelicht over de economische en maatschappelijke hervormingen en beleidslijnen.

Artikel 23 Economische sectorale ontwikkeling.
  In het kader van de samenwerking dient steun te worden verleend voor duurzame beleidslijnen en institutionele hervormingen en voor de nodige investeringen voor een gelijke toegang tot economische activiteiten en productiemiddelen, in het bijzonder :
  a) de ontwikkeling van opleidingssystemen die bijdragen tot de verhoging van de productiviteit in de formele en informele sector;
  b) kapitaal, krediet, grond, met name wat eigendomsrechten en gebruik betreft;
  c) de ontwikkeling van plattelandsstrategieën gericht op de totstandkoming van een kader voor participatieve gedecentraliseerde planning, toewijzing en beheer van hulpbronnen;
  d) landbouwproductiestrategieën, nationaal en regionaal beleid op het gebied van voedselzekerheid, duurzame ontwikkeling van watervoorraden, visbestanden en mariene hulpbronnen binnen de exclusieve economische zone van de ACS-staten. In een eventueel via onderhandelingen tot stand te komen visserijovereenkomst tussen de Gemeenschap en de ACS-staten dient rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsstrategieën op dit gebied;
  e) economische en technologische infrastructuur en diensten, inclusief vervoer, telecommunicatiesystemen, communicatiediensten en ontwikkeling van de informatiemaatschappij;
  f) ontwikkeling van een concurrerende industrie-, mijnbouw- en energiesector, inclusief stimulering van de betrokkenheid en ontwikkeling van de particuliere sector;
  g) ontwikkeling van de handel, inclusief de bevordering van eerlijke handel;
  h) ontwikkeling van het bedrijfsleven, de financiële sector en het bankwezen; en andere dienstensectoren;
  i) ontwikkeling van het toerisme; en
  j) ontwikkeling van infrastructuur en diensten ten behoeve van wetenschap, technologie en onderzoek; inclusief stimulering, overdracht en toepassing van nieuwe technologieën;
  k) versterking van de capaciteit in productieve sectoren, met name in de publieke en particuliere sector.

Artikel 24 Toerisme. De samenwerking is gericht op de duurzame ontwikkeling van de toeristenindustrie in de ACS-staten en -subregio's, waarbij het toenemende belang van deze sector voor de groei van de dienstensector in de ACS-staten en de toename van de internationale handel erkend wordt, alsmede het vermogen van de toeristenindustrie om andere sectoren van de economie te stimuleren en de rol die deze sector kan spelen bij de uitroeiing van armoede.
  In het kader van de samenwerkingsprogramma's en -projecten worden de inspanningen van de ACS-staten ondersteund die gericht zijn op de totstandbrenging en verbetering van het juridische en institutionele kader en de hulpbronnen voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van duurzame beleidslijnen en programma's op het gebied van toerisme, alsmede, onder andere, de verbetering van de concurrentiepositie van deze sector, met name van het MKB, de ondersteuning en bevordering van investeringen, productontwikkeling, inclusief de ontwikkeling van de inheemse culturen in de ACS-staten, en versterking van de onderlinge banden tussen het toerisme en andere sectoren van de economie.

Paart 2. SOCIALE EN HUMANE ONTWIKKELING

Artikel 25 Sociale sectorale ontwikkeling.
  1. In het kader van de samenwerking wordt steun verleend voor de inspanningen van de ACS-staten op het gebied van de ontwikkeling van algemene en sectorale beleidslijnen en hervormingen ter verbetering van de verspreiding en kwaliteit van, alsmede de toegang tot de sociale basisinfrastructuur en -diensten, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale behoeften en specifieke eisen van de kwetsbaarste en minst bevoorrechte bevolkingsgroepen, teneinde de ongelijkheid wat betreft de toegang tot deze diensten te verminderen. Daarbij dient er in het bijzonder op te worden toegezien dat de overheidsuitgaven voor de sociale sectoren toereikend zijn. In deze context is de samenwerking gericht op :
  a) de verbetering van onderwijs en opleiding en de opbouw van technische capaciteit en vaardigheden;
  b) de verbetering van de stelsels voor gezondheidszorg en voeding, de bestrijding van honger en ondervoeding, het toezien op de voedselvoorziening en de voedselzekerheid;
  c) de integratie van bevolkingsvraagstukken in de ontwikkelingsstrategieën, ter verbetering van de reproductieve gezondheidszorg, de eerstelijnsgezondheidszorg en de gezinsplanning; het voorkomen van verminking van de genitaliën bij vrouwen;
  d) de bevordering van de bestrijding van hiv/aids;
  e) de bevordering van de beschikbaarheid van drinkwater en de verbetering van de toegang tot veilig water en voldoende gezondheidszorg;
  f) de verbetering van de beschikbaarheid van betaalbare en passende huisvesting voor alle bevolkingsgroepen door ondersteuning van goedkope, op de lagere-inkomensgroepen afgestemde huisvestingsprogramma's, alsmede verbetering van de stadsontwikkeling; en
  g) de bevordering van participatieve methoden van sociale dialoog en de eerbiediging van de sociale basisrechten.
  2. In het kader van de samenwerking wordt voorts steun verleend voor capaciteitsopbouw op sociale gebieden, bijvoorbeeld ten behoeve van opleidingsprogramma's voor de ontwikkeling van sociaal beleid of met betrekking tot moderne beheersmethoden voor sociale projecten en programma's; beleid dat bevorderlijk is voor technologische innovatie en onderzoek; de opbouw van lokale knowhow en de bevordering van partnerschap; en de organisatie van rondetafelgesprekken op nationaal en/of regionaal niveau.
  3. In het kader van de samenwerking wordt de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleidslijnen en systemen voor sociale bescherming en veiligheid bevorderd en ondersteund, ter stimulering van de sociale cohesie en de bevordering van zelfhulp en solidariteit binnen de gemeenschap. De steun wordt onder andere geconcentreerd op de ontwikkeling van initiatieven gebaseerd op economische solidariteit, met name door het opzetten van sociale ontwikkelingsfondsen die zijn afgestemd op de lokale behoeften en actoren.

Artikel 26 Jeugdzaken.
  In het kader van de samenwerking dient voorts steun te worden verleend voor de totstandbrenging van een samenhangend en omvattend beleid ter verwezenlijking van het potentieel van de jeugd met het doel deze beter te integreren in de samenleving en haar in staat te stellen zich volledig te ontplooien. In deze context wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor beleidslijnen, maatregelen en activiteiten gericht op :
  a) de bescherming van de rechten van het kind en de jeugd, in het bijzonder van meisjes;
  b) de bevordering van de vaardigheden, de energie, het streven naar innovatie en het potentieel van de jeugd, ter stimulering van de kansen van de jeugd op economisch, maatschappelijk en cultureel gebied en ter verbetering van de werkgelegenheidsvooruitzichten van de jeugd in de productieve sector;
  c) de ondersteuning van instellingen binnen de lokale gemeenschap die kinderen de kans geven zich fysiek, psychologisch, maatschappelijk en economisch te ontplooien; en
  d) de herintegratie in de maatschappij van kinderen in postconflictsituaties door middel van rehabilitatieprogramma's.

Artikel 27 Culturele ontwikkeling.
  De samenwerking op cultureel gebied is gericht op :
  a) de integratie van de culturele dimensie op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking;
  b) de erkenning, het behoud en de bevordering van culturele waarden en identiteiten, teneinde een interculturele dialoog mogelijk te maken;
  c) de erkenning, het behoud en de bevordering van de waarde van cultureel erfgoed; de ondersteuning van de ontwikkeling van de capaciteit in deze sector; en
  d) de ontwikkeling van de culturele sector en de verbetering van de markttoegang voor culturele goederen en diensten.

Paart 3. REGIONALE SAMENWERKING EN INTEGRATIE

Artikel 28 Algemene benadering.
  In het kader van de samenwerking wordt effectieve bijstand verleend ter verwezenlijking van de doelstellingen en prioriteiten van de ACS-staten in de context van de regionale en subregionale samenwerking en integratie, met inbegrip van de interregionale samenwerking en de samenwerking tussen de ACS-staten onderling. De regionale samenwerking kan ook betrekking hebben op de samenwerking tussen de landen en gebieden overzee en de ultraperifere regio's. In deze context is de steunverlening in het kader van de samenwerking gericht op :
  a) de bevordering van de geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie;
  b) de bevordering van de economische samenwerking en ontwikkeling van de regio's van de ACS-staten en tussen deze regio's onderling;
  c) de bevordering van het vrij verkeer van personen, goederen, diensten, kapitaal, werknemers en technologie tussen ACS-staten;
  d) de bevordering van de diversificatie van de economieën der ACS-staten; alsmede de coördinatie en harmonisatie van het regionale en subregionale samenwerkingsbeleid; en
  e) de bevordering en uitbreiding van de handel in de ACS-staten en tussen de ACS-staten onderling, alsmede met derde landen.

Artikel 29 Regionale economische integratie.
  De samenwerking op het gebied van de regionale economische integratie is gericht op :
  a) de ontwikkeling en versterking van de capaciteiten van :
  i) de instellingen en organisaties voor regionale integratie die door de ACS-staten zijn opgericht ter bevordering van de regionale samenwerking en integratie, en
  ii) de nationale regeringen en parlementen met betrekking tot vraagstukken op het gebied van regionale integratie;
  b) de bevordering van de betrokkenheid van de minst ontwikkelde ACS-staten bij de totstandbrenging van regionale markten en het delen in de voordelen daarvan;
  c) de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van sectorale hervorming op regionaal niveau;
  d) de liberalisering van handel en betalingen;
  e) de stimulering van binnenlandse en buitenlandse grensoverschrijdende investeringen en andere initiatieven voor regionale of subregionale economische integratie; en
  f) de inachtneming van de gevolgen van de netto-overgangskosten van de regionale integratie in de begrotingsmiddelen en op de betalingsbalans.

Artikel 30 Regionale samenwerking.
  1. De regionale samenwerking is gericht op de verlening van steun op uiteenlopende functionele en thematische gebieden, met het doel gemeenschappelijke problemen aan te pakken en optimaal gebruik te maken van de voordelen van schaalvergroting, inclusief :
  a) infrastructuur, met name vervoer en communicatie, veiligheid daarvan en diensten, met inbegrip van de ontwikkeling van regionale kansen op het gebied van de informatie- en communicatietechnologieën;
  b) milieu; waterbeheer en energie;
  c) gezondheidszorg, onderwijs en opleiding;
  d) onderzoek en technologische ontwikkeling;
  e) regionale initiatieven voor de voorbereiding op rampen en de leniging van de gevolgen daarvan; en
  f) andere gebieden, bijvoorbeeld wapenbeheersing, bestrijding van drugs, georganiseerde misdaad, witwassen van geld, omkoping en corruptie.
  2. De samenwerking heeft tevens betrekking op de verlening van steun voor samenwerkingsregelingen en -initiatieven in de ACS-staten en tussen de ACS-staten onderling.
  3. De samenwerking kan bijdragen tot de bevordering en ontwikkeling van de regionale politieke dialoog op gebieden als conflictpreventie en -oplossing; mensenrechten en democratisering; uitwisseling, netwerkvorming en bevordering van de mobiliteit van de verschillende actoren van de ontwikkeling, met name de civiele samenleving.

Paart 4. THEMATISCHE EN ALGEMENE VRAAGSTUKKEN

Artikel 31 Gendervraagstukken.
  De samenwerking draagt bij tot de versterking van beleidslijnen en programma's die de gelijkwaardige deelname van mannen en vrouwen aan alle aspecten van het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven beogen te verbeteren, te garanderen en te verruimen. De samenwerking draagt bij tot de verbetering van de toegang van vrouwen tot alle nodige hulpbronnen voor de volwaardige uitoefening van hun fundamentele rechten. In het kader van de samenwerking wordt met name een passend kader gecreëerd voor :
  a) de integratie van gendervraagstukken en een genderbewuste benadering op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking, inclusief macro-economische beleidslijnen, strategieën en maatregelen; en
  b) de bevordering van de goedkeuring van specifieke positieve maatregelen ten gunste van vrouwen, zoals :
  i) de bevordering van hun deelname aan de nationale en lokale politiek;
  ii) de ondersteuning van vrouwenorganisaties;
  iii) de toegang tot sociale basisdiensten, met name onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en gezinsplanning;
  iv) de toegang tot productiemiddelen, met name grond, krediet en arbeidsmarkt; en
  v) de specifieke inachtneming van vrouwen bij verlening van noodhulp en rehabilitatiemaatregelen.

Artikel 32 Milieu en natuurlijke hulpbronnen.
  1. De samenwerking op het gebied van milieubescherming en duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen is gericht op :
  a) de integratie van het beginsel van duurzaam milieubeheer in alle aspecten van de ontwikkelingssamenwerking en de ondersteuning van de door de verschillende actoren ten uitvoer gelegde programma's en projecten;
  b) de opbouw en/of versterking van de wetenschappelijke en technische, menselijke en institutionele capaciteit van alle actoren die een rol spelen op het gebied van de milieubescherming;
  c) de ondersteuning van specifieke maatregelen en regelingen voor de aanpak van kritieke vraagstukken op het gebied van duurzaam milieubeheer en in verband met de huidige en toekomstige, regionale en internationale verplichtingen inzake delfstoffen en natuurlijke hulpbronnen, met name betreffende :
  i) tropische bossen, watervoorraden, hulpbronnen van kustgebieden, mariene hulpbronnen en visbestanden, flora en fauna, bodem, biodiversiteit;
  ii) bescherming van fragiele ecosystemen (bijvoorbeeld koraalrif) ;
  iii) hernieuwbare energiebronnen, met name zonne-energie en energie-efficiency;
  iv) duurzame plattelands- en stadsontwikkeling;
  v) woestijnvorming, droogte en ontbossing;
  vi) ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor stedelijke milieuproblemen; en
  vii) bevordering van duurzaam toerisme;
  d) de inachtneming van vraagstukken met betrekking tot vervoer en verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen.
  2. In het kader van de samenwerking dient tevens rekening te worden gehouden met :
  a) de kwetsbaarheid van kleine insulaire ACS-staten, in het bijzonder gezien de dreiging van klimaatverandering;
  b) de verslechtering van de problemen op het gebied van droogte en woestijnvorming van de minst ontwikkelde en niet aan zee grenzende ACS-staten; en
  c) institutionele opbouw en capaciteitsopbouw.

Artikel 33 Institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw.
  1. In het kader van de samenwerking wordt systematisch aandacht besteed aan institutionele aspecten; in deze context wordt steun verleend ten behoeve van de inspanningen van de ACS-staten met het oog op de ontwikkeling en versterking van de structuren, instellingen en procedures die bijdragen tot :
  a) de bevordering en ondersteuning van de democratie, de menselijke waardigheid, sociale rechtvaardigheid en pluralisme, rekening houdende met de diversiteit binnen de samenlevingen en tussen de samenlevingen onderling;
  b) de bevordering en ondersteuning van de universele en volledige eerbiediging, inachtneming en bescherming van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden;
  c) de ontwikkeling en versterking van de rechtsstaat; de verbetering van de toegang tot het rechtsapparaat, daarbij de vakkundigheid en onafhankelijkheid van de rechtsstelsels waarborgend; en
  d) het garanderen van transparant en verantwoordelijk bestuur en beheer in alle overheidsinstellingen.
  2. De partijen werken samen bij de bestrijding van omkoping en corruptie op alle niveaus binnen hun samenlevingen.
  3. In het kader van de samenwerking worden de inspanningen van de ACS-staten ondersteund om hun overheidsinstellingen te ontwikkelen tot een positieve factor voor groei en ontwikkeling, en de efficiency en impact van de overheidsdiensten op het leven van de burgers aanmerkelijk te verbeteren. In deze context wordt in het kader van de samenwerking bijstand verleend bij de hervorming, rationalisering en modernisering van de overheidssector. Meer bepaald is de steun in het kader van de samenwerking gericht op :
  a) de hervorming en modernisering van het ambtenarenapparaat;
  b) juridische en justitiële hervormingen en de modernisering van de rechtsstelsels;
  c) de verbetering en versterking van het beheer van de overheidsfinanciën;
  d) het in een hoger tempo doorvoeren van de hervormingen van de bancaire en financiële sector;
  e) de verbetering van het beheer van de overheidsmiddelen en de hervorming van de procedures voor overheidsopdrachten; en
  f) politieke, administratieve, economische en financiële decentralisering.
  4. Voorts wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor het herstel en/of de verbetering van de kritische capaciteit van de overheidssector en de ondersteuning van de instellingen die nodig zijn in een markteconomie.
  a) de ontwikkeling van de bekwaamheden op het gebied van wet- en regelgeving die nodig zijn voor het goed functioneren van een markteconomie, inclusief mededingingsbeleid en consumentenbeleid;
  b) de verbetering van de capaciteit om beleid, vooral op economisch, sociaal of milieugebied of op het gebied van onderzoek, wetenschap, technologie en innovatie te analyseren, te plannen, te formuleren en ten uitvoer te leggen;
  c) de modernisering, versterking en hervorming van de financiële en monetaire instellingen en de verbetering van de desbetreffende procedures;
  d) de opbouw, op lokaal en gemeentelijk niveau, van de capaciteit die nodig is voor de tenuitvoerlegging van het decentraliseringsbeleid en de bevordering van de betrokkenheid van de bevolking bij het ontwikkelingsproces; en
  e) de ontwikkeling van de capaciteit op andere kritieke gebieden, zoals :
  i) internationale onderhandelingen; en
  ii) beheer en coördinatie van externe hulp.
  5. De samenwerking omvat alle gebieden en sectoren en is gericht op de bevordering van de betrokkenheid daarbij van niet-overheidsactoren en de ontwikkeling van hun capaciteiten; alsmede op de versterking van de structuren voor informatie, dialoog en overleg tussen deze actoren en de nationale overheden, onder andere op regionaal niveau.

Titel 2. ECONOMISCHE EN COMMERCIELE SAMENWERKING

Hoofdstuk 1. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 34 Doelstellingen.
  1. De economische en commerciële samenwerking heeft ten doel de soepele en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie te bevorderen, met inachtneming van hun politieke keuzen en ontwikkelingsprioriteiten, zodat hun duurzame ontwikkeling wordt gestimuleerd en wordt bijgedragen aan het een einde maken aan de armoede in de ACS-landen.
  2. Het uiteindelijk doel van economische en commerciële samenwerking is de ACS-staten in staat te stellen ten volle aan de internationale handel deel te nemen. In deze context wordt bijzondere aandacht besteed aan de noodzaak dat de ACS-staten actief aan de multilaterale handelsbesprekingen deelnemen. Gezien het huidige ontwikkelingsniveau van de ACS-landen moet de economische en commerciële samenwerking worden gericht op het de ACS-staten in staat stellen de uitdagingen van globalisering aan te kunnen en zich geleidelijk aan te passen aan de nieuwe voorwaarden van de internationale handel, zodat hun overgang naar de geliberaliseerde wereldeconomie wordt vergemakkelijkt.
  3. Daartoe is de economische en commerciële samenwerking gericht op verhoging van de productie-, leverings- en handelscapaciteit van de ACS-landen en hun capaciteit om investeringen aan te trekken. Voorts is zij gericht op de totstandbrenging van een nieuwe handelsdynamiek tussen de partijen, versterking van het handels- en investeringsbeleid van de ACS-landen en verbetering van het vermogen van deze landen om alle met de handel verband houdende zaken af te handelen.
  4. De economische en commerciële samenwerking wordt in volledige overeenstemming met de WTO-bepalingen, inclusief die met betrekking tot bijzondere en aan de omstandigheden aangepaste behandeling, uitgevoerd met inachtneming van de wederzijdse belangen van de partijen en hun respectieve ontwikkelingsniveaus.

Artikel 35 Beginselen.
  1. De economische en commerciële samenwerking is gebaseerd op een waarlijk, versterkt en strategisch partnerschap. Zij is voorts gebaseerd op een integrale aanpak, die voortbouwt op de sterke punten en het succes van de voorgaande ACS-EG-Overeenkomsten, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle beschikbare middelen ter verwezenlijking van bovenstaande doelstellingen via het aanpakken van de knelpunten aan de vraag- en de aanbodzijde. In dit verband wordt bijzondere aandacht geschonken aan maatregelen ter ontwikkeling van de handel als middel om het concurrentievermogen van de ACS-staten te verhogen. Derhalve wordt passende aandacht geschonken aan ontwikkeling van de handel in de ontwikkelingsstrategieën van de ACS-staten, die door de Gemeenschap worden gesteund.
  2. De economische en commerciële samenwerking bouwt voort op regionale integratie-initiatieven van de ACS-staten, indachtig het feit dat regionale integratie een essentieel instrument is om de ACS-landen in de wereldeconomie te integreren.
  3. De economische en commerciële samenwerking houdt rekening met de verschillende ontwikkelingsbehoeften en -niveaus van de ACS-landen en -regio's. In deze context herbevestigen de partijen hun gehechtheid aan een bijzondere en aan de omstandigheden aangepaste behandeling voor alle ACS-landen en handhaving van de bijzondere behandeling van de minst ontwikkelde ACS-landen en aan het naar behoren rekening houden met de kwetsbaarheid van kleine, niet aan zee grenzende en insulaire landen.

Hoofdstuk 2. NIEUWE HANDELSREGELINGEN

Artikel 36 Modaliteiten.
  1. Met het oog op bovenstaande doelstellingen en beginselen komen de partijen overeen nieuwe met de WTO verenigbare handelsregelingen te treffen die de tussen hen bestaande handelsbelemmeringen geleidelijk opheffen en de samenwerking op alle voor de handel van belang zijnde terreinen verhogen.
  2. De partijen komen overeen de nieuwe handelsregelingen geleidelijk in te voeren en zien derhalve de noodzaak van een voorbereidingsperiode in.
  3. Teneinde de overgang naar de nieuwe handelsregelingen te vergemakkelijken, blijven de krachtens de Vierde ACS-EG-Overeenkomst toegepaste niet-wederkerige handelspreferenties tijdens de voorbereidingsperiode voor alle ACS-landen onder de in bijlage V bij deze Overeenkomst vastgestelde voorwaarden gehandhaafd.
  4. In deze context herbevestigen de partijen het belang van de aan bijlage V van deze Overeenkomst gehechte protocollen inzake grondstoffen. Zij zijn het eens over de noodzaak deze in het kader van de nieuwe handelsregelingen te herzien, met name op het punt van hun verenigbaarheid met de WTO-regels met het oog op het veiligstellen van de hieruit voortvloeiende voordelen, met inachtneming van de bijzondere juridische status van het protocol inzake suiker.

Artikel 37 Procedures.
  1. Er wordt in de voorbereidingsperiode, die uiterlijk op 31 december 2007 afloopt, onderhandeld over economische partnerschapsovereenkomsten. De formele onderhandelingen over de nieuwe handelsregelingen gaan in september 2002 van start en de nieuwe handelsregelingen treden op 1 januari 2008 in werking, tenzij de partijen het eens worden over eerdere data.
  2. Alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat de onderhandelingen binnen de voorbereidingsperiode met succes worden afgerond, worden getroffen. Daartoe wordt de periode tot de aanvang van de formele onderhandelingen over de nieuwe handelsregelingen actief gebruikt om eerste voorbereidingen voor deze onderhandelingen te treffen.
  3. De voorbereidingsperiode wordt eveneens gebruikt voor capaciteitsopbouw in de openbare en de particuliere sector van de ACS-landen, inclusief door het treffen van maatregelen ter verhoging van het concurrentievermogen, voor versterking van regionale organisaties en voor ondersteuning van regionale initiatieven ter integratie van de handel, waarbij zo nodig bijstand voor begrotingsaanpassing en fiscale hervormingen wordt verstrekt, alsmede voor verbetering van de infrastructuur en ontwikkeling en bevordering van investeringen.
  4. De partijen zullen de voortgang geboekt met de voorbereidingen en onderhandelingen regelmatig bezien en zullen in 2006 een formele en volledige toetsing van de geplande regelingen voor alle landen verrichten om er zich van te verzekeren dat er geen verdere tijd voor voorbereidingen of onderhandelingen nodig is.
  5. Er zullen onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten worden gevoerd met de ACS-landen die zich daartoe in staat achten op een door hen geschikt geacht niveau en in overeenstemming met de door de ACS-groep overeengekomen procedures, met inachtneming van het regionale integratieproces tussen de ACS-staten.
  6. In 2004 zal de Gemeenschap de situatie beoordelen van de landen niet behorende tot de groep van minst ontwikkelde landen die na overleg met de Gemeenschap besluiten dat zij niet in staat zijn om economische partnerschapsovereenkomsten aan te gaan, en zal zij alle alternatieve mogelijkheden bezien om deze landen een nieuw handelskader te bieden dat gelijkwaardig is aan hun huidige situatie en in overeenstemming met de WTO-regels.
  7. De onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten beogen met name vaststelling van het tijdschema voor de geleidelijke opheffing van handelsbelemmeringen tussen de partijen in overeenstemming met de desbetreffende WTO-regels. Aan Gemeenschapszijde bouwt de handelsliberalisatie voort op het acquis en heeft zij de verbetering van de huidige markttoegang voor de ACS-landen ten doel via onder meer een herziening van de regels van oorsprong. In de onderhandelingen wordt rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau van, en de sociaal-economische gevolgen van handelsmaatregelen voor de ACS-landen en hun aanpassingsvermogen en vermogen hun economieën aan het liberalisatieproces aan te passen. Bij de onderhandelingen zal derhalve zo groot mogelijke soepelheid worden betracht bij de vaststelling van een voldoende lange overgangsperiode, de definitieve lijst van in aanmerking komende producten, met inachtneming van de gevoelige sectoren, en de mate van asymmetrie wat betreft de tijdschema's voor tariefafbraak, waarbij de op dat moment geldende WTO-regels in acht worden genomen.
  8. De partijen werken nauw in de WTO samen met het oog op de verdediging van de getroffen regelingen, met name op het punt van de mate van soepelheid.
  9. De Gemeenschap zal in het jaar 2000 een proces op gang brengen dat aan het einde van de multilaterale handelsbesprekingen en uiterlijk in 2005 toegang vrij van douanerechten voor vrijwel alle producten uit alle minst ontwikkelde landen zal toestaan voortbouwende op het niveau van de bestaande handelsbepalingen van de Vierde ACS-EG-Overeenkomst, en dat de voor de export van deze landen geldende oorsprongregels, inclusief cumulatiebepalingen, zal vereenvoudigen en herzien

Artikel 38 Gemengd Ministerieel Handelscomité.
  1. Er wordt een Gemengd Ministerieel Handelscomité ACS-EG opgericht.
  2. Het Ministerieel Handelscomité besteedt bijzondere aandacht aan de lopende multilaterale handelsbesprekingen en bestudeert de gevolgen van de ruimere liberalisatieinitiatieven voor de ACS-EG-handel en de ontwikkeling van de ACS-economieën. Het doet alle aanbevelingen die nodig zijn om de voordelen van de ACS-EG-handelsregelingen te beschermen.
  3. Het Ministeriële Handelscomité komt tenminste eenmaal per jaar bijeen. Zijn reglement van orde wordt door de Raad van Ministers vastgesteld. Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de ACS-staten en de Gemeenschap.

Hoofdstuk 3. SAMENWERKING IN DE INTERNATIONALE FORA

Artikel 39 Algemene bepalingen.
  1. De partijen onderstrepen het belang van hun actieve deelneming in de Wereldhandelsorganisatie en in andere relevante internationale organisaties door lid van deze organisaties te worden en hun agenda en activiteiten van nabij te volgen.
  2. Zij komen overeen nauw samen te werken bij het vaststellen en bevorderen van hun gemeenschappelijke belangen bij internationale economische en commerciële samenwerking, met name in de WTO, onder meer door deelneming aan de opstelling en afhandeling van de agenda van toekomstige multilaterale handelsbesprekingen. In deze context wordt bijzondere aandacht besteed aan verbetering van de toegang tot de Gemeenschap en andere markten voor producten en diensten van oorsprong uit de ACS-landen.
  3. Zij zijn het eveneens eens over het belang van soepelheid van de WTO-regels zodat rekening kan worden gehouden met het ontwikkelingsniveau van de ACS-landen en hun moeilijkheden om aan hun verplichtingen te voldoen. Zij zijn het voorts eens over de noodzaak van technische bijstand om de ACS-landen in staat te stellen hun verbintenissen na te komen.
  4. De Gemeenschap stemt ermee in om de ACS-staten, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, te helpen actief lid van deze organisaties te worden door ontwikkeling van het vermogen dat nodig is om de betrokken overeenkomsten te sluiten, hieraan effectief deel te nemen, deze te volgen en uit te voeren.

Artikel 40 Grondstoffen.
  1. De partijen erkennen de noodzaak te zorgen voor een betere functionering van de internationale grondstoffenmarkten en verhoging van de doorzichtigheid van deze markten.
  2. Zij bevestigen hun bereidheid tot uitbreiding van het onderling overleg in de internationale fora en organisaties die zich met grondstoffen bezighouden.
  3. Daartoe vinden op verzoek van een partij gedachtewisselingen plaats :
  over de functionering van de bestaande internationale overeenkomsten of gespecialiseerde intergouvernementele werkgroepen met het doel deze te verbeteren en doelmatiger en meer in overeenstemming met de marktontwikkelingen te maken;
  wanneer wordt voorgesteld om een internationale overeenkomst te sluiten of te verlengen of een gespecialiseerde intergouvernementele werkgroep op te richten.
  Dergelijke gedachtewisselingen hebben ten doel rekening te houden met de respectieve belangen van elke partij. Zij kunnen, zo nodig, in het kader van het Ministeriële Handelscomité plaatsvinden.

Hoofdstuk 4. DE HANDEL IN DIENSTEN

Artikel 41 Algemene bepalingen.
  1. De partijen onderstrepen het toenemend belang van diensten in het internationale handelsverkeer en de grote bijdrage die deze leveren aan de economische en sociale ontwikkeling.
  2. Zij herbevestigen hun respectieve verbintenissen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) en onderstrepen de noodzaak van bijzondere en aan de omstandigheden aangepaste behandeling voor ACS-dienstverleners.
  3. In het kader van de onderhandelingen inzake de geleidelijke liberalisatie van de handel in diensten, zoals voorzien in artikel XIX van de GATS, zegt de Gemeenschap toe de prioriteiten van de ACS-staten ten aanzien van verbetering van de EG-lijst welwillend in overweging te zullen nemen ten einde aan hun specifieke belangen tegemoet te komen.
  4. Voorts stemmen de partijen er in het kader van de economische partnerschapsovereenkomsten en na enige ervaring te hebben opgedaan met de toepassing van de meestbegunstigingsclausule in het kader van de GATS mee in om hun partnerschap uit te breiden tot de liberalisatie van diensten in overeenstemming met de bepalingen van de GATS, en met name die betrekking hebbende op de deelneming van ontwikkelingslanden in liberalisatieovereenkomsten.
  5. De Gemeenschap steunt de inspanningen van de ACS-staten ter versterking van hun dienstverleningscapaciteit. Bijzondere aandacht wordt besteed aan diensten op het gebied van arbeidskrachten, bedrijven, distributie, financiën, toerisme, cultuur en de bouw en de daarmee verbandhoudende technische diensten met het oog op verhoging van het concurrentievermogen van deze landen zodat de handel in goederen en diensten van deze landen in waarde en omvang toeneemt.

Artikel 42 Zeevervoer.
  1. De partijen erkennen het belang van kosteneffectieve en efficiënte zeevervoerdiensten in een veilig en schoon marien milieu, aangezien deze vervoertak bij uitstek de internationale handel bevordert en aldus een van de drijvende krachten van economische ontwikkeling en de ontwikkeling van de handel is.
  2. Zij verbinden zich tot bevordering van de liberalisatie van het zeevervoer en passen daartoe op effectieve wijze het beginsel van onbeperkte toegang op niet-discriminerende en commerciële basis tot de internationale zeevervoermarkt.
  3. Elke partij kent onder meer een behandeling toe die niet minder gunstig is dan de aan de eigen schepen toegekende voor door onderdanen of bedrijven van de andere partij geëxploiteerde schepen en voor op het grondgebied van een van beide partijen geregistreerde schepen ten aanzien van de toegang tot havens, het gebruik van de infrastructuur en hulpdiensten van deze havens alsmede daarmee verband houdende vergoedingen en kosten, douane-installaties en de toewijzing van ligplaatsen en voorzieningen voor laden en lossen.
  4. De Gemeenschap steunt de inspanningen van de ACS-staten om kosteneffectieve en efficiënte zeevervoerdiensten in de ACS-staten te ontwikkelen en te bevorderen met het oog op verhoging van de deelneming van ACS-ondernemers in internationale scheepvaartdiensten.

Artikel 43 Informatie- en communicatietechnologieën en informatiemaatschappij.
  1. De partijen erkennen de belangrijke rol die de informatie- en communicatietechnologieën en de actieve deelneming aan de informatiemaatschappij spelen voor de geslaagde integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.
  2. Zij herbevestigen derhalve hun respectieve verbintenissen in het kader van bestaande multilaterale overeenkomsten, met name het aan de GATS gehechte protocol inzake basistelecommunicatie en verzoeken de ACS-landen die nog geen partij bij deze overeenkomsten zijn om hiertoe toe te treden.
  3. Voorts stemmen zij in met volledige en actieve deelneming aan eventuele op dit terrein te voeren internationale onderhandelingen.
  4. De partijen zullen derhalve maatregelen treffen die de inwoners van de ACS-landen gemakkelijke toegang tot de informatie- en communicatietechnologieën zullen bieden via onder meer de volgende maatregelen :
  de ontwikkeling en aanmoediging van het gebruik van betaalbare en hernieuwbare energiebronnen;
  de ontwikkeling en aanleg van uitgebreidere goedkope draadloze communicatienetwerken.
  5. De partijen stemmen eveneens in met verhoging van de onderlinge samenwerking op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën en de informatiemaatschappij. Deze samenwerking is met name gericht op grotere complementariteit en harmonisatie van de communicatiesystemen op nationaal, regionaal en internationaal niveau en hun aanpassing aan de nieuwe technologieën.

Hoofdstuk 5. MET DE HANDEL VERBAND HOUDENDE TERREINEN

Artikel 44 Algemene bepalingen.
  1. De partijen erkennen het toenemend belang dat nieuwe met de handel verband houdende terreinen spelen bij het vergemakkelijken van de geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie. Zij stemmen er derhalve mee in om hun samenwerking op deze terreinen te versterken door volledige en gecoördineerde deelneming in de desbetreffende internationale fora en overeenkomsten.
  2. De Gemeenschap steunt de inspanningen van de ACS-staten, in overeenstemming met de in deze Overeenkomst vastgestelde bepalingen en de tussen de partijen overeengekomen ontwikkelingsstrategieën, met het oog op versterking van hun vermogen om zich met alle met de handel verband houdende terreinen bezig te houden, inclusief, zo nodig, met verbetering en ondersteuning van het institutionele kader.

Artikel 45 Mededingingsbeleid.
  1. De partijen zijn het erover eens dat de invoering en tenuitvoerlegging van een efficiënt en gezond mededingingsbeleid en -regels van doorslaggevend belang zijn voor de verbetering en veiligstelling van een investeringsvriendelijk klimaat, een duurzaam industrialisatieproces en doorzichtigheid bij de toegang tot markten.
  2. Met het oog op de opheffing van concurrentiedistorsies en met inachtneming van de uiteenlopende ontwikkelingsniveaus en economische behoeften van elk ACS-land verplichten zij zich tot de toepassing van nationale of regionale regels en beleid, inclusief de controle op en onder bepaalde omstandigheden het verbod van overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die als doel of gevolg hebben de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. De partijen komen voorts overeen om misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt van de Gemeenschap of op het grondgebied van de ACS-staten te verbieden.
  3. De partijen komen eveneens overeen de samenwerking op dit terrein te versterken teneinde een effectief mededingingsbeleid met de passende nationale mededingingsorganisaties uit te stippelen en te ondersteunen dat geleidelijk zorgt voor het op efficiënte wijze doen naleven van de mededingingsregels door zowel particuliere als staatsondernemingen. De samenwerking op dit terrein omvat met name hulp bij het ontwerpen van een passend wettelijk kader en de administratieve uitvoering daarvan waarbij de bijzondere situatie van de minst ontwikkelde landen speciale aandacht krijgt.

Artikel 46 Bescherming van intellectuele eigendomsrechten.
  1. Onverminderd hun standpunten in multilaterale besprekingen erkennen de partijen de noodzaak te zorgen voor een toereikend en doeltreffend niveau van bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendomsrechten en andere onder de TRIPs vallende rechten, inclusief bescherming van geografische aanduidingen, in overeenstemming met de internationale normen, met het oog op vermindering van verstoringen van en belemmeringen voor de bilaterale handel.
  2. In dit verband onderstrepen zij het belang van toetreding tot de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs) bij de WTO-Overeenkomst en tot het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD).
  3. Zij zijn het eveneens eens over de noodzaak van toetreding tot alle internationale overeenkomsten inzake de intellectuele, industriële en commerciële eigendom, zoals bedoeld in deel I van de TRIPs-Overeenkomst, in overeenstemming met hun ontwikkelingsniveau.
  4. De Gemeenschap, haar lidstaten en de ACS-staten kunnen de sluiting overwegen van overeenkomsten die de bescherming beogen van handelsmerken en geografische aanduidingen voor producten van bijzonder belang voor beide partijen.
  5. In het kader van deze Overeenkomst omvat intellectuele eigendom met name auteursrecht, inclusief het auteursrecht op computerprogramma's, en naburige rechten, inclusief artistieke ontwerpen, en industriële eigendom mede omvattende gebruiksmodellen, octrooien, inclusief octrooien voor biotechnologische uitvindingen en plantenrassen of andere doeltreffende afzonderlijke stelsels, industriële ontwerpen, geografische aanduidingen, inclusief benamingen van oorsprong, handelsmerken voor goederen of diensten, topografieën van geïntegreerde schakelingen alsmede de wettelijke bescherming van databanken en de bescherming tegen oneerlijke concurrentie, zoals bedoeld in artikel 10bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en van niet-openbaar gemaakte informatie over knowhow.
  6. De partijen komen voorts overeen om hun samenwerking op dit terrein te versterken. Desgewenst omvat de samenwerking op onderling overeengekomen voorwaarden onder meer de volgende gebieden : de opstelling van wetten en voorschriften voor de bescherming en het doen naleven van intellectuele eigendomsrechten, de voorkoming van misbruik van dergelijke rechten door de houders van rechten en de overtreding van dergelijke rechten door concurrenten, de vestiging en uitbreiding van nationale en regionale bureaus en andere organen, inclusief steun voor bij het doen naleven en bescherming betrokken regionale intellectuele eigendomsorganisaties, met inbegrip van de opleiding van personeel.

Artikel 47 Normalisatie en certificering.
  1. De partijen komen overeen nauwer samen te werken op het gebied van normalisatie, certificering en kwaliteitsborging om onnodige technische belemmeringen op te heffen en onderlinge verschillen op deze gebieden te verkleinen teneinde de handel te bevorderen.
  In dit verband herbevestigen zij hun verbintenis krachtens de aan de WTO-Overeenkomst gehechte Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT-overeenkomst).
  2. De samenwerking op het gebied van normalisatie en certificering heeft ten doel compatibele systemen tussen de partijen te bevorderen en omvat met name :
  maatregelen, in overeenstemming met de TBT-overeenkomst, om een intensiever gebruik van internationale technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, inclusief sectorspecieke maatregelen, overeenkomstig het economische ontwikkelingsniveau van de ACS-landen te bevorderen;
  samenwerking op het gebied van kwaliteitsbeheer en kwaliteitsborging in geselecteerde sectoren van belang voor de ACS-staten;
  steun voor initiatieven met betrekking tot capaciteitsopbouw in de ACS-landen op gebieden zoals conformiteitsbeoordeling, metrologie en normalisatie;
  de ontwikkeling van operationele banden tussen ACS- en Europese normalisatie-, conformiteitsbeoordelings- en certificeringsorganisaties.
  3. De partijen verbinden zich ertoe om te zijner tijd de sluiting van overeenkomsten inzake onderlinge erkenning in sectoren van wederzijdse economisch belang te overwegen.

Artikel 48 Sanitaire en fytosanitaire maatregelen.
  1. De partijen erkennen het recht van elke partij op het treffen of doen naleven van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen die nodig zijn om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen, op voorwaarde dat deze maatregelen geen willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel in het algemeen vormen. Daartoe herbevestigen zij hun verbintenissen krachtens de aan de WTO-Overeenkomst gehechte Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (de SPS-overeenkomst), met inachtneming van hun respectieve ontwikkelingsniveaus.
  2. Voorts verbinden zij zich tot versterking van coördinatie, overleg en informatie ten aanzien van de kennisgeving en toepassing van voorgestelde sanitaire en fytosanitaire maatregelen, overeenkomstig de SPS-overeenkomst, wanneer deze maatregelen afbreuk kunnen doen aan de belangen van een van beide partijen. Ook stemmen zij in met voorafgaand overleg en coördinatie in het kader van de Codex Alimentarius-commissie, het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten met het oog op bevordering van hun gemeenschappelijke belangen.
  3. De partijen komen overeen hun samenwerking uit te breiden met het oog op versterking van de capaciteit van de openbare en de particuliere sector van de ACS-landen op dit gebied.

Artikel 49 Handel en milieu.
  1. De partijen herbevestigen hun verbintenis tot bevordering van de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze dat wordt gezorgd voor een duurzaam en deugdelijk beheer van het milieu in overeenstemming met de internationale verdragen en toezeggingen op dit terrein en met inachtneming van hun respectieve ontwikkelingsniveaus. Zij komen overeen dat er bij het ontwerpen en de uitvoering van milieumaatregelen rekening moet worden gehouden met de bijzondere behoeften van de ACS-staten.
  2. Indachtig de beginselen van Rio en met het oog op versterking van de onderlinge verwevenheid van handel en milieu komen de partijen overeen hun samenwerking op dit terrein te verhogen. De samenwerking beoogt met name de totstandbrenging van een coherent nationaal, regionaal en internationaal beleid, versterking van met het milieu verband houdende kwaliteitscontroles van goederen en diensten en de verbetering van milieuvriendelijke productiemethoden in relevante sectoren te verzekeren.

Artikel 50 Handel en arbeidsnormen.
  1. De partijen herbevestigen hun gehechtheid aan de op internationaal vlak erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals omschreven in de respectieve IAO-Verdragen, en met name de vrijheid van vakvereniging en het recht op collectieve onderhandelingen, de afschaffing van dwangarbeid, de opheffing van de ergste vormen van kinderarbeid en non-discriminatie op het gebied van tewerkstelling.
  2. Zij komen overeen de samenwerking op dit gebied te verhogen, met name op de volgende terreinen :
  informatie-uitwisseling over de respectieve arbeidswetgeving en -regelgeving;
  de uitstippeling van nationale arbeidswetgeving en versterking van de bestaande wetgeving;
  vormings- en bewustmakingsprogramma's;
  eerbiediging van de toepassing van de nationale arbeidswetgeving en -regelgeving.
  3. De partijen komen overeen dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische commerciële doeleinden.

Artikel 51 Consumentenbeleid en bescherming van de gezondheid van de consument.
  1. De partijen komen overeen hun samenwerking op het gebied van het consumentenbeleid en de bescherming van de gezondheid van de consument te verhogen met inachtneming van de nationale wetgevingen ter voorkoming van handelsbelemmeringen.
  2. De samenwerking heeft met name ten doel de institutionele en technische capaciteit op dit gebied te verbeteren, snelle alarmsystemen voor wederzijdse voorlichting over gevaarlijke producten tot stand te brengen, informatie en ervaringen uit te wisselen over de totstandbrenging en het doen functioneren van toezicht na het op de markt brengen van producten en productveiligheid, de aan de consument verstrekte informatie over prijzen, kenmerken van producten en geboden diensten te verbeteren, het opzetten van onafhankelijke consumentenverenigingen en contacten tussen vertegenwoordigers van de belangen van consumenten aan te moedigen, de compatibiliteit van consumentenbeleid en -systemen te verbeteren, kennis te geven van de uitvoering en samenwerking bij het onderzoek naar schadelijke of oneerlijke handelspraktijken te bevorderen en het geven van uitvoering aan exportverboden in de handel tussen partijen ten aanzien van goederen en diensten waarvan de afzet in het land van productie werd verboden.

Artikel 52 Clausule inzake uitsluiting van belastingen.
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 32, lid 1, van bijlage IV, geldt de meestbegunstigingsbehandeling toegekend overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst of een in het kader van deze Overeenkomst getroffen regeling niet voor belastingvoordelen die de partijen elkaar nu of in de toekomst verlenen op basis van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingregelingen of nationale belastingwetgeving.
  2. Niets in deze Overeenkomst of in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen mag zo worden uitgelegd dat het treffen of de uitvoering van maatregelen ter voorkoming van belastingfraude of -ontwijking overeenkomstig de belastingbepalingen in overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingregelingen of nationale belastingwetgeving wordt verhinderd.
  3. Niets in deze Overeenkomst of in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen mag zo worden uitgelegd dat wordt verhinderd dat de partijen bij de toepassing van de relevante bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren, met name wat betreft hun verblijfplaats, of wat betreft de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

Hoofdstuk 6. SAMENWERKING OP ANDERE GEBIEDEN

Artikel 53 Visserijovereenkomsten.
  1. De partijen verklaren hun bereidheid te onderhandelen over visserijovereenkomsten die beogen duurzame en wederzijds bevredigende voorwaarden voor visserijactiviteiten in de ACS-staten te waarborgen.
  2. Bij de sluiting of tenuitvoerlegging van dergelijke overeenkomsten passen de ACS-staten geen discriminatie toe jegens de Gemeenschap of tussen de lidstaten, onverminderd bijzondere regelingen tussen ontwikkelingslanden in hetzelfde geografisch gebied, inclusief visserijovereenkomsten op basis van wederkerigheid, en past de Gemeenschap geen discriminatie toe jegens de ACS-staten.

Artikel 54 Continuïteit van de voedselvoorziening.
  1. Met betrekking tot de beschikbare landbouwproducten verbindt de Gemeenschap zich ertoe de mogelijkheid te waarborgen tot voorafgaande vaststelling voor een langere termijn van de restituties bij export naar alle ACS-staten voor een reeks producten die wordt vastgesteld met inachtneming van de door deze staten kenbaar gemaakte voedselbehoeften.
  2. De voorafgaande vaststelling geldt voor een jaar en wordt tijdens de geldigheidsduur van de Overeenkomst jaarlijks toegepast, met dien verstande dat het restitutieniveau zal worden vastgesteld overeenkomstig de gewoonlijk door de Commissie gevolgde methoden.
  3. Specifieke overeenkomsten kunnen worden gesloten met de ACS-staten die hierom verzoeken in het kader van hun beleid inzake de continuïteit van de voedselvoorziening.
  4. De in lid 3 bedoelde specifieke overeenkomsten mogen de productie en de handelsstromen in de ACS-regio's niet in gevaar brengen.

Paart 4. SAMENWERKING INZAKE ONTWIKKELINGSFINANCIERING

Titel 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1. DOELSTELLINGEN, BEGINSELEN RICHTSNOEREN EN BEGUNSTIGDEN

Artikel 55 Doelstellingen.
  De doelstellingen van samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zijn het steunen en bevorderen, op basis van wederzijds belang en in een geest van onderlinge afhankelijkheid, van de inspanningen van de ACS-staten om de doelstellingen van deze Overeenkomst te verwezenlijken, zulks door toereikende financiële middelen en passende technische bijstand te verstrekken.

Artikel 56 Principes.
  1. De samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering wordt uitgevoerd op basis van en in overeenstemming met de door de ACS-staten op nationaal en regionaal niveau vastgestelde ontwikkelingsdoelstellingen, -strategieën en -prioriteiten. Daarbij worden hun respectieve geografische, sociale en culturele kenmerken en hun specifieke vermogens in aanmerking genomen. Voorts geldt voor de samenwerking het volgende :
  a) de eigen plaatselijke inbreng, op alle niveaus, in het ontwikkelingsproces wordt bevorderd;
  b) de samenwerking weerspiegelt een op wederzijdse rechten en plichten gebaseerd partnerschap;
  c) de samenwerking benadrukt het belang van voorspelbaarheid en zekerheid ten aanzien van de verstrekking van middelen, die op zeer gunstige voorwaarden en op permanente basis dient te geschieden;
  d) de samenwerking is flexibel en toegesneden op de situatie van iedere ACS-staat en op het specifieke karakter van het betrokken project of programma; en
  e) er wordt toegezien op efficiency, coördinatie en consistentie.
  2. Bij de samenwerking wordt voorzien in een bijzondere behandeling voor de minst ontwikkelde ACS-landen en wordt rekening gehouden met de kwetsbaarheid van niet aan zee grenzende en insulaire ACS-landen. Voorts dient te worden voorzien in de specifieke behoeften van landen die zich in een situatie na een conflict bevinden.

Artikel 57 Richtsnoeren.
  1. Bij de uitvoering van de uit hoofde van de Overeenkomst gefinancierde activiteiten werken de ACS-staten en de Gemeenschap nauw samen, met inachtneming van de gelijkheid der partners.
  2. De ACS-staten zijn verantwoordelijk voor :
  a) het vaststellen van de doelstellingen en prioriteiten waarop de indicatieve programma's worden gebaseerd;
  b) het selecteren van projecten en programma's;
  c) het opstellen en presenteren van de dossiers voor de projecten en programma's;
  d) het voorbereiden van aanbestedingen, het voeren van onderhandelingen en het gunnen van opdrachten;
  e) de uitvoering en het beheer van projecten en programma's; en
  f) het onderhoud van projecten en programma's.
  3. Onverminderd bovenstaande bepalingen kunnen tevens niet-overheidsactoren worden belast met het indienen van voostellen voor en het uitvoeren van programma's en projecten op gebieden die hen aangaan.
  4. De ACS-staten en de Gemeenschap zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor :
  a) het in het kader van de gezamenlijke instellingen vaststellen van richtsnoeren voor de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering;
  b) het vaststellen van de indicatieve programma's;
  c) het evalueren van projecten en programma's;
  d) het waarborgen dat op gelijke voorwaarden kan worden deelgenomen aan aanbestedingen en toegang wordt verkregen tot opdrachten;
  e) het uitoefenen van toezicht op en het verrichten van de evaluatie van het effect en de resultaten van projecten en programma's; en
  f) het toezien op adequate, snelle en doeltreffende uitvoering van projecten en programma's.
  5. De Gemeenschap is verantwoordelijk voor het nemen van de financieringsbesluiten met betrekking tot de projecten en programma's.
  6. Tenzij in de Overeenkomst anders wordt bepaald, wordt ieder besluit dat door een van de partijen bij de Overeenkomst moet worden goedgekeurd, of geacht te zijn goedgekeurd binnen zestig dagen na de kennisgeving door de andere partij.

Artikel 58 Begunstigden.
  1. Voor financiële steun uit hoofde van de Overeenkomst komen de volgende entiteiten en organisaties in aanmerking :
  a) ACS-staten;
  b) regionale of interstatelijke instanties waarvan een of meer ACS-staten deel uitmaken en die door deze staten zijn gemachtigd; en
  c) gemengde organen die door de ACS-staten en de Gemeenschap zijn opgericht om bepaalde specifieke doelstellingen te verwezenlijken.
  2. Met instemming van de betrokken ACS-staat of ACS-staten komen eveneens voor financiële steun in aanmerking :
  a) nationale en/of regionale overheids- of semi-overheidsinstanties, ministeries of plaatselijke autoriteiten van de ACS-staten, en met name financiële instellingen en ontwikkelingsbanken uit de ACS-staten;
  b) ondernemingen en andere particuliere organisaties en privaatrechtelijke lichamen uit de ACS-staten;
  c) ondernemingen van een lidstaat van de Gemeenschap, ter aanvulling op hun eigen bijdrage, teneinde deze ondernemingen in staat te stellen productieve projecten op te zetten op het grondgebied van een ACS-staat;
  d) financiële tussenpersonen uit de ACS of de Gemeenschap die particuliere investeringen in ACS-staten verstrekken, bevorderen en financieren; en
  e) actoren van de gedecentraliseerde samenwerking en andere niet-overheidsactoren uit de ACS-staten en de Gemeenschap.

Hoofdstuk 2. TOEPASSINGSGEBIED EN AARD VAN DE FINANCIERING

Artikel 59 In het kader van de prioriteiten die door de betrokken ACS-staat of ACS-staten op nationaal of regionaal niveau zijn vastgesteld, kan steun worden verleend voor projecten, programma's en andere activiteiten die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst bijdragen.

Artikel 60 Toepassingsgebied van de financiering.
  Financiering kan worden verleend ter ondersteuning van onder meer, afhankelijk van de behoeften en van het meest wenselijk geachte type activiteiten :
  a) maatregelen die bijdragen tot vermindering van de schuldenlast en de betalingsbalansproblemen van de ACS-staten;
  b) macro-economische en structurele hervormingen en beleid;
  c) compensatie van de ongunstige gevolgen van instabiliteit van exportopbrengsten;
  d) sectoraal beleid en sectorale hervormingen;
  e) institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw;
  f) programma's voor technische samenwerking; en
  g) humanitaire bijstand en noodhulp, met inbegrip van hulp aan vluchtelingen en ontheemden, spoedmaatregelen voor herstel en voorbereiding op rampen.

Artikel 61 Aard van de financiering.
  1. De financiering geschiedt onder meer in de volgende vormen :
  a) projecten en programma's;
  b) kredietlijnen, garantieregelingen en aandelenparticipatie;
  c) begrotingssteun : hetzij rechtstreeks, voor de ACS-staten met convertibele en vrij verhandelbare valuta, hetzij onrechtstreeks door het gebruik van tegenwaardefondsen uit hoofde van de verschillende communautaire instrumenten;
  d) menselijke en materiële middelen die noodzakelijk zijn voor effectief beheer van en toezicht op projecten en programma's;
  e) sectorale en algemene programma's ter ondersteuning van de invoer, in de vorm van :
  i) sectorale invoerprogramma's in natura, onder meer door financiering van inputs voor het productiestelsel en van benodigdheden om de sociale dienstverlening te verbeteren;
  ii) sectorale invoerprogramma's in de vorm van in gedeelten vrijkomende deviezensteun ter financiering van sectorale invoer; en
  iii) algemene invoerprogramma's in de vorm van in gedeelten vrijkomende deviezensteun ter financiering van de algemene invoer van een grote verscheidenheid aan producten.
  2. Rechtstreekse begrotingssteun ter ondersteuning van macro-economische of sectorale hervormingen wordt verleend indien :
  a) het beheer van de overheidsuitgaven op transparante, verantwoordelijke en doeltreffende wijze geschiedt;
  b) een goed uitgewerkt macro-economisch of sectoraal beleid door het land zelf is ingesteld en door de belangrijkste donoren is goedgekeurd; en
  c) overheidsopdrachten op open en transparante wijze worden gegund.
  3. Soortgelijke begrotingssteun wordt geleidelijk verstrekt voor sectoraal beleid ter vervanging van afzonderlijke projecten.
  4. Door middel van de hierboven omschreven invoerprogramma's en begrotingssteun kan tevens steun worden verleend aan begunstigde ACS-staten die hervormingen uitvoeren die gericht zijn op intraregionale economische liberalisering en netto overgangskosten met zich meebrengen.
  5. De middelen die in het kader van de Overeenkomst ter financiering van projecten, programma's en andere activiteiten die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst bijdragen worden ingezet, zijn het Europees Ontwikkelingsfonds (hierna " het Fonds " genoemd) met inbegrip van tegenwaardefondsen, de resterende bedragen van eerdere Fondsen, de eigen middelen van de Europese Investeringsbank (hierna " de Bank " genoemd), en waar toepasselijk middelen uit de begroting van de Europese Gemeenschap.
  6. De middelen die uit hoofde van de Overeenkomst worden verstrekt kunnen worden benut ter dekking van het totaal van plaatselijke en externe uitgaven voor projecten en programma's, en ook voor de financiering van terugkerende kosten.

Titel 2. FINANCIELE SAMENWERKING

Hoofdstuk 1. FINANCIELE MIDDELEN

Artikel 62 Totaalbedrag.
  1. Het totale bedrag van de financiële steun van de Gemeenschap voor de in de Overeenkomst omschreven doeleinden en de uitgewerkte voorwaarden voor de financiering zijn opgenomen in de bijlagen bij de Overeenkomst.
  2. Indien een ACS-staat de Overeenkomst niet bekrachtigt of deze opzegt, passen de partijen de bedragen van de in het Financieel Protocol vastgestelde financiële middelen aan. Deze aanpassing wordt ook toegepast :
  a) bij toetreding tot de Overeenkomst van nieuwe ACS-staten die niet aan de onderhandelingen over de Overeenkomst hebben deelgenomen; en
  b) bij uitbreiding van de Gemeenschap.

Artikel 63 Methoden voor de financiering.
  De wijze waarop elk project of programma wordt gefinancierd, wordt door de betrokken ACS-staat of ACS-staten en de Gemeenschap in gemeenschappelijk overleg vastgesteld met inachtneming van :
  a) het ontwikkelingsniveau en de geografische, economische en financiële situatie van deze staten;
  b) de aard van het project of programma, de vooruitzichten inzake de economische en financiële rentabiliteit van het project of programma en de sociale en culturele gevolgen ervan; en
  c) in geval van een lening, de factoren waardoor de dienst van de lening wordt gewaarborgd.

Artikel 64 Doorlening.
  1. Financiële steun kan worden verleend aan of via de betrokken ACS-staten ofwel, overeenkomstig het bepaalde in de Overeenkomst, door bemiddeling van financiële instellingen die voor steun in aanmerking komen, dan wel rechtstreeks aan een andere begunstigde. Wanneer de financiële steun via een tussenpersoon aan de uiteindelijke begunstigde dan wel rechtstreeks aan de uiteindelijke begunstigde in de particuliere sector wordt verstrekt :
  a) worden de voorwaarden waaronder de middelen via de tussenpersoon aan de uiteindelijke begunstigde of rechtstreeks aan de uiteindelijke begunstigde in de particuliere sector worden verstrekt, vastgelegd in de financierings- of de leningsovereenkomst; en
  b) wordt een eventueel uit de doorleentransactie voor de tussenpersoon of uit de rechtstreekse kredietverstrekking voor de uiteindelijke begunstigde in de particuliere sector voortvloeiende financiële marge, na aftrek van de administratieve kosten, de financiële risico's en de wisselkoersrisico's en de kosten van de aan de uiteindelijke begunstigde verstrekte technische bijstand, aangewend voor ontwikkelingsdoeleinden onder de in de financierings- of de leningovereenkomst vastgestelde voorwaarden.
  2. Wanneer de financiering geschiedt door een bemiddelende instelling die in de ACS-staten is gevestigd of daar actief is, dient deze instelling elk project te selecteren en te evalueren en de daarvoor uitgetrokken middelen te beheren volgens de voorwaarden van deze Overeenkomst en in onderling overleg tussen de partijen.

Artikel 65 Medefinanciering.
  1. Op verzoek van de ACS-staten kunnen de financieringsmiddelen van de Overeenkomst worden aangewend voor medefinanciering, in het bijzonder met ontwikkelingsorganisaties en -instellingen, lidstaten van de Gemeenschap, ACS-staten, derde landen dan wel internationale of particuliere financiële instellingen, ondernemingen of exportkredietinstellingen.
  2. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mogelijkheid van medefinanciering, wanneer de deelname van de Gemeenschap andere financiële instellingen tot deelname aanmoedigt en deze financiering voor de betrokken ACS-staat tot een voordelig financieel pakket kan leiden.
  3. Medefinanciering kan geschieden in de vorm van gezamenlijke of parallelle financiering. In elk afzonderlijk geval wordt de voorkeur gegeven aan de oplossing die de beste verhouding tussen kosten en effectiviteit biedt. Maatregelen worden getroffen om de deelname van de Gemeenschap en van de overige medefinanciers te coördineren en harmoniseren, teneinde het aantal door de ACS-staten te volgen procedures te beperken en deze procedures te versoepelen.
  4. Het overleg en de coördinatie met de andere donoren en medefinanciers moet worden versterkt en uitgebreid door zo mogelijk kaderovereenkomsten inzake medefinanciering te sluiten; het beleid en de procedures voor de medefinanciering moeten worden herzien uit een oogpunt van efficiency en om optimale omstandigheden te waarborgen.

Hoofdstuk 2. STEUN VOOR SCHULDVERLICHTING EN STRUCTURELE AANPASSING

Artikel 66 Steun voor schuldverlichting.
  1. Teneinde de schuldenlast en de betalingsbalansproblemen van de ACS-staten te verlichten, komen de partijen overeen de middelen waarin deze Overeenkomst voorziet in te zetten als bijdrage tot internationaal overeengekomen initiatieven voor schuldverlichting ten behoeve van de ACS-staten. Voorts wordt per geval de benutting van niet vastgelegde middelen van eerdere indicatieve programma's versneld door middel van de instrumenten voor snel uitkeerbare steun waarin de Overeenkomst voorziet. De Gemeenschap verbindt zich ertoe te onderzoeken hoe op de langere termijn andere middelen dan het Fonds kunnen worden benut ter ondersteuning van internationaal overeengekomen initiatieven voor schuldverlichting.
  2. Op verzoek van een ACS-staat kan de Gemeenschap :
  a) bijstand verlenen voor het onderzoek naar en het vinden van concrete oplossingen voor schuldenlastproblemen, zoals binnenlandse schulden en problemen in verband met de schuldendienst en de betalingsbalans;
  b) opleidingsmogelijkheden bieden op het gebied van schuldenbeheer en internationale financiële onderhandelingen, en steun verlenen voor workshops, cursussen en seminars met betrekking tot deze onderwerpen; en
  c) bijstand verlenen voor het ontwikkelen van flexibele technieken en instrumenten voor schuldenbeheer.
  3. De ACS-staten kunnen op een met de Commissie per geval overeen te komen wijze de in de Overeenkomst bedoelde beschikbare deviezen aanwenden voor de aflossing van schulden die ontstaan zijn door leningen uit de eigen middelen van de Bank, speciale leningen en risicodragend kapitaal, zulks in overeenstemming met de vervaltermijnen van de schuld en ten hoogste voor het bedrag dat nodig is voor de betalingen in nationale valuta.
  4. Gezien de ernst van het probleem van de internationale schuldenlast en de gevolgen ervan voor de economische groei, verklaren de partijen zich bereid verder van gedachten te wisselen in het kader van de internationale besprekingen over het algemene probleem van de schuldenlast, onverminderd de specifieke besprekingen in de desbetreffende fora.

Artikel 67 Steun voor structurele aanpassing.
  1. De Overeenkomst voorziet in steun voor de macro-economische en structurele hervormingen die door de ACS-staten worden uitgevoerd. De partijen zien er in dit verband op toe dat de aanpassing economisch uitvoerbaar en politiek en sociaal aanvaardbaar is. De steun wordt verleend in het kader van een door de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat gezamenlijk verrichte beoordeling van de uitgevoerde of overwogen hervormingen op macro-economisch of sectoraal niveau, en dient een algehele evaluatie van de hervormingsinspanningen mogelijk te maken. Een van de hoofdkenmerken van de steunprogramma's is dat de hulp snel beschikbaar moet zijn.
  2. De ACS-staten en de Gemeenschap erkennen dat het opzetten van regionale hervormingsprogramma's moet worden aangemoedigd en dat bij het opstellen en uitvoeren van nationale programma's rekening dient te worden gehouden met regionale activiteiten die van invloed zijn op de nationale ontwikkeling. De steun voor structurele aanpassing moet daartoe tevens :
  a) vanaf het begin van de situatiebeoordeling maatregelen omvatten ter aanmoediging van regionale integratie en ter inachtneming van de gevolgen van grensoverschrijdende aanpassingen;
  b) steun bieden voor harmonisatie en coördinatie van het macro-economisch en sectoraal beleid, met inbegrip van de belasting- en douanestelsels, met als tweeledig doel regionale integratie en structurele hervorming op nationaal niveau; en
  c) de gevolgen van de netto overgangskosten van de regionale integratie in de begrotingsmiddelen en op de betalingsbalans in acht nemen, door middel van algemene invoerprogramma's of door middel van begrotingssteun.
  3. Alle ACS-staten die hervormingen op macro-economisch of sectoraal gebied uitvoeren of overwegen komen in aanmerking voor steun voor structurele aanpassing, met inachtneming van de regionale context, de doeltreffendheid van de hervormingen en de mogelijke gevolgen voor de economische, sociale en politieke dimensie van de ontwikkeling en tevens gelet op de economische en sociale problemen van die staten.
  4. ACS-staten die hervormingsprogramma's opzetten die worden erkend en gesteund door in ieder geval de voornaamste multilaterale donoren, of overeengekomen zijn met die donoren maar door hen niet noodzakelijkerwijs financieel worden gesteund, worden geacht automatisch te hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van steun voor aanpassing.
  5. De steun voor structurele aanpassing wordt op flexibele wijze ter beschikking gesteld in de vorm van sectorale en algemene invoerprogramma's of begrotingssteun.
  6. Bij de voorbereiding en de evaluatie van en de financieringsbesluiten voor de programma's voor structurele aanpassing worden de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende de uitvoeringsprocedures in acht genomen, en wordt rekening gehouden met de noodzaak van snelle uitkering van de steun voor structurele aanpassing. Per geval kan worden toegestaan dat een beperkt gedeelte van de invoer uit de ACS-staten of de Gemeenschap met terugwerkende kracht wordt gefinancierd.
  7. Bij de tenuitvoerlegging van elk steunprogramma wordt erop toegezien dat het bedrijfsleven van de ACS op zo ruim en transparant mogelijke wijze toegang krijgt tot de middelen van het programma en dat de aanbestedingsprocedures worden afgestemd op de administratieve en commerciële praktijk in de betrokken staat, terwijl voor in te voeren goederen een optimale prijs/kwaliteitverhouding en met betrekking tot de harmonisatie van de procedures voor het verlenen van steun voor structurele aanpassing de nodige samenhang met de op internationaal niveau verwezenlijkte vooruitgang wordt gewaarborgd.

Hoofdstuk 3. STEUN BIJ FLUCTUERENDE EXPORTOPBRENGSTEN

Artikel 68 1. De partijen erkennen dat instabiliteit van de exportopbrengsten, met name ten aanzien van de landbouw en de mijnbouw, de ontwikkeling van de ACS-staten negatief kan beïnvloeden en de verwezenlijking van hun ontwikkelingsdoelen in gevaar kan brengen. Derhalve wordt binnen het budget voor steun voor de langetermijnontwikkeling een stelsel voor aanvullende steun opgezet teneinde de negatieve effecten van eventuele instabiliteit van de exportopbrengsten, onder meer voor de landbouw en de mijnbouw, te reduceren.
  2. De in gevallen van kortdurende fluctuaties van de exportopbrengsten te verlenen steun heeft ten doel het veiligstellen van macro-economische en sectorale hervormingen en beleid op die gebieden, die door de terugval van de opbrengsten gevaar lopen, en het reduceren van de negatieve effecten van instabiliteit van de exportopbrengsten, met name wat betreft landbouw- en mijnbouwproducten.
  3. De zeer sterke afhankelijkheid van de economieën van de ACS-staten van de export, met name die van landbouw- en mijnbouwproducten, moet in aanmerking worden genomen bij de toewijzing van middelen in het toepassingsjaar. In dit verband wordt de minst ontwikkelde, de niet aan zee grenzende en de insulaire ACS-staten de meest gunstige behandeling verleend.
  4. Op de verstrekking van de aanvullende middelen zijn de specifieke procedures van toepassing van het steunmechanisme dat in bijlage II (Financieringsvoorwaarden) is omschreven.
  5. De Gemeenschap verleent tevens steun voor marktconforme verzekeringsregelingen die bestemd zijn voor ACS-staten die zich tegen de risico's van fluctuaties van de exportopbrengsten wensen te beschermen.

Hoofdstuk 4. STEUN VOOR SECTORAAL BELEID

Artikel 69 1. De samenwerking ondersteunt door middel van de diverse instrumenten en procedures waarin de Overeenkomst voorziet :
  a) sociaal-economisch sectoraal beleid en sectorale hervormingen;
  b) maatregelen ter intensivering van de activiteit van de productiesector en van het concurrentievermogen van de exportsector;
  c) maatregelen tot uitbreiding van de dienstverlening van de sociale sector; en
  d) thematische vraagstukken en vraagstukken met een dwarsverband.
  2. De steun wordt op gepaste wijze verleend door middel van :
  a) sectorale programma's
  b) begrotingssteun;
  c) investeringen;
  d) wederopbouw;
  e) opleiding;
  f) technische bijstand; en
  g) institutionele steun.

Hoofdstuk 5. MICROPROJECTEN EN GEDECENTRALISEERDE SAMENWERKING

Artikel 70 Teneinde tegemoet te komen aan de ontwikkelingsbehoeften van de plaatselijke gemeenschappen en om alle actoren van de gedecentraliseerde ontwikkeling die een bijdrage kunnen leveren aan de autonome ontwikkeling van de ACS-staten aan te moedigen initiatieven te ontplooien, steunt de samenwerking dergelijke ontwikkelingsactiviteiten, binnen het kader dat bepaald is door de wet- en regelgeving van de betrokken ACS-staten en de bepalingen van het indicatieve programma. In deze context steunt de samenwerking :
  a) microprojecten op lokaal niveau die in economisch en sociaal opzicht een weerslag hebben op het leven van de bevolking, aan een geconstateerde en aangetoonde prioritaire behoefte beantwoorden en op initiatief en met actieve deelname van de begunstigde lokale gemeenschap worden uitgevoerd; en
  b) gedecentraliseerde samenwerking, met name wanneer daarbij de inspanningen en middelen van gedecentraliseerde organisaties uit de ACS-staten en equivalente organisaties uit de Gemeenschap gecombineerd worden. Dankzij deze vorm van samenwerking kunnen vaardigheden, innoverende werkmethoden en middelen van de actoren van de gedecentraliseerde samenwerking in dienst worden gesteld van de ontwikkeling van de ACS-staat.

Artikel 71 1. Microprojecten en ontwikkelingsactiviteiten in het kader van de gedecentraliseerde samenwerking kunnen worden gesteund met gebruikmaking van de financiële middelen in het kader de Overeenkomst. Projecten of programma's die onder deze vorm van samenwerking vallen, kunnen al dan niet gerelateerd zijn aan programma's in de concentratiesectoren van de indicatieve programma's, maar kunnen ook een methode zijn om de specifieke doelstellingen van het indicatieve programma te bereiken, of het resultaat van initiatieven van plaatselijke gemeenschappen of gedecentraliseerde instanties.
  2. Aan de financiering van microprojecten en gedecentraliseerde samenwerking wordt een bijdrage geleverd door het Fonds, die in beginsel niet meer mag bedragen dan drie vierde van de totale kosten van ieder project en de in het indicatieve programma gestelde limiet niet mag overschrijden. Het resterende gedeelte wordt als volgt gefinancierd :
  a) voor microprojecten : door de betrokken lokale gemeenschap, die afhankelijk van haar mogelijkheden bijdragen levert in natura, in de vorm van dienstverlening of in contant geld;
  b) door de actoren van de gedecentraliseerde samenwerking, mits de door hen ingebrachte financiële, technische, materiële en andere middelen als regel niet minder bedragen dan 25 % van de geraamde kosten van het project of programma; en
  c) in uitzonderlijke gevallen door de betrokken ACS-staat, via een financiële bijdrage, beschikbaarstelling van infrastructuurvoorzieningen of via dienstverlening.
  3. Voor de in het kader van microprojecten of gedecentraliseerde samenwerking gefinancierde projecten en programma's gelden de procedures die zijn vastgesteld in de Overeenkomst, met name die waarnaar in meerjarenprogramma's naar wordt verwezen.

Hoofdstuk 6. HUMANITAIRE BIJSTAND EN SPOEDHULP

Artikel 72 1. Humanitaire hulp en spoedhulp worden verleend aan de bevolking van ACS-staten die geconfronteerd worden met ernstige economische en sociale moeilijkheden van uitzonderlijke aard die het gevolg zijn van natuurrampen, door de mens veroorzaakte crises, zoals oorlogen en andere conflicten, of buitengewone omstandigheden met vergelijkbare gevolgen. Deze humanitaire hulp en spoedhulp worden verleend zo lang als noodzakelijk is om te voorzien in de urgente behoeften die van dergelijke omstandigheden het gevolg zijn.
  2. Humanitaire bijstand en spoedhulp worden uitsluitend verleend volgens de behoeften en belangen van de slachtoffers van rampen en in overeenstemming met de beginselen van het internationale humanitaire recht. In het bijzonder mag er geen sprake zijn van discriminatie van slachtoffers op grond van ras, etnische afkomst, godsdienst, geslacht, leeftijd, nationaliteit of politieke overtuiging, en dienen de vrije toegang tot en de bescherming van slachtoffers, alsmede de veiligheid van de hulpverleners en hun uitrusting, te worden gewaarborgd.
  3. Het doel van humanitaire bijstand en spoedhulp is :
  a) redden van mensenlevens tijdens en onmiddellijk na crisissituaties veroorzaakt door natuurrampen, conflicten of oorlogen;
  b) bijdragen tot de financiering en verzending van humanitaire hulp en de directe toegang daartoe van degenen voor wie deze bestemd is, met gebruikmaking van alle beschikbare logistieke middelen;
  c) maatregelen voor herstel op korte termijn en wederopbouw, teneinde de getroffen bevolkingsgroepen opnieuw een minimum aan sociaal-economische integratie te kunnen bieden en zo snel mogelijk de voorwaarden te scheppen voor hervatting van de ontwikkeling overeenkomstig de doelstellingen voor de lange termijn die door het betrokken ACS-land zijn bepaald;
  d) een oplossing vinden voor de behoeften die zijn ontstaan door de verplaatsing van personen (vluchtelingen, ontheemden en repatrianten) als gevolg van rampen van natuurlijke of menselijke oorsprong, teneinde zo lang als noodzakelijk is te kunnen voorzien in alle behoeften van vluchtelingen en ontheemden (ongeacht hun verblijfplaats) en hun vrijwillige repatriëring en herintegratie in hun land van herkomst te bevorderen; en
  e) de ACS-staten helpen bij het instellen of verbeteren van mechanismen voor rampenpreventie en voorbereiding op natuurrampen, met inbegrip van systemen voor voorspelling en vroegtijdige waarschuwing, teneinde de gevolgen van dergelijke rampen te reduceren.
  4. Dezelfde steun als hierboven wordt bedoeld kan worden verleend aan ACS-staten die vluchtelingen of repatrianten opvangen, teneinde te voorzien in dringende behoeften waarin niet is voorzien door de spoedhulp.
  5. Gezien de ontwikkelingsdoelstelling van de overeenkomstig dit artikel verstrekte hulp, kan de hulp op verzoek van de betrokken staat in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt samen met de kredieten van het indicatieve programma.
  6. Humanitaire hulpacties en spoedhulpacties worden uitgevoerd op verzoek van het ACS-land dat door een crisissituatie is getroffen, door de Commissie, door internationale organisaties of door lokale of internationale niet-overheidsorganisaties. Beheer en uitvoering van deze steun geschieden volgens procedures die soepel, snel en effectief ingrijpen mogelijk maken. De Gemeenschap treft de nodige maatregelen om een snel ingrijpen ter ondervanging van de noodsituatie te vergemakkelijken.

Artikel 73 1. Activiteiten die na de urgentiefase worden ondernomen met het oog op materiële en sociale rehabilitatie na natuurrampen of buitengewone omstandigheden met vergelijkbare gevolgen, kunnen door de Gemeenschap uit hoofde van de Overeenkomst gefinancierd worden. Deze activiteiten moeten met effectieve en flexibele mechanismen worden uitgevoerd en zijn bedoeld om de overgang tussen de urgentiefase en de ontwikkelingsfase te vergemakkelijken, de sociaal-economische herintegratie van de getroffen bevolkingsgroepen te bevorderen, de oorzaken van de crisis zoveel mogelijk weg te nemen, de instellingen te versterken en de eigen inbreng van plaatselijke en nationale actoren in de formulering van een duurzaam ontwikkelingsbeleid voor het betrokken ACS-land te stimuleren.
  2. Kortlopende noodhulpactiviteiten kunnen slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden gefinancierd uit het EOF, indien financiering van de bijstand uit de begroting van de Gemeenschap niet mogelijk is.

Hoofdstuk 7. STEUN VOOR INVESTERINGEN EN ONTWIKKELING VAN DE PARTICULIERE SECTOR

Artikel 74 De samenwerking steunt door middel van financiële en technische bijstand het beleid en de strategieën voor investeringen en de ontwikkeling van de particuliere sector, een en ander als bepaald in deze Overeenkomst.

Artikel 75 Bevordering van investeringen.
  De ACS-staten, de Gemeenschap en haar lidstaten, elk binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, erkennen het belang van particuliere investeringen voor de bevordering van hun ontwikkelingssamenwerking en de noodzaak maatregelen te treffen om deze investeringen te stimuleren. Daartoe ondernemen zij het volgende :
  a) zij nemen maatregelen om particuliere investeerders die zich naar de doelstellingen en de prioriteiten van de ontwikkelingssamenwerking tussen ACS en EG, alsmede naar de vigerende wetten en voorschriften voegen, aan te moedigen aan hun ontwikkelingsinspanningen deel te nemen;
  b) zij treffen maatregelen en voorzieningen die bijdragen tot totstandbrenging en handhaving van een voorspelbaar en veilig investeringsklimaat en sluiten overeenkomsten ter verbetering van dit klimaat;
  c) zij stimuleren dat de particuliere sector van de EU investeert in en specifieke bijstand verleent aan particuliere ondernemingen in de ACS-landen in het kader van samenwerking tussen ondernemingen en partnerschappen;
  d) zij vereenvoudigen de totstandkoming van partnerschappen en gezamenlijke ondernemingen door het stimuleren van medefinanciering;
  e) zij sponsoren fora inzake sectorale investeringen teneinde partnerschappen en buitenlandse investeringen te stimuleren;
  f) zij steunen de inspanningen van de ACS-staten om financiering aan te trekken, waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op particuliere financiering van investeringen in infrastructuur en van infrastructuur die opbrengsten genereert die voor de particuliere sector cruciaal is;
  g) zij steunen de versterking van de capaciteit van nationale instanties en instellingen voor de stimulering van investeringen die zich bezighouden met stimulering en vereenvoudiging van buitenlandse investeringen;
  h) zij verspreiden informatie over investeringsmogelijkheden en het ondernemingsklimaat in de ACS-staten; en
  i) zij bevorderen de dialoog in het particuliere bedrijfsleven op nationaal en regionaal niveau en tussen ACS en EU, met name door middel van een ACS-EU-forum voor het particuliere bedrijfsleven. De steun voor de activiteiten van het ACS-EU-forum voor het particuliere bedrijfsleven beoogt de volgende doelstellingen :
  i) vergemakkelijking van de dialoog binnen de particuliere sector in ACS en EU en tussen de particuliere sector in ACS en EU en de instanties die bij de Overeenkomst zijn ingesteld;
  ii) analyse en periodieke verstrekking aan de betrokken instanties van gegevens over alle vraagstukken die verband houden met de betrekkingen tussen de particuliere sector in ACS en EU in het kader van de Overeenkomst, of meer in het algemeen met de economische betrekkingen tussen de Gemeenschap en de ACS-staten; en
  iii) analyse en periodieke verstrekking aan de betrokken instanties van gegevens over specifieke problemen van sectorale aard met betrekking tot onder meer regionale of subregionale bedrijfstakken of producttypen.

Artikel 76 Financiering en ondersteuning van investeringen.
  1. De samenwerking voorziet in langlopende financiële middelen, met inbegrip van risicodragend kapitaal, teneinde de groei in de particuliere sector te helpen stimuleren en binnenlands en buitenlands kapitaal voor dit doel te helpen mobiliseren. Daartoe worden in het kader van de samenwerking voorzieningen getroffen voor :
  a) niet-terugvorderbare steun ten behoeve van financiële en technische bijstand ter ondersteuning van beleidshervorming, ontwikkeling van het menselijk potentieel, institutionele capaciteitsopbouw of andere vormen van institutionele steun voor specifieke investeringen, maatregelen ter vergroting van het concurrentievermogen van ondernemingen en ter versterking van de capaciteiten van particuliere financiële en niet-financiële tussenpersonen, vereenvoudiging en stimulering van investeringen en activiteiten ter verbetering van het concurrentievermogen;
  b) advies ten behoeve van het scheppen van een gunstig investeringsklimaat en een informatiebasis om kapitaalstromen te leiden en te stimuleren;
  c) risicodragend kapitaal voor investeringen in kapitaal of semikapitaal, garanties ter ondersteuning van binnenlandse en buitenlandse particuliere investeringen, alsmede leningen of kredietlijnen volgens de voorwaarden van bijlage II (Financieringsvoorwaarden) bij deze Overeenkomst; en
  d) leningen uit de eigen middelen van de Bank.
  2. Leningen uit de eigen middelen van de Bank worden verstrekt overeenkomstig haar statuten en de in bijlage II bij deze Overeenkomst genoemde voorwaarden en regelingen.

Artikel 77 Investeringsgaranties.
  1. Investeringsgaranties worden voor de ontwikkelingsfinanciering een steeds belangrijker instrument, omdat daarmede de aan een project verbonden risico's kunnen worden teruggedrongen en particuliere kapitaalstromen kunnen worden gestimuleerd. De samenwerking dient daarom de beschikbaarheid en het gebruik van risicoverzekering te bevorderen, teneinde met dit risicoverminderende instrument het vertrouwen van de investeerders in de ACS-staten te stimuleren.
  2. In het kader van de samenwerking worden garanties verstrekt en wordt door middel van garantiefondsen bijgedragen tot het dekken van de risico's van voor deze steun in aanmerking komende investeringen. Specifiek wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor :
  a) herverzekeringsregelingen om buitenlandse rechtstreekse investeringen van daarvoor in aanmerking komende investeerders te dekken : tegen juridische onzekerheid en de grote risico's van onteigening, beperkingen op de overdracht van deviezen, oorlog en binnenlandse onlusten en contractbreuk. Investeerders kunnen hun projecten verzekeren tegen elke mogelijke combinatie van de vier typen dekking;
  b) garantieprogramma's voor risicodekking, in de vorm van gedeeltelijke garanties voor de financiering van schulden. Zowel gedeeltelijke risicogaranties als gedeeltelijke kredietgaranties zijn beschikbaar; en
  c) nationale en regionale garantiefondsen, met medewerking van in het bijzonder binnenlandse financiële instellingen of investeerders, teneinde de ontwikkeling van de financiële sector te stimuleren.
  3. De samenwerking biedt tevens steun voor capaciteitsopbouw, institutionele steun en deelneming in de basisfinanciering van nationale en/of regionale initiatieven om de commerciële risico's voor investeerders te reduceren (onder meer garantiefondsen, regelgevende organen, arbitragemechanismen en rechtsstelsels om de bescherming te verbeteren van investeringen die bijdragen tot verbetering van het stelsel van exportkredieten).
  4. De samenwerking biedt deze steun op grond van de complementaire en toegevoegde waarde, voor particuliere en/of overheidsinitiatieven, en indien mogelijk in partnerschap met particuliere en/of overheidsorganisaties. In het kader van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering verrichten de ACS en de EG een gezamenlijke studie van het voorstel om een ACS-EG-Garantieagentschap in te stellen voor de verstrekking en het beheer van programma's voor investeringsgaranties.

Artikel 78 Bescherming van investeringen.
  1. De ACS-staten en de Gemeenschap en haar lidstaten, elk binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, bevestigen de noodzaak om de investeringen van elke partij op hun respectieve grondgebieden te bevorderen en te beschermen en onderstrepen dat daartoe in wederzijds belang overeenkomsten dienen te worden gesloten inzake bevordering en bescherming van investeringen, die ook als grondslag kunnen dienen voor verzekerings- en garantiestelsels.
  2. Teneinde meer Europese investeringen aan te trekken voor door de ACS-staten gestarte ontwikkelingsprojecten die voor hen van bijzonder belang zijn, kunnen de Gemeenschap en de lidstaten enerzijds en de ACS-staten anderzijds ook overeenkomsten sluiten betreffende specifieke projecten van wederzijds belang wanneer de Gemeenschap en Europese bedrijven in de financiering daarvan bijdragen.
  3. De partijen komen tevens overeen, met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en haar lidstaten, in de overeenkomsten inzake economisch partnerschap algemene beginselen inzake de bescherming en bevordering van investeringen op te nemen, overeenkomstig de beste resultaten die zijn overeengekomen in de desbetreffende internationale fora, dan wel bilateraal.

Titel 3. TECHNISCHE SAMENWERKING

Artikel 79 1. Technische samenwerking moet de ACS-staten helpen hun nationaal en regionaal menselijk potentieel beter te benutten en hun voor het succes van de ontwikkeling cruciale instellingen op duurzame wijze te ontwikkelen; middelen hiertoe zijn onder meer versterking van adviesbureaus en -organisaties in de ACS-staten, alsmede uitwisselingsregelingen voor adviseurs uit bedrijven in ACS en EU.
  2. Bovendien moet technische samenwerking een gunstige kostenbatenverhouding te zien geven, voldoen aan de behoeften waarvoor zij is opgezet, de overdracht van kennis vergemakkelijken en de nationale en regionale capaciteit versterken. De technische samenwerking moet bijdragen tot de verwezenlijking van de doeleinden van projecten en programma's, onder meer door versterking van de managementcapaciteit van de nationale en regionale ordonnateurs. De technische bijstand moet :
  a) vraaggestuurd opereren, wat wil zeggen dat bijstand uitsluitend wordt verleend op verzoek van de betrokken ACS-staat of ACS-staten en moet zijn aangepast aan de behoeften van de begunstigde;
  b) de inspanningen van de ACS-staten om hun behoeften te formuleren aanvullen en ondersteunen;
  c) worden onderworpen aan toezicht en follow-up teneinde de effectiviteit te waarborgen;
  d) bevorderen dat door deskundigen, adviesbureaus en instellingen voor onderwijs en onderzoek uit de ACS wordt geparticipeerd in door het Fonds gefinancierde opdrachten, en methoden vaststellen om gekwalificeerd nationaal en regionaal personeel te betrekken bij projecten van het Fonds;
  e) bevorderen dat nationaal leidinggevend personeel van de ACS in een adviserende functie wordt gedetacheerd bij een instelling van het eigen land, een buurland of een regionale organisatie;
  f) erop gericht zijn de beperkingen en mogelijkheden van het nationale en regionale arbeidspotentieel beter te onderkennen en een register op te stellen van deskundigen, consulenten en adviesbureaus in de ACS-staten die kunnen worden aangetrokken voor de uitvoering van door het Fonds gefinancierde projecten en programma's;
  g) technische bijstand tussen de ACS-staten onderling ondersteunen, ter bevordering van de uitwisseling tussen de ACS-staten van deskundigheid op het gebied van technische bijstand en management en van beroepsvaardigheden;
  h) voorzien in actieprogramma's voor de langetermijnontwikkeling van instellingen en menselijk potentieel als integrerend onderdeel van de planning van projecten en programma's, waarbij de financiële vereisten in acht moeten worden genomen;
  i) gericht zijn op versterking van het vermogen van de ACS-staten om de eigen expertise op te bouwen; en
  j) bijzondere aandacht schenken aan het uitbreiden van de mogelijkheden van de ACS-staten inzake planning, uitvoering en evaluatie van projecten en programma's en inzake budgetbeheer.
  3. Technische bijstand kan worden verleend op alle samenwerkingsterreinen binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst. De samenwerkingsactiviteiten moeten breed van toepassing en van opzet zijn en worden aangepast aan de behoeften van de ACS-staten.
  4. Technische samenwerking kan specifiek of algemeen zijn. Het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering stelt richtsnoeren op voor de tenuitvoerlegging van de technische samenwerking.

Artikel 80 Teneinde de uittocht van gekwalificeerd personeel uit de ACS-staten tegen te gaan, verleent de Gemeenschap desgewenst bijstand aan de ACS-staten om de terugkeer van in ontwikkelde landen verblijvende gekwalificeerde onderdanen van de ACS-staten te bevorderen, door middel van passende maatregelen om repatriëring te stimuleren.

Titel 4. PROCEDURES EN BEHEERSSYSTEMEN

Artikel 81 Procedures.
  De beheersprocedures moeten doorzichtig en gemakkelijk toe te passen zijn en moeten de decentralisatie van de taken en verantwoordelijkheden mogelijk maken. De tenuitvoerlegging van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking moet openstaan voor niet-overheidsactoren op gebieden waarop zij actief zijn. De gedetailleerde procedurele bepalingen voor de programmering, voorbereiding, tenuitvoerlegging en het beheer van de financiële en technische samenwerking zijn in bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer vastgelegd. De ACS-EU-Raad van Ministers kan deze bepalingen op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering opnieuw onderzoeken en wijzigen.

Artikel 82 Met de uitvoering belaste ambtenaren.
  Voor de tenuitvoerlegging van de financiële en technische samenwerking in het kader van deze Overeenkomst worden ambtenaren aangewezen die met de uitvoering daarvan zijn belast. Uitvoerige bepalingen in verband met de verantwoordelijkheden van de met de uitvoering belaste ambtenaren zijn in bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer vastgelegd.

Artikel 83 ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.
  1. De Raad van Ministers onderzoekt tenminste eenmaal per jaar of de doelstellingen van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering worden verwezenlijkt en tevens welke algemene en specifieke problemen zich daarbij voordoen. Te dien einde wordt in het kader van de Raad van Ministers een ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, hierna ACS-EG-Comité genoemd, opgericht.
  2. Het ACS-EG-Comité is onder meer met de volgende taken belast :
  a) ervoor zorgen dat de doelstellingen en beginselen van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering worden verwezenlijkt en vaststellen van algemene richtsnoeren voor de daadwerkelijke en tijdige tenuitvoerlegging daarvan;
  b) bestuderen van problemen die bij de tenuitvoerlegging van de activiteiten inzake ontwikkelingssamenwerking kunnen rijzen en voorstellen van passende maatregelen;
  c) herzien van de bijlagen bij de Overeenkomst om ervoor te zorgen dat zij voortdurend relevant blijven en aanbevelen van alle passende maatregelen aan de Raad van Ministers met het oog op de goedkeuring daarvan; en
  d) bestuderen van de activiteiten die in het kader van de Overeenkomst worden ontplooid ter verwezenlijking van de doelstellingen inzake het bevorderen van de ontwikkeling van de particuliere sector en particuliere investeringen en van de activiteiten van de Investeringsfaciliteit.
  3. Het ACS-EG-Comité vergadert om de drie maanden en bestaat op basis van pariteit uit door de Raad van Ministers aangewezen vertegenwoordigers van de ACS-staten en van de Gemeenschap of hun gemachtigden. Het komt tenminste eenmaal per jaar en telkens wanneer één der partijen daarom verzoekt, bijeen op het niveau van de ministers.
  4. De Raad van Ministers stelt het reglement van orde van het ACS-EG-Comité vast en met name de wijze van vertegenwoordiging en het aantal leden van het Comité, de wijze waarop zij hun besprekingen voeren en de wijze waarop het voorzitterschap wordt uitgeoefend.
  5. Het ACS-EG-Comité kan vergaderingen van deskundigen beleggen om de oorzaken te bestuderen van eventuele knelpunten of moeilijkheden die een doeltreffende tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking belemmeren. Deze deskundigen leggen het Comité aanbevelingen voor om deze knelpunten of moeilijkheden uit de weg te ruimen.

Paart 5. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MINST ONTWIKKELDE, NIET AAN ZEE GRENZENDE EN INSULAIRE ACSSTATEN

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 84 1. Om de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-staten in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de door de Overeenkomst geboden mogelijkheden en hun ontwikkelingstempo te versnellen, moet de samenwerking een speciale behandeling bieden voor de minst ontwikkelde ACS-landen en terdege rekening houden met de kwetsbaarheid van de niet aan zee grenzende en insulaire ACS-staten. Er moet bovendien rekening worden gehouden met de behoeften van landen waar conflicten hebben gewoed.
  2. Afgezien van de specifieke maatregelen en bepalingen voor de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire staten in de verschillende hoofdstukken van de Overeenkomst, wordt ten aanzien van deze groepen en de landen waar conflicten hebben gewoed bijzondere aandacht geschonken aan :
  a) de versterking van de regionale samenwerking;
  b) de vervoers- en communicatie-infrastructuur;
  c) de doelmatige exploitatie van de rijkdommen van de zee en de afzet van deze producten alsook, wat de niet aan zee grenzende landen betreft, de binnenvisserij;
  d) met betrekking tot de culturele aanpassing, aan het ontwikkelingspeil van deze landen en, bij de uitvoering, aan het sociale aspect van de aanpassing;
  e) de tenuitvoerlegging van voedselstrategieën en geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's.

Hoofdstuk 2. MINST ONTWIKKELDE ACSSTATEN

Artikel 85 1. Voor de minst ontwikkelde ACS-staten geldt een bijzondere behandeling teneinde hen te helpen de ernstige economische en sociale moeilijkheden die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.
  2. De lijst van minst ontwikkelde landen is in bijlage VI opgenomen. Deze lijst kan bij besluit van de Raad van Ministers worden gewijzigd :
  a) indien een derde land dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt, tot de Overeenkomst toetreedt; en
  b) indien de economische situatie van een van de ACS-staten een belangrijke en blijvende wijziging ondergaat waardoor deze staat bij de groep van minst ontwikkelde ACS-staten moet worden ingedeeld of zijn indeling bij deze groep niet langer verantwoord is.

Artikel 86 De bepalingen die voor de minst ontwikkelde ACS-staten zijn aangenomen, zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 29, 32, 35, 37, 56, 68, 84, 85.

Hoofdstuk 3. NIET AAN ZEE GRENZENDE ACSSTATEN

Artikel 87 1. Er worden specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de niet aan zee grenzende ACS-staten te steunen in hun streven de geografische moeilijkheden en belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.
  2. De lijst van niet aan zee grenzende ACS-staten is in bijlage VI opgenomen. Deze lijst kan bij besluit van de Raad van Ministers worden gewijzigd wanneer een derde land dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt, tot de Overeenkomst toetreedt.

Artikel 88 De bepalingen die voor de niet aan zee grenzende ACS-staten zijn aangenomen, zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 32, 35, 56, 68, 84, 87.

Hoofdstuk 4. INSULAIRE ACSSTATEN

Artikel 89 1. Er worden specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de insulaire ACS-staten te steunen in hun streven de natuurlijke en geografische moeilijkheden en andere belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.
  2. De lijst van insulaire ACS-staten is in bijlage VI opgenomen. Deze lijst kan bij besluit van de Raad van Ministers worden gewijzigd wanneer een derde land dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt, tot de Overeenkomst toetreedt.

Artikel 90 De bepalingen die zijn aangenomen voor de insulaire ACS-staten zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 32, 35, 56, 68, 84, 89.

Paart 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 91 Conflict tussen deze Overeenkomst en andere verdragen.
  Verdragen, overeenkomsten, akkoorden of regelingen van ongeacht welke vorm of aard tussen één of meer lidstaten van de Gemeenschap en een of meer ACS-staten mogen geen beletsel vormen voor de toepassing van de Overeenkomst.

Artikel 92 Betrokken gebieden.
  De Overeenkomst is, onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen inzake de betrekkingen tussen de ACS-staten en de Franse overzeese departementen, van toepassing, enerzijds, op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is en onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van de ACS-staten.

Artikel 93 Bekrachtiging en inwerkingtreding.
  1. De Overeenkomst wordt door de ondertekenende partijen bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke regels en procedures.
  2. De akten van bekrachtiging of goedkeuring van de Overeenkomst worden, wat de ACS-staten betreft, nedergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en, wat de Gemeenschap en de lidstaten betreft, bij het secretariaat-generaal van de ACS-staten. De secretariaten stellen de ondertekenende staten en de Gemeenschap hiervan onverwijld in kennis.
  3. De Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de akten van bekrachtiging van de lidstaten en van ten minste twee derde van de ACS-staten, alsmede de akte van goedkeuring van de Overeenkomst door de Gemeenschap, zijn nedergelegd.
  4. De ACS-staat die de in leden 1 en 2 bedoelde procedures op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst, zoals deze in lid 3 is vastgesteld, niet heeft voltooid, kan zulks slechts doen binnen 12 maanden na deze datum en onverminderd het bepaalde in lid 6.
  Voor dergelijke staten wordt de Overeenkomst van toepassing op de eerste dag van de tweede maand volgende op de voltooiing van deze procedures. Deze staten erkennen de geldigheid van elke maatregel die na de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan is genomen.
  5. In het reglement van orde van de bij de Overeenkomst opgerichte gezamenlijke instellingen wordt bepaald onder welke voorwaarden de vertegenwoordigers van de ondertekenende staten bedoeld in lid 4 als waarnemer in die instellingen zitting kunnen hebben.
  6. De Raad van Ministers kan besluiten speciale steun toe te kennen aan ACS-staten die de vorige ACS-EG-overeenkomsten hebben ondertekend en die door het ontbreken van normaal opgerichte overheidsinstellingen de Overeenkomst niet hebben kunnen ondertekenen of bekrachtigen. Deze steun kan betrekking hebben op institutionele opbouw en activiteiten in verband met de economische en sociale ontwikkeling, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de behoeften van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen. Dergelijke landen kunnen in dit verband een beroep doen op de middelen die in deel 4 van deze Overeenkomst voor financiële en technische samenwerking beschikbaar worden gesteld.
  In afwijking van lid 4, mogen de betrokken landen die de Overeenkomst hebben ondertekend de bekrachtigingsprocedures voltooien binnen de twaalf maanden na het herstel van de overheidsinstellingen.
  De betrokken landen die de Overeenkomst niet hebben ondertekend noch bekrachtigd kunnen door middel van de toetredingsprocedure bedoeld in artikel 94 tot de Overeenkomst toetreden.

Artikel 94 Toetreding.
  1. Ieder verzoek om toetreding tot de Overeenkomst van een onafhankelijke staat waarvan de structurele kenmerken en economische en sociale situatie vergelijkbaar zijn met die van de ACS-staten, wordt aan de Raad van Ministers voorgelegd.
  Indien het verzoek door de Raad van Ministers wordt goedgekeurd, treedt de betrokken staat tot de Overeenkomst toe door nederlegging van een akte van toetreding bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan het secretariaat van de ACS-staten en de lidstaten hiervan in kennis stelt. De Raad van Ministers kan de nodige wijzigingsmaatregelen nemen.
  De betrokken staat heeft dezelfde rechten en verplichtingen als de ACS-staten. Zijn toetreding mag geen afbreuk doen aan de voordelen die voor de ACS-staten welke de Overeenkomst hebben ondertekend, voortvloeien uit de bepalingen betreffende de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering. De Raad van Ministers kan de voorwaarden en specifieke regelingen vaststellen voor de toetreding van een afzonderlijke staat in een speciaal protocol dat een integrerend deel uitmaakt van de Overeenkomst.
  2. De Raad van Ministers wordt in kennis gesteld van ieder verzoek van een derde staat om toetreding tot een uit ACS-staten samengestelde economische groepering.
  3. De Raad van Ministers wordt in kennis gesteld van ieder verzoek van een derde staat om toe te treden tot de Europese Unie. Tijdens de onderhandelingen tussen de Unie en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de Gemeenschap de ACS-staten alle relevante informatie en de ACS-staten van hun kant stellen de Gemeenschap in kennis van hun problemen zodat zij daar ten volle rekening kan mee houden. Het secretariaat van de ACS-staten wordt door de Gemeenschap in kennis gesteld van elke toetreding tot de Europese Unie.
  Elke nieuwe lidstaat van de Europese Unie wordt vanaf de datum van zijn toetreding Partij bij de Overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de Akte van Toetreding. Indien de Akte van Toetreding tot de Unie niet voorziet in een dergelijke automatische toetreding van de lidstaat tot de Overeenkomst, treedt de betrokken lidstaat toe door nederlegging van een Akte van Toetreding bij het secretariaat-generaal van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan het secretariaat van de ACS-staten en de lidstaten daarvan in kennis stelt.
  De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe lidstaten tot deze Overeenkomst. De Raad van Ministers kan de nodige overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.

Artikel 95 Duur van de Overeenkomst en herzieningsclausule.
  1. De Overeenkomst wordt gesloten voor een periode van twintig jaar die aanvangt op 1 maart 2000.
  2. De financiële protocollen worden voor elke periode van vijf jaar vastgesteld.
  3. Uiterlijk 12 maanden vóór het verstrijken van elke periode van vijf jaar stellen de Gemeenschap en de lidstaten, enerzijds, en de ACS-staten, anderzijds, elkaar in kennis van de bepalingen van de Overeenkomst die zij met het oog op eventuele wijziging van deze Overeenkomst opnieuw willen bezien. Dit geldt echter niet voor de bepalingen inzake de economische en commerciële samenwerking waarvoor een speciale herzieningsprocedure is vastgesteld. Indien een Partij verzoekt bepalingen van de Overeenkomst opnieuw te bezien, beschikt de andere Partij in weerwil van bovengenoemde tijdslimiet over een termijn van twee maanden om te verzoeken ook andere bepalingen die verband houden met die waarvoor het eerste verzoek is ingediend, opnieuw te bezien.
  Tien maanden vóór het verstrijken van deze periode van vijf jaar openen de Partijen bij de Overeenkomst onderhandelingen om na te gaan welke wijzigingen eventueel moeten worden aangebracht in de bepalingen waarop de bedoelde kennisgeving betrekking heeft.
  Artikel 93 is ook van toepassing op de aangebrachte wijzigingen.
  De Raad van Ministers stelt eventueel de overgangsmaatregelen vast die met betrekking tot de gewijzigde bepalingen nodig zijn totdat deze in werking treden.
  4. Achttien maanden vóór het einde van de totale geldigheidsduur van de Overeenkomst openen de Partijen bij de Overeenkomst onderhandelingen om na te gaan door welke bepalingen hun betrekkingen nadien zullen worden geregeld.
  De Raad van Ministers stelt eventueel de overgangsmaatregelen vast die nodig zijn totdat de nieuwe Overeenkomst in werking treedt.

Artikel 96 Essentiële onderdelen : overlegprocedure en aangepaste maatregelen inzake mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat.
  1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term " Partij " verstaan de Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en iedere ACS-staat, anderzijds.
  2.
  a) Indien, ondanks de politieke dialoog die regelmatig tussen de Partijen plaatsvindt, een Partij van mening is dat de andere Partij een verplichting voortvloeiend uit de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat bedoeld in artikel 9, lid 2, niet is nagekomen, verstrekt zij, behalve in bijzondere dringende gevallen, de andere Partij en de Raad van Ministers alle terzake dienende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen. Met dit doel verzoekt zij de andere Partij om overleg te plegen over maatregelen die door de betrokken Partijen zijn genomen of moeten worden genomen om de situatie recht te zetten.
  Het overleg vindt plaats op het niveau en in de vorm die het meest geschikt wordt geacht om tot een oplossing te komen.
  Het overleg begint uiterlijk 15 dagen na de datum van het verzoek en de duur daarvan wordt, afhankelijk van de aard en ernst van de schending, met wederzijdse instemming vastgesteld. Het overleg duurt in geen geval langer dan 60 dagen.
  Indien het overleg niet tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing leidt, indien overleg wordt geweigerd of in bijzonder dringende gevallen kunnen passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden ingetrokken zodra de redenen ervoor hebben opgehouden te bestaan.
  b) Het begrip " bijzonder dringende gevallen " heeft betrekking op uitzonderlijke gevallen van bijzonder ernstige en flagrante schending van één van de essentiële onderdelen bedoeld in artikel 9, lid 2, die een onmiddellijke reactie vereisen.
  De Partij die gebruikmaakt van de procedure voor bijzonder dringende gevallen stelt de andere Partij en de Raad van Ministers afzonderlijk daarvan in kennis, behalve wanneer haar de tijd ontbreekt om dit te doen.
  c) De in dit artikel bedoelde " passende maatregelen " worden genomen in overeenstemming met het internationaal recht en staan in verhouding tot de schending. Bij de keuze van deze maatregelen dient voorrang te worden gegeven aan die maatregelen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren. Er is overeengekomen dat slechts in laatste instantie tot opschorting zal worden overgegaan.
  Indien in bijzonder dringende gevallen maatregelen worden genomen, worden deze onmiddellijk ter kennis gebracht van de andere Partij en de Raad van Ministers. Op verzoek van de betrokken Partij kan overleg worden gepleegd om de situatie grondig te onderzoeken en, indien mogelijk, tot een oplossing te komen. Dit overleg wordt gevoerd in overeenstemming met het bepaalde in de tweede en derde alinea sub a).

Artikel 97 Overlegprocedure en passende maatregelen inzake corruptie.
  1. De Partijen zijn van oordeel dat wanneer de Gemeenschap een belangrijke partner is uit een oogpunt van financiële steun aan het economisch en sectoraal beleid en de desbetreffende programma's, de Partijen overleg dienen te plegen in ernstige gevallen van corruptie.
  2. In dergelijke gevallen kan een Partij de andere Partij verzoeken overleg te plegen. Dit overleg begint uiterlijk 21 dagen na de datum van het verzoek en duurt niet langer dan 60 dagen.
  3. Indien het overleg niet tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing leidt of indien overleg wordt geweigerd, nemen de Partijen passende maatregelen. Het is in ieder geval in de eerste plaats de taak van de Partij waar zich ernstige gevallen van corruptie hebben voorgedaan om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de situatie onmiddellijk recht te zetten. De door een Partij genomen maatregelen moeten in verhouding staan tot de ernst van de situatie. Bij de keuze van die maatregelen moet voorrang worden gegeven aan die maatregelen die de toepassing van de Overeenkomst het minst verstoren. Er is overeengekomen dat slechts in laatste instantie tot opschorting zal worden overgegaan.
  4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term " Partij " verstaan de Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en iedere ACS-staat, anderzijds.

Artikel 98 Beslechting van geschillen.
  1. Ieder geschil betreffende de interpretatie of toepassing van deze Overeenkomst tussen één of meer lidstaten van de Gemeenschap enerzijds, en één of meer ACS-staten anderzijds, wordt aan de Raad van Ministers voorgelegd.
  In de periode tussen de vergaderingen van de Raad van Ministers, moeten dergelijke geschillen aan het Comité van Ambassadeurs worden voorgelegd.
  2.
  a) Indien de Raad van Ministers er niet in slaagt het geschil te beslechten, kan een van beide partijen verzoeken het geschil door middel van arbitrage te beslechten. Elke Partij stelt daartoe binnen dertig dagen na het verzoek om arbitrage een arbiter aan. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, kan één van de Partijen de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken de tweede arbiter aan te stellen.
  b) Beide arbiters stellen op hun beurt binnen dertig dagen een derde arbiter aan. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, kan één van de Partijen de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken de derde arbiter aan te stellen.
  c) Behoudens andersluidende beslissing van de arbiters wordt de procedure toegepast die is vastgelegd in het optionele arbitragereglement van het Permanent Hof van Arbitrage voor Internationale Organisaties en Staten. De besluiten van de arbiters worden binnen drie maanden met meerderheid van stemmen genomen.
  d) Elke Partij bij het geschil moet de vereiste maatregelen nemen om het besluit van de arbiters ten uitvoer te leggen.
  e) Voor de toepassing van deze procedure worden de Gemeenschap en de lidstaten geacht één Partij bij het geschil te vormen.

Artikel 99 Opzeggingsclausule.
  De Overeenkomst kan door de Gemeenschap en haar lidstaten ten aanzien van elke ACS-staat en door elke ACS-staat ten aanzien van de Gemeenschap en haar lidstaten worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden.

Artikel 100 Status van de teksten
  De protocollen en bijlagen die aan de Overeenkomst zijn gehecht maken daarvan een integrerend deel uit. De bijlagen nrs. II, III, IV en VI kunnen door de Raad van Ministers opnieuw worden onderzocht en al dan niet worden gewijzigd op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering.
  Deze Overeenkomst, opgesteld in twee exemplaren, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd in het archief van het secretariaat van de Raad van de Europese Unie en van het secretariaat van de ACS-Staten, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezenden aan de regeringen van de ondertekenende staten.
  Gedaan te Cotonou, de drieëntwintigste juni tweeduizend.
  Voor Zijne Majesteit de Koning der Belgen.
  Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

  BIJLAGEN.

Artikel N1 Bijlage 1. - Financieel protocol.
  (Voor het Protocol, zie %%2000-06-23/46%%).

Artikel N2 Bijlage 2. - Financieringsvoorwaarden.
  (Voor de Financieringsvoorwaarden, zie %%2000-06-23/47%%).

Artikel N3 Bijlage 3. - Institutionele ondersteuning COB en TCLP.
  (Voor de Institutionele Ondersteuning, zie %%2000-06-23/48%%).

Artikel N4 Bijlage 4. - Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer.
  (Voor de Procedures, zie %%2000-06-23/49%%).

Artikel N5 Bijlage 5. - Handelsregeling die tijdens de in artikel 37, lid 1, bedoelde voorbereidingsperiode van toepassing is.
  (Voor de Handelsregeling, zie %%2000-06-23/50%%).

Artikel N6 Bijlage 6. - Lijsten van de minst ontwikkelde, de niet aan zee grenzende en de insulaire ACS-Staten.
  (Voor de Lijsten, zie %%2000-06-23/51%%).

Artikel N7 Bijlage 7. - Slotakte.
  De gevolmachtigden van :
  ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN,
  DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,
  DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK,
  ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE,
  DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK,
  DE PRESIDENT VAN IERLAND,
  DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK,
  ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID VAN HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN,
  DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,
  DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND,
  DE REGERING VAN HET KONINKRIJK ZWEDEN,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND,
  Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de EUROPESE GEMEENSCHAP,
  van Kolen en Staal en bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna " de Gemeenschap " genoemd, wier staten hier na " de lidstaten " worden genoemd,
  en van de Raad van de Europese Unie en de Commissie van
  DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
  enerzijds,
  en de gevolmachtigden van
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ANGOLA,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN ANTIGUA EN BARBUDA,
  HET STAATSHOOFD VAN HET GEMENEBEST VAN DE BAHAMA'S,
  HET STAATSHOOFD VAN BARBADOS,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN BELIZE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK BENIN,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK BOTSWANA,
  DE PRESIDENT VAN BURKINA FASO,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK BOEROENDI,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK KAMEROEN,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK KAAPVERDIE,
  DE PRESIDENT VAN DE CENTRAAL-AFRIKAANSE REPUBLIEK,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK TSJAAD,
  DE PRESIDENT VAN DE ISLAMITISCHE BONDSREPUBLIEK DER COMOREN,
  DE PRESIDENT VAN DE DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK CONGO,
  DE REGERING VAN DE COOKEILANDEN,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK IVOORKUST,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK DJIBOUTI,
  DE REGERING VAN HET GEMENEBEST DOMINICA,
  DE PRESIDENT VAN DE DOMINICAANSE REPUBLIEK,
  DE PRESIDENT VAN DE STAAT ERITREA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK EQUATORIAAL-GUINEE,
  DE PRESIDENT VAN DE DEMOCRATISCHE FEDERALE REPUBLIEK ETHIOPIE,
  DE PRESIDENT VAN DE SOEVEREINE DEMOCRATISCHE REPUBLIEK FIJI,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK GABON,
  DE PRESIDENT EN HET STAATSHOOFD VAN DE REPUBLIEK GAMBIA, DU PRESIDENT ET DU CHEF D'ETAT DE LA REPUBLIQUE DE GAMBIE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK GHANA,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN GRENADA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK GUINEE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK GUINEE-BISSAU,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK GUYANA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK HAITI,
  HET STAATSHOOFD VAN JAMAICA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK KENIA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK KIRIBATI,
  ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN HET KONINKRIJK LESOTHO,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LIBERIA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MADAGASKAR,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MALAWI,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MALI,
  DE REGERING VAN DE REPUBLIEK DER MARSHALLEILANDEN,
  DE PRESIDENT VAN DE ISLAMITISCHE REPUBLIEK MAURITANIE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MAURITIUS,
  DE REGERING VAN DE FEDERALE STATEN VAN MICRONESIE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MOZAMBIQUE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK NAMIBIE,
  DE REGERING VAN DE REPUBLIEK NAURU,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK NIGER,
  HET HOOFD VAN DE FEDERALE REPUBLIEK NIGERIA,
  DE REGERING VAN NIUE,
  DE REGERING VAN DE REPUBLIEK PALAU,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DE ONAFHANKELIJKE STAAT PAPOEA-NIEUW-GUINEA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK RWANDA,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN SAINT KITTS EN NEVIS,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN SAINT LUCIA,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN SAINT VINCENT EN DE GRENADINES,
  HET STAATSHOOFD VAN DE ONAFHANKELIJKE STAAT SAMOA,
  DE PRESIDENT VAN DE DEMOCRATISCHE REPUBLIEK SAO TOME EN PRINCIPE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SENEGAL,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK DER SEYCHELLEN,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SIERRA LEONE,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DE SALOMONSEILANDEN,
  DE PRESIDENT VAN DE DEMOCRATISCHE REPUBLIEK SOMALIE,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ZUID-AFRIKA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SOEDAN,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,
  ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN HET KONINKRIJK ZWAZILAND,
  DE PRESIDENT VAN DE VERENIGDE REPUBLIEK TANZANIA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK TOGO,
  ZIJNE MAJESTEIT KONING TAUFA'AHAU TUPOU IV VAN TONGA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK TRINIDAD EN TOBAGO,
  HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN TUVALU,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OEGANDA,
  DE REGERING VAN DE REPUBLIEK VANUATU,
  DE REGERING VAN DE REPUBLIEK ZAMBIA,
  DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ZIMBABWE,
  wier Staten hierna " de ACS-Staten " worden genoemd,
  anderzijds,
  op 23 juni 2000 voor de ondertekening van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst te Cotonou bijeengekomen, hebben de volgende teksten goedgekeurd :
  De ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en de volgende bijlage en Protocollen :
  Bijlage I : Financieel Protocol
  Bijlage II : Financieringsvoorwaarden
  Bijlage III : Institutionele steun Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (CDE) en Technisch centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA)
  Bijlage IV : Procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer
  Bijlage V : Handelsregeling die in de in artikel 37, lid 1, genoemde voorbereidingsperiode van toepassing is
  Bijlage VI : Lijst van minst ontwikkelde insulaire en niet aan zee grenzende landen
  Protocol 1 : inzake werkingskosten van de gemeenschappelijke instellingen
  Protocol 2 : inzake voorrechten en immuniteiten
  Protocol 3 : inzake Zuid-Afrika
  De gevolmachtigden van de lid-Staten en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de ACS-Staten hebben de teksten van de hieronder genoemde en bij deze slotakte gevoegde verklaringen goedgekeurd :
  Verklaring I : Gemeenschappelijke Verklaring over de actoren van het partnerschap (Artikel 6)
  Verklaring II : Verklaring van de Commissie en de Raad van de Europese Unie over de clausule betreffende de terugkeer en terugname van illegale immigranten (Artikel 13 (5))
  Verklaring III : Gemeenschappelijke Verklaring over deelneming aan de Gemengde Parlementaire Vergadering (Artikel 17, lid 1)
  Verklaring IV : Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van het ACS-Secretariaat
  Verklaring V : Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van de gemeenschappelijke instellingen
  Verklaring VI : Verklaring van de Gemeenschap over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten
  Verklaring VII : Verklaring van de lidstaten over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten
  Verklaring VIII : Gemeenschappelijke Verklaring over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten
  Verklaring IX : Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 49, lid 2, inzake handel en milieu
  Verklaring X : Verklaring van de ACS-Staten over handel en milieu
  Verklaring XI : Gemeenschappelijke Verklaring over het culturele erfgoed van de ACS-Staten
  Verklaring XII : Verklaring van de ACS-Staten over de teruggave van cultuurgoederen
  Verklaring XIII : Gemeenschappelijke Verklaring over auteursrechten
  Verklaring XIV : Gemeenschappelijke Verklaring over regionale samenwerking en de meest afgelegen regio's (Artikel 28)
  Verklaring XV : Gemeenschappelijke Verklaring over toetreding
  Verklaring XVI : Gemeenschappelijke Verklaring over de toetreding van de in Deel Vier van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde landen en gebieden
  Verklaring XVII : Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 66 (schuldenverlichting) van de Overeenkomst
  Verklaring XVIII : Verklaring van de EU over het Financieel Protocol
  Verklaring XIX : Verklaring voor de Raad en de Commissie over het Programmeringsproces
  Verklaring XX : Gemeenschappelijke Verklaring over de gevolgen van schommelingen in de exportopbrengsten voor kwetsbare kleine, insulaire en niet aan zee grenzende ACS-Staten
  Verklaring XXI : Verklaring van de Gemeenschap over Bijlage IV, Artikel 3
  Verklaring XXII : Gemeenschappelijke Verklaring over de in artikel 1, lid 2, onder a) van Bijlage V bedoelde landbouwproducten
  Verklaring XXIII : Gemeenschappelijke Verklaring over toegang tot de markt in het kader van het EG-ACS-Partnerschap
  Verklaring XXIV : Gemeenschappelijke Verklaring over rijst
  Verklaring XXV : Gemeenschappelijke Verklaring over rum
  Verklaring XXVI : Gemeenschappelijke Verklaring over rund- en kalfsvlees
  Verklaring XXVII : Gemeenschappelijke Verklaring over de regelingen betreffende de toegang van de in artikel 1, lid 2, van Bijlage V genoemde producten uit de ACS-Staten tot de markten van de Franse overzeese departementen
  Verklaring XXVIII : Gemeenschappelijke Verklaring over toegang tot de markt in het kader van het EG-ACS-Partnerschap
  Verklaring XXIX : Gemeenschappelijke Verklaring over rijst
  Verklaring XXX : Verklaring van de ACS-Staten over Artikel 1 van Bijlage V
  Verklaring XXXI : Verklaring van de Gemeenschap over Artikel 5, lid 2, onder a), van Bijlage V
  Verklaring XXXII : Gemeenschappelijke Verklaring over non-discriminatie
  Verklaring XXXIII : Verklaring van de Gemeenschap over artikel 8, lid 3, van Bijlage V
  Verklaring XXXIV : Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 12 van Bijlage V
  Verklaring XXXV : Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 betreffende Artikel 7 van Bijlage V
  Verklaring XXXVI : Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 bij Bijlage V
  Verklaring XXXVII : Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 van Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten
  Verklaring XXXVIII : Verklaring van de Gemeenschap over Protocol 1 van Bijlage V inzake de reikwijdte van territoriale wateren
  Verklaring XXXIX : Verklaring van de ACS-Staten over Protocol 1 bij Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten
  Verklaring XL : Gemeenschappelijke Verklaring over de toepassing van de afwijkende waarderegel voor tonijn
  Verklaring XLI : Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 6, lid 11, van Protocol 1 bij Bijlage V
  Verklaring XLII : Gemeenschappelijke Verklaring over de oorsprongsregels : cumulatie met Zuid-Afrika
  Verklaring XLIII : Gemeenschappelijke Verklaring over Bijlage 2 bij Protocol 1 bij Bijlage V
  Gedaan te Cotonou, de drieëntwintigste juni tweeduizend.
  VERKLARING I. - Gemeenschappelijke Verklaring over de actoren van het partnerschap (Artikel 6).
  De partijen zijn het erover eens dat de omschrijving van de " civiele samenleving " (maatschappelijk middenveld) aanzienlijk kan verschillen al naar gelang de sociaal-economische en culturele omstandigheden van elk ACS-land. Zij gaan er evenwel van uit dat onder meer de volgende organisaties onder deze omschrijving kunnen vallen : organisaties en instanties voor de mensenrechten, organisaties van niet-deskundigen, vrouwenorganisaties, jeugdverenigingen, organisaties voor kinderbescherming, milieugroeperingen, boerenbonden, consumentenverenigingen, religieuze organisaties, structuren ter bevordering van de ontwikkeling (NGO's, onderwijs- en onderzoekinstellingen), culturele verenigingen en de media.
  VERKLARING II. - Verklaring van de Commissie en de Raad van de Europese Unie over de clausule betreffende de terugkeer en terugname van illegale immigranten (Artikel 13, lid 5).
  Artikel 13, lid 5, doet geen afbreuk aan de interne scheiding van de machten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten wat de sluiting van terugname-overeenkomsten betreft.
  VERKLARING III. - Gemeenschappelijke Verklaring over deelneming aan de Gemengde Parlementaire Vergadering (Artikel 17, lid 1).
  De partijen bij de overeenkomst bevestigen de rol van de Gemengde Parlementaire Vergadering bij de bevordering en verdediging van democratische processen door middel van een dialoog tussen parlementsleden, en stemmen ermee in dat vertegenwoordigers die geen parlementsleden zijn, als in Artikel 17 bepaald, uitsluitend in buitengewone omstandigheden aan de vergadering mogen deelnemen. Een dergelijke deelname is uitsluitend toegestaan indien de Gemengde Parlementaire Vergadering voor elke sessie toestemming heeft verleend.
  VERKLARING IV. - Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van het ACS-Secretariaat.
  De Gemeenschap zal bijdragen aan de werkingskosten van het ACS-Secretariaat waartoe zij intra-ACS-samenwerkingsmiddelen zal aanwenden.
  VERKLARING V. - Verklaring van de Gemeenschap over de financiering van de gemeenschappelijke instellingen.
  De Gemeenschap is zich ervan bewust dat de uitgaven voor tolken op vergaderingen en voor de vertaling van documenten voornamelijk uitgaven zijn voor haar eigen behoeften en is daarom bereid deze uitgaven op zich te nemen, zoals ook in het verleden is gebeurd, zowel voor vergaderingen van de instellingen van de Overeenkomst in een lidstaat als voor vergaderingen in een ACS-Staat.
  VERKLARING VI. - Verklaring van de Gemeenschap over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten.
  Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten is vanuit het standpunt van het internationale recht een multilateraal besluit. Mochten echter in de gaststaat problemen rijzen betreffende de toepassing van dit Protocol, dan dienen deze door middel van een bilaterale overeenkomst met die staat te worden geregeld.
  De Gemeenschap heeft nota genomen van de verzoeken van de ACS-Staten om enkele bepalingen van Protocol 2 te wijzigen, met name wat de status betreft van het personeel van het ACS-Secretariaat, het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven (CDE) en het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA).
  De Gemeenschap is bereid naar wederzijds aanvaardbare oplossingen te zoeken ten aanzien van de verzoeken van de ACS-Staten om bovenbedoeld afzonderlijk rechtsinstrument vast te stellen.
  In dit verband zal het gastland, zonder afbreuk te doen aan de voordelen waarvoor het ACS-Secretariaat, het CDE, het CTA en hun personeel momenteel in aanmerking komen :
  1) begrip tonen voor de interpretatie van het begrip " hoger personeel ", hetgeen betekent dat een interpretatie van dit begrip in onderling overleg zal worden vastgesteld;
  2) de bevoegdheden erkennen die de Voorzitter van de Raad van ACS-Ministers aan de Voorzitter van het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs heeft gedelegeerd ter vereenvoudiging van de toepassing van Artikel 9 van het Protocol;
  3) het personeel van het ACS-Secretariaat, het CDE en het CTA faciliteiten verlenen om hun eerste installatie in het gastland te vergemakkelijken;
  4) op passende wijze belastinggerelateerde vraagstukken onderzoeken betreffende het ACS-Secretariaat, het CDE, het CTA en hun personeel.
  VERKLARING VII. - Verklaring van de lidstaten over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten.
  De lidstaten streven ernaar, in het kader van hun wetgeving, de bewegingen binnen hun gebied van de bij de Gemeenschap geaccrediteerde ACS-diplomaten, de leden van het in artikel 7 van Protocol 2 bedoelde ACS-Secretariaat en van het hogere ACS-personeel van het CDE en het CTA bij de uitoefening van hun officiële functies te vergemakkelijken. De namen en functies van de leden van het ACS-Secretariaat worden overeenkomstig artikel 9 van genoemd Protocol bekendgemaakt.
  VERKLARING VIII. - Gemeenschappelijke Verklaring over het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten.
  Binnen het kader van hun wetgeving verlenen de ACS-Staten de delegaties van de Commissie voorrechten en immuniteiten die gelijk zijn aan die welke aan diplomatieke missies worden verleend, zodat deze delegaties de hen krachtens de Overeenkomst toegekende functies op correcte en doelmatige wijze kunnen vervullen.
  VERKLARING IX. - Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 49, lid 2, inzake handel en milieu.
  Daar de partijen bij de overeenkomst zich ten zeerste bewust zijn van de bijzondere risico's die aan radioactief afval zijn verbonden, zullen zij zich onthouden van het storten van dergelijk afval op een wijze die inbreuk zou maken op de soevereiniteit van staten of de volksgezondheid in andere landen in gevaar zou brengen. Zij hechten het grootste belang aan de ontwikkeling van een internationale samenwerking om het milieu en de volksgezondheid tegen dergelijke risico's te beschermen. Zij bevestigen vastberaden te zijn een actieve rol te spelen bij de werkzaamheden van de IAEA om een internationaal erkende gedragscode tot stand te brengen.
  In Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap wordt onder " radioactief afval " materiaal verstaan dat radionucliden bevat of door radionucliden is gecontamineerd en dat niet voor verder gebruik is bestemd. De richtlijn is van toepassing op het vervoer van radioactief materiaal tussen de lidstaten en vanuit en naar de Gemeenschap wanneer het om hoeveelheden en concentraties gaat die de in artikel 3, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 96/29/Euratom van 13 mei 1996 vermelde niveaus overschrijden. De vermelde niveaus zijn basisveiligheidsnormen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking in het algemeen en van personen die met bedoelde stoffen werken tegen de gevaren van ioniserende straling.
  Op het vervoer van radioactief afval is een systeem van voorafgaande vergunning van toepassing dat is omschreven in Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap. Volgens artikel 11, lid 1, onder b), van deze richtlijn geven de bevoegde autoriteiten van een lidstaat geen vergunning af voor het vervoer van radioactief afval naar een staat buiten de Gemeenschap die partij is bij de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst, waarbij echter rekening wordt gehouden met artikel 14. De Gemeenschap ziet erop toe dat artikel 11 van Richtlijn 92/3/Euratom in die zin zal worden herzien dat het betrekking heeft op alle partijen bij de huidige overeenkomst die geen lid van de Gemeenschap zijn. Tot dat ogenblik zal de Gemeenschap handelen alsof de overeenkomst reeds op die partijen van toepassing is.
  De partijen bij de Overeenkomst stellen alles in het werk om het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, alsmede de wijziging van 1995 op dit verdrag als vastgelegd in Besluit III/1, zo spoedig mogelijk te ondertekenen en te ratificeren.
  VERKLARING X. - Verklaring van de ACS-Staten over handel en milieu.
  De ACS-Staten zijn ernstig bezorgd over milieuproblemen in het algemeen en het grensoverschrijdende verkeer van gevaarlijk, nucleair en andere radioactief afval in het bijzonder.
  Bij de interpretatie en toepassing van artikel 32, lid 1, onder d), van de Overeenkomst hebben de ACS-Staten verklaard vastbesloten te zijn zich te laten leiden door de beginselen en bepalingen van de Resolutie van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid inzake de Beheersing van het grensoverschrijdende verkeer en de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen in Afrika die in document AHG 182 (XXV) is opgenomen.
  VERKLARING XI. - Gemeenschappelijke Verklaring over het culturele erfgoed van de ACS-Staten.
  1. De partijen bij de overeenkomst geven uitdrukking aan hun gemeenschappelijke wil om het culturele erfgoed van elk ACS-land op internationaal, bilateraal en particulier niveau en in het kader van onderhavige overeenkomst te bewaren en te verrijken.
  2. De partijen bij de overeenkomst erkennen dat geschiedkundigen en onderzoekers uit de ACS-Staten toegang moeten hebben tot archieven ter bevordering van de informatie-uitwisseling over het culturele erfgoed van de ACS-Staten.
  3. Zij erkennen het nut van het verlenen van bijstand voor passende activiteiten, met name op het gebied van de opleiding, voor het behoud, de bescherming en het tentoonstellen van culturele eigendommen, monumenten en voorwerpen, met inbegrip van het uitvaardigen en toepassen van wetgeving terzake.
  4. Zij onderstrepen het belang van gemeenschappelijke culturele activiteiten, de vergemakkelijking van de mobiliteit van ACS- en Europese kunstenaars, alsmede de uitwisseling van voorwerpen die symbolisch zijn voor hun cultuur en beschaving om zodoende meer begrip en solidariteit tussen de bevolkingsgroepen te verkrijgen.
  VERKLARING XII. - Verklaring van de ACS-Staten over de teruggave van cultuurgoederen.
  De ACS-Staten dringen er bij de Gemeenschap en haar lidstaten op aan, daar deze het wettelijke recht van de ACS-Staten op culturele identiteit erkennen, stappen te ondernemen om uit de ACS-Staten weggenomen cultuurgoederen die zich nu in de lidstaten bevinden, terug te geven.
  VERKLARING XIII. - Gemeenschappelijke Verklaring over auteursrechten.
  De partijen bij de overeenkomst erkennen dat de bevordering van de bescherming van auteursrechten deel uitmaakt van de culturele samenwerking die ten doel heeft alle vormen van menselijke expressie te bevorderen. Voorts is een dergelijke bescherming een eerste vereiste om productie-, verspreidings- en publicatieactiviteiten te ontwikkelen.
  Dienovereenkomstig zullen de beide partijen in het kader van de culturele samenwerking tussen de ACS-Staten en de EG de eerbiediging van de auteursrechten en naburige rechten trachten te bevorderen.
  In dit kader en overeenkomstig de in de overeenkomst neergelegde regels en procedures kan de Gemeenschap financiële en technische steun verlenen voor de verspreiding van informatie over auteursrechten, de opleiding van bedrijven op het gebied van de bescherming van die rechten en het opstellen van nationale wetgeving voor een betere bescherming van die rechten.
  VERKLARING XIV. - Gemeenschappelijke Verklaring over regionale samenwerking en de meest afgelegen regio's (Artikel 28).
  De verwijzing naar de meest afgelegen regio's hebben betrekking op de Spaanse autonome gemeenschap van de Canarische eilanden, de vier Franse overzeese departementen, namelijk Guadeloupe, Guyana, Martinique en Réunion, en de Portugese autonome regio's van de Azoren en Madeira.
  VERKLARING XV. - Gemeenschappelijke Verklaring over toetreding.
  Toetreding van een derde staat tot deze overeenkomst geschiedt overeenkomstig artikel 1 en de doelstellingen van artikel 2 die de ACP-Groep in de in november 1992 gewijzigde Overeenkomst van Georgetown heeft laten opnemen.
  VERKLARING XVI. - Gemeenschappelijke Verklaring over de toetreding van de in Deel Vier van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde landen en gebieden.
  De Gemeenschap en de ACS-Staten zijn bereid de in Deel Vier van het Verdrag bedoelde landen en gebieden die onafhankelijk zijn geworden toe te staan tot deze overeenkomst toe te treden indien zij hun betrekkingen met de Gemeenschap in deze vorm wensen te handhaven.
  VERKLARING XVII. - Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 66 (schuldenverlichting) van de Overeenkomst.
  De partijen zijn het eens over de volgende beginselen :
  a) op langere termijn zullen de partijen trachten het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast te verbeteren en zullen zij een verdieping, verbreding en versnelling van de schuldenverlichting voor de ACS-Staten nastreven;
  b) de partijen zullen tevens trachten steunmechanismen voor schuldenverlichting te mobiliseren en vast te stellen ten behoeve van ACS-Staten die nog niet voor het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast in aanmerking komen.
  VERKLARING XVIII. - Verklaring van de EU over het Financieel Protocol.
  Binnen het totaalbedrag van EUR 13 500 miljoen van het Negende EOF zal EUR 12 500 miljoen onmiddellijk beschikbaar worden gesteld zodra het Financieel Protocol in werking treedt. De resterende EUR 1 000 miljoen zal worden vrijgegeven op grond van de in punt 7 van het Financiële Protocol genoemde evaluatie van de resultaten die in 2004 zal worden uitgevoerd.
  Bij de beoordeling van de behoeften aan nieuwe middelen zal geheel en al rekening worden gehouden met deze evaluatie en de uiterste datum waarop betalingsverplichtingen uit het Negende EOF kunnen worden aangegaan.
  VERKLARING XIX. - Verklaring door de Raad en de Commissie over het Programmeringsproces.
  De Gemeenschap en haar lidstaten verklaren nogmaals dat zij belang hechten aan de overeenkomst inzake een hervorming van het programmeringsproces voor de tenuitvoerlegging van bijstand uit het Negende EOF.
  De Gemeenschap en haar lidstaten zijn van oordeel dat een correct toegepast controlemechanisme het belangrijkste instrument is voor een geslaagde programmering. Door de controles waarover ten behoeve van de implementatie van EOF 9 overeenstemming is bereikt, is de continuïteit van het programmeringproces gewaarborgd, terwijl ook de landenondersteuningsstrategie aan de hand van deze controles regelmatig kan worden bijgesteld in overeenstemming met de behoeften en de prestaties van de betrokken ACS-Staat.
  Om de voordelen van de controles geheel te kunnen benutten en de doelmatigheid van het programmeringproces te waarborgen, verklaren de Gemeenschap en haar lidstaten nogmaals dat zij zich ertoe verbonden hebben zich aan de volgende beginselen te houden :
  De controles moeten zoveel mogelijk in de betrokken ACS-Staat worden uitgevoerd. Dit doet echter geen afbreuk aan het recht van de lidstaten of de diensten van de Commissie het programmeringproces te volgen of zich in dit proces te mengen indien zij dit dienstig achten.
  Er mag niet worden afgeweken van de termijnen die voor de voltooiing van de controles zijn vastgesteld.
  De controles zijn geen geïsoleerd evenement in het programmeringproces. De controles zijn als beheerinstrumenten te beschouwen die ook rekening houden met de resultaten van de regelmatige (maandelijkse) dialoog tussen de Nationale Ordonnateur en het Hoofd van de Delegatie van de Commissie.
  De controles mogen de administratieve werklast van een van de partijen niet zwaarder maken. De procedures en verslaggeving in verband met het programmeringproces moeten daarom op gedisciplineerde wijze verlopen. Te dien einde zal de rol van de lidstaten en van de Commissie in het besluitvormingsproces regelmatig aan een onderzoek worden onderworpen en zo nodig aangepast.
  VERKLARING XX. - Gemeenschappelijke Verklaring over de gevolgen van schommelingen in de exportopbrengsten voor kwetsbare kleine, insulaire en niet aan zee grenzende ACS-Staten.
  De partijen hebben nota genomen van de bezorgdheid van de ACS-Staten dat het mechanisme voor aanvullende steun geen voldoende bescherming zal bieden tegen de gevolgen van schommelingen in de exportopbrengsten van kwetsbare kleine, insulaire en niet aan zee grenzende staten waarvan de exportopbrengsten sterk schommelen.
  De partijen komen overeen de wijze waarop dit mechanisme functioneert vanaf het tweede werkingsjaar op verzoek van een of meer ACS-Staten die problemen hebben ondervonden, op grond van een voorstel van de Commissie te onderzoeken om zo nodig een oplossing te vinden voor de nadelige gevolgen van de schommelingen.
  VERKLARING XXI. - Verklaring van de Gemeenschap over Bijlage IV, Artikel 3.
  De in Bijlage IV, artikel 3, bedoelde kennisgeving van het indicatieve bedrag is niet van toepassing op ACS-Staten waarmee de Gemeenschap haar samenwerking heeft geschorst.
  VERKLARING XXII. - Gemeenschappelijke verklaring over de in artikel 1, lid 2, onder a) van bijlage V bedoelde landbouwproducten.
  De partijen bij de overeenkomst hebben er nota van genomen dat de Gemeenschap voornemens is de in de bijlage vermelde maatregelen te nemen en die op de datum van ondertekening van de overeenkomst worden vastgesteld ten einde de ACS-Staten de in artikel 1, lid 2, onder a) bedoelde preferentiële regeling voor bepaalde landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten toe te kennen.
  Zij hebben nota genomen van de verklaring van de Gemeenschap dat deze alle nodige maatregelen zal nemen om te bewerkstelligen dat de overeenkomstige landbouwverordeningen op tijd worden vastgesteld en zo veel mogelijk tezelfdertijd in werking treden als de interimovereenkomsten die zullen worden ingevoerd na de ondertekening van de Overeenkomst die in de plaats treedt van de op 15 december 1989 te Lomé ondertekende Vierde ACS-EG-Overeenkomst.
  Preferentiële regeling voor landbouwproducten en voedingsmiddelen uit de ACS-Staten
  (Regeling niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 28-03-2003, p. 15656-15723).
  VERKLARING XXIII. - Gemeenschappelijke Verklaring over toegang tot de markt in het kader van het EG-ACS-Partnerschap.
  De partijen aanvaarden het feit dat beide zijden verwachten deel te nemen aan de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van multilaterale en bilaterale overeenkomsten voor een verdergaande handelsliberalisering.
  De partijen nemen nota van de toezegging van de Gemeenschap de minst ontwikkelde landen vanaf 2005 voor nagenoeg alle producten vrije toegang tot haar markt te verlenen.
  Tevens erkennen zij, wat de preferentiële toegang van de ACS-Staten tot de markt van de Gemeenschap betreft, dat een verdere liberalisering tot een verslechtering van de relatieve concurrentiepositie van de ACS-Staten zou kunnen leiden en dus ten koste van hun ontwikkeling zou kunnen gaan, terwijl de Gemeenschap deze toch tracht te steunen.
  De partijen komen derhalve overeen alle nodige maatregelen te onderzoeken om de concurrentiepositie van de ACS-Staten op de markt van de Gemeenschap in de voorbereidingsperiode te handhaven. Dit onderzoek kan onder meer betrekking hebben op tijdschema's, oorsprongsregels, sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de toepassing van bijzondere maatregelen om aanbodproblemen in de ACS-Staten op te lossen. Doel van dit onderzoek is het de ACS-Staten mogelijk te maken te profiteren van hun bestaande en potentiële comparatieve voordeel op de EG-markt. Hun verplichtingen tot medewerking in het kader van de WTO in aanmerking genomen, komen de partijen overeen dat bij dit onderzoek ook rekening zal worden gehouden met een eventuele uitbreiding van de handelsvoordelen die lidstaten ontwikkelingslanden in het kader van de WTO kunnen aanbieden.
  Te dien einde dient het Gemengde Ministeriële Handelscomité aanbevelingen te doen op grond van een eerste onderzoek dat de Commissie en het ACS-Secretariaat zullen voorbereiden. De EG-Raad zal deze aanbevelingen op grond van een voorstel van de Commissie onderzoeken, waarbij hij ernaar zal streven de voordelen van de ACS-EG-handelsregeling te handhaven.
  De Raad van de Europese Unie van zijn kant wijst op zijn verplichting rekening te houden met de gevolgen van door de EG te sluiten overeenkomsten of door de EG te nemen maatregelen voor de handel tussen de ACS-Staten en de EG. Hij verzoekt de Commissie stelselmatig tot een evaluatie van deze gevolgen over te gaan.
  Bij het nemen van de maatregelen voor de voorbereidingsperiode zal rekening worden gehouden met het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de Gemeenschap.
  Het Gemengde Ministeriële Handelscomité houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van deze verklaring en zal de nodige verslagen uitbrengen bij de Raad van Ministers.
  VERKLARING XXIV. - Gemeenschappelijke verklaring over rijst.
  1. De partijen erkennen het belang van rijst voor de economische ontwikkeling van een aantal ACS-Staten in termen van werkgelegenheid, deviezen en sociale en politieke stabiliteit.
  2. Zij erkennen voorts het belang van de markt van de Gemeenschap als afzetgebied voor rijst. De Gemeenschap wijst er nogmaals op dat zij het concurrentievermogen en de doelmatigheid van de rijstsector van de ACS-Staten zal helpen bevorderen teneinde een vitale en duurzame bedrijfstak in stand te houden, hetgeen bij zal dragen tot een soepele integratie van de ACS-Staten in de wereldeconomie.
  3. De Gemeenschap is bereid voldoende middelen te verstrekken om in de voorbereidingsperiode, in overleg met de betrokken ACS-sector, een geïntegreerd sectorspecifiek programma te financieren ter ontwikkeling van de rijstexport van de ACS-Staten, welk programma met name maatregelen op de volgende gebieden zou kunnen inhouden :
  verbetering van de productievoorwaarden en van de kwaliteit door middel van acties op het gebied van onderzoek, het oogsten en op- en overslag;
  vervoer en opslag;
  verbetering van het concurrentievermogen van bestaande rijstexporteurs;
  hulp aan rijstproducenten in de ACS-Staten zodat deze kunnen voldoen aan de milieunormen, de normen op het gebied van afvalbeheer en de andere normen die op de internationale markten, waaronder die van de Gemeenschap, van toepassing zijn;
  marketing en handelsbevordering;
  programma's ter ontwikkeling van bijproducten met toegevoegde waarde.
  Dit pakket maatregelen zal in de rijstexporterende ACS-Staten op nationale basis worden gefinancierd in onderling overleg tussen beide partijen en door middel van sectorspecifieke programma's die in overeenstemming zijn met de programmeringsvoorschriften en -methoden. Op korte termijn geschiedt financiering uit niet-toegewezen EOF-middelen na een besluit van de Raad van Ministers.
  4. De partijen wijzen er nogmaals op dat zij nauw zullen samenwerken om te bewerkstelligen dat de ACS-Staten ten volle van de preferentiële regeling van de Gemeenschap voor ACS-rijst kunnen profiteren. Zij zijn het eens over het belang van een doelmatige en doorzichtige uitvoer van rijst van ACS-oorsprong naar de Gemeenschap.
  5. De Gemeenschap zal de toestand van de rijstsector van de ACS-Staten na de inwerkingtreding van de overeenkomst onderzoeken in het licht van eventuele wijzigingen op de markt van de Gemeenschap voor rijst. Te dien einde komen de partijen overeen met de ACS-Staten en vertegenwoordigers van de betrokken sector een gemeenschappelijke werkgroep op te richten die eens per jaar bijeen zal komen. De Gemeenschap verplicht zich er voorts toe de ACS-Staten over bilaterale of multilaterale besluiten te raadplegen die gevolgen kunnen hebben voor de concurrentiepositie van de ACS-rijst op de markt van de Gemeenschap.
  VERKLARING XXV. - Gemeenschappelijke Verklaring over rum.
  De partijen erkennen het belang van de rumsector voor de economische en sociale ontwikkeling van verscheidene ACS-landen en regio's en het grote aandeel van deze sector in de werkgelegenheid, de exportopbrengsten en de overheidsinkomsten. Zij erkennen dat rum een verwerkt ACS-landbouwproduct met toegevoegde waarde is dat, na de nodige inspanningen, op wereldniveau kan concurreren. Zij erkennen daarom dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om een einde te maken aan het concurrentienadeel waaronder ACS-producenten momenteel te lijden hebben. Zij wijzen in dit verband naar de Verklaring van de Raad en de Commissie van 24 maart 1997 waarin deze toezeggen bij toekomstige onderhandelingen en regelingen over de rumsector ten volle rekening te houden met de gevolgen van de overeenkomst tussen de EG en de VS van dezelfde datum het recht op bepaalde alcoholhoudende dranken af te schaffen. Zij erkennen voorts de dringende behoefte van ACS-producenten minder afhankelijk te worden van de grondstoffenmarkt voor rum.
  De partijen komen daarom overeen dat de rumsector in de ACS-Staten snel ontwikkeld moet worden zodat rumexporteurs in die staten op de markt voor alcoholhoudende dranken van de Gemeenschap en op internationale markten kunnen concurreren. Te dien einde worden de volgende maatregelen genomen :
  1) Rum, arak en tafia, ingedeeld onder GS-code 2208 40, van oorsprong uit de ACS-Staten, worden op grond van de huidige overeenkomst en de daarvoor in de plaats tredende overeenkomst vrij van rechten en zonder kwantitatieve beperkingen ingevoerd.
  2) De Gemeenschap verbindt zich ertoe zorg te dragen voor een eerlijke concurrentie op haar markt en erop toe te zien dat ACS-rum niet wordt benadeeld of gediscrimineerd ten opzichte van rum uit andere derde landen.
  3) De Gemeenschap zal bij het onderzoek van aanvragen om afwijkingen van het bepaalde in artikel 14, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1576/89 van de Raad van 29 maart 1989 overleg plegen en rekening houden met de bijzondere belangen van de ACS-landen.
  4) De Gemeenschap is bereid voldoende middelen te verschaffen om tijdens de voorbereidingsperiode, in overleg met de betrokken ACS-sector, een geïntegreerd sectorspecifiek programma te financieren voor de ontwikkeling van de uitvoer van rum uit de ACS-Staten, dat met name uit de volgende maatregelen kan bestaan :
  verbetering van het concurrentievermogen van de reeds aanwezige rumexporteurs;
  hulp bij het creëren van rummerken per ACS-regio of -land;
  bijstand bij de opzet en uitvoering van marketingcampages;
  bijstand aan rumproducenten in de ACS-Staten, zodat deze aan milieunormen en normen op het gebied van het afvalbeheer en andere internationale normen, waaronder die van de Gemeenschap, kunnen voldoen;
  bijstand aan de rumsector zodat deze niet slechts rum in bulk produceert voor de grondstoffenmarkt, maar ook actief wordt op de markt voor duurdere rumproducten met merknaam.
  Dit pakket maatregelen zal op nationale en regionale basis worden gefinancierd, in overleg tussen beide partijen, door middel van sectorspecifieke programma's die in overeenstemming zijn met de programmeringsvoorschriften en -methoden. Op korte termijn geschiedt financiering uit niet-toegewezen EOF-middelen na een besluit van de Raad van Ministers.
  5) De Gemeenschap verbindt zich ertoe de gevolgen te onderzoeken van de indexering van het in het Memorandum van Overeenstemming inzake rum opgenomen prijspunt, waarop rechten worden toegepast indien de rum niet uit een ACS-Staat komt. (Genoemd memorandum maakt deel uit van de overeenkomst inzake witte alcoholhoudende dranken van maart 1997.) Zij zal in dit verband zo nodig passende maatregelen nemen.
  6) De Gemeenschap verbindt zich ertoe over bijzondere, uit deze verbintenissen voortvloeiende kwesties, overleg te plegen met de ACS in een Gemengde Werkgroep die regelmatig bijeen zal komen. De Gemeenschap verbindt zich er voorts toe de ACS-Staten te raadplegen over bilaterale of multilaterale besluiten, met inbegrip van besluiten over de vermindering van douanerechten en de uitbreiding van de Gemeenschap, die van invloed kunnen zijn op de concurrentiepositie van ACS-rum in de Gemeenschap.
  VERKLARING XXVI. - Gemeenschappelijke Verklaring over rund- en kalfsvlees.
  1. De Gemeenschap verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de ACS-Staten die begunstigde zijn van het Protocol inzake rund- en kalfsvlees, de voordelen van dit protocol geheel en al kunnen benutten. Te dien einde verbindt zij zich ertoe de bepalingen van dit protocol door de tijdige opstelling van passende regels en procedures ten uitvoer te leggen.
  2. De Gemeenschap verbindt zich er voorts toe het protocol op zodanige wijze ten uitvoer te leggen dat de ACS-Staten hun rund- en kalfsvlees het gehele jaar door zonder onnodige beperkingen kunnen afzetten. Voorts zal de EG de exporteurs van rund- en kalfsvlees in de ACS-Staten bijstand verlenen bij het verbeteren van hun concurrentievermogen door, onder meer, oplossingen aan te bieden voor aanbodproblemen, zulks volgens de in de overeenkomst omschreven ontwikkelingsstrategieën en in het kader van de nationale en regionale indicatieve programma's.
  3. De Gemeenschap zal de verzoeken van de minst ontwikkelde ACS-Staten om hun rund- en kalfsvlees op preferentiële voorwaarden uit te voeren onderzoeken in het licht van de acties die zij voornemens is te ondernemen op grond van het Geïntegreerde Kader voor de Minst ontwikkelde Landen van de WTO.
  VERKLARING XXVII. - Gemeenschappelijke Verklaring over de regelingen betreffende de toegang van de in artikel 1, lid 2, van Bijlage V genoemde producten uit de ACS-Staten tot de markten van de Franse overzeese departementen.
  De partijen bij de overeenkomst bevestigen dat de bepalingen van Bijlage V van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de Franse overzeese departementen en de ACS-Staten.
  De Gemeenschap heeft tijdens de looptijd van de overeenkomst het recht de regelingen betreffende de toegang van de in artikel 1, lid 2, van Bijlage V, genoemde producten tot de markten van de Franse overzeese departementen in het licht van de behoeften aan economische ontwikkeling van deze departementen te wijzigen.
  Bij het onderzoek naar de mogelijke uitoefening van dit recht zal de Gemeenschap rekening houden met de rechtstreekse handel tussen de ACS-Staten en de Franse overzeese departementen. De betrokken partijen passen hierbij de in artikel 12 van bijlage V omschreven informatie- en overlegprocedures toe.
  VERKLARING XXVIII. - Gemeenschappelijke Verklaring over samenwerking tussen de ACS-Staten en de naburige landen en gebieden overzee en Franse overzeese departementen.
  De partijen bij de overeenkomst stimuleren een nauwere regionale samenwerking tussen ACS-Staten en naburige landen en gebieden overzee en Franse overzeese departementen in het Caribisch gebied, het gebied van de Stille Oceaan en de Indische Oceaan.
  De partijen bij de overeenkomst doen een beroep op betrokken partijen bij de overeenkomst elkaar te raadplegen over de te volgen procedures ter bevordering van deze samenwerking en in dit verband maatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met hun beleid en hun bijzondere situatie in de regio waardoor initiatieven op economische gebied, waaronder de ontwikkeling van de handel, alsmede op sociaal en cultureel gebied, kunnen worden genomen.
  Handelsovereenkomsten waarbij Franse overzeese departementen zijn betrokken, kunnen voorzien in bijzondere maatregelen ten gunste van producten uit deze departementen.
  Kwesties met betrekking tot de samenwerking in deze verschillende gebieden worden onder de aandacht van de Raad van Ministers gebracht ten einde deze op de hoogte te houden van de gemaakte vorderingen.
  VERKLARING XXIX. - Gemeenschappelijke Verklaring over producten waarop het gemeenschappelijk landbouwbeleid van toepassing is.
  De partijen bij de overeenkomst erkennen dat bijzondere regels en voorschriften, en met name vrijwaringsmaatregelen, gelden voor producten waarop het gemeenschappelijk landbouwbeleid van toepassing is. De bepalingen van de overeenkomst inzake de vrijwaringsclausule kunnen uitsluitend op deze producten worden toegepast voorzover zij verenigbaar zijn met de bijzondere aard van deze regels en voorschriften.
  VERKLARING XXX. - Verklaring van de ACS-Staten over Artikel 1 van Bijlage V.
  Zich bewust van het onevenwicht en de discriminerende gevolgen van de behandeling van meestbegunstigde natie die op grond van artikel 1, lid 2, onder a), van Bijlage V in de Gemeenschap van toepassing is op producten uit de ACS-Staten, wijzen de ACS-Staten er nogmaals op dat zij dit artikel zo opvatten dat het daarin bedoelde overleg zal waarborgen dat de voornaamste exportproducten van de ACS-Staten voor een behandeling in aanmerking komen die ten minste zo gunstig is als de behandeling die de Gemeenschap aan landen toekent die als meest begunstigde derde landen worden behandeld.
  Voorts zal dergelijk overleg ook plaats vinden wanneer :
  a) een of meer ACS-Staten potentieel vertonen voor een of meer specifieke producten waarvoor preferentiële derde landen een gunstiger behandeling verkrijgen;
  b) een of meer ACS-Staten voornemens zijn een of meer specifieke producten naar de Gemeenschap uit te voeren waarvoor preferentiële derde landen een gunstiger behandeling verkrijgen.
  VERKLARING XXXI. - Verklaring van de Gemeenschap over Artikel 5, lid 2, onder a), van Bijlage V.
  De Gemeenschap stemt in met de overname van de tekst van artikel 9, lid 2, onder a), van de tweede ACS-EEG-Overeenkomst in artikel 5, lid 2, onder a) van Bijlage V, en wijst op de interpretatie van die tekst, namelijk dat de ACS-Staten de Gemeenschap geen minder gunstige behandeling verlenen dan die welke zij op grond van handelsovereenkomsten aan ontwikkelde staten verlenen, wanneer deze staten de ACS-Staten niet meer preferenties verlenen dan die welke de Gemeenschap verleent.
  VERKLARING XXXII. - Gemeenschappelijke Verklaring over non-discriminatie.
  De partijen komen overeen dat, in afwijking van de bijzondere bepalingen in Bijlage V bij deze Overeenkomst, de Gemeenschap niet tussen ACS-Staten zal discrimineren bij de toepassing van de handelsregeling waarin deze Bijlage voorziet, waarbij evenwel rekening zal worden gehouden met de bepalingen van deze overeenkomst en van bijzondere autonome initiatieven in multilateraal verband van de Gemeenschap zoals die ten gunste van de minst ontwikkelde landen.
  VERKLARING XXXIII. - Verklaring van de Gemeenschap over artikel 8, lid 3, van Bijlage V.
  Indien de Gemeenschap de in dit artikel bedoelde strikt noodzakelijke maatregelen neemt, zal zij trachten het geografische toepassingsgebied van de maatregelen of de categorie producten waarop die maatregelen betrekking hebben zo af te bakenen dat de uitvoer van de ACS-Staten hierdoor het minst wordt verstoord.
  VERKLARING XXXIV. - Gemeenschappelijke Verklaring over artikel 12 van Bijlage V.
  De partijen bij de overeenkomst komen overeen dat de volgende procedures in acht worden genomen bij het in Artikel 12 van Bijlage V bedoelde overleg :
  i) de twee partijen zorgen voor een tijdige verstrekking van alle nodige en terzake dienende gegevens over de te behandelen kwestie(s), zodat de besprekingen in een vroeg stadium en uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek om overleg kunnen aanvangen;
  ii) de drie maanden durende overlegperiode vangt aan op de dag van ontvangst van deze gegevens. Binnen deze drie maanden wordt het technisch onderzoek van de gegevens binnen een maand, en het gezamenlijk overleg op het niveau van het Comité van Ambassadeurs binnen de volgende twee maanden voltooid;
  iii) indien geen voor beide partijen aanvaardbare conclusie wordt bereikt, wordt de kwestie aan de Raad van Ministers voorgelegd;
  iv) indien de Raad van Ministers geen voor beide partijen aanvaardbare oplossing kan vaststellen, besluit hij welke andere stappen ondernomen moeten worden om de verschillen te regelen die bij de besprekingen naar voren zijn gekomen.
  VERKLARING XXXV. - Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 bij Bijlage V.
  Indien de ACS-Staten een bijzondere tariefbehandeling toepassen op producten van oorsprong uit de Gemeenschap, met inbegrip van Ceuta en Melilla, is Protocol 1 van overeenkomstige toepassing. In alle andere gevallen waarin, bij invoer in de ACS-Staten, een bewijs van de oorsprong moet worden overgelegd, aanvaarden deze staten certificaten van oorsprong die overeenkomstig de desbetreffende internationale overeenkomsten zijn opgesteld.
  VERKLARING XXXVI. - Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 bij Bijlage V.
  1. Voor de toepassing van artikel 12, lid 2, onder c), van het Protocol wordt het vervoerdocument dat in de eerste haven van lading voor verzending naar de Gemeenschap is afgegeven gelijkgesteld met het doorvoercognossement voor producten die gedekt zijn door certificaten inzake goederenverkeer die in niet aan zee grenzende ACS-Staten zijn afgegeven.
  2. Voor producten die uit niet aan zee grenzende ACS-Staten zijn uitgevoerd en die elders zijn opgeslagen dan in de in Bijlage III bij het Protocol bedoelde landen en gebieden kunnen in de in artikel 16 bedoelde omstandigheden certificaten inzake goederenverkeer worden afgegeven.
  3. Voor de toepassing van artikel 15, lid 4, van het Protocol zullen door een bevoegde instantie afgegeven en door de douaneautoriteiten geviseerde EUR.1-certificaten worden aanvaard.
  4. Om de ACS-bedrijven te helpen bij het zoeken naar nieuwe leveringsbronnen waardoor zij zoveel mogelijk van de bepalingen van het Protocol inzake de cumulatie van de oorsprong kunnen profiteren, zullen stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven (Centre for the Development of Enterprise of CDE) de ACS-bedrijven bijstand verleent bij het leggen van contacten met leveranciers in de ACS-Staten, de Gemeenschap en de landen en gebieden overzee en om de betrekkingen tussen de betrokken bedrijven op het gebied van de industriële samenwerking te bevorderen.
  VERKLARING XXXVII. - Gemeenschappelijke Verklaring over Protocol 1 van Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten.
  De Gemeenschap erkent het recht van de aan zee grenzende ACS-Staten om in alle wateren die binnen hun rechtsgebied vallen de visstand te ontwikkelen en rationeel te exploiteren.
  De partijen bij de overeenkomst komen overeen dat de bestaande oorsprongsregels onderzocht moeten worden om vast te stellen welke wijzigingen in het licht van de eerste alinea eventueel moeten worden aangebracht.
  Zich van hun elkaars zorgen en belangen bewust komen de ACS-Staten en de Gemeenschap overeen het probleem van de toegang tot de markt van de Gemeenschap van visserijproducten gevangen in zones binnen de nationale jurisdictie van de ACS-Staten te blijven onderzoeken om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen. Na de inwerkingtreding van de overeenkomst zal dit onderzoek plaatsvinden binnen het Comité Douanesamenwerking dat zo nodig door deskundigen zal worden bijgestaan. De resultaten van dit onderzoek worden binnen het eerste jaar van toepassing van de overeenkomst aan het Comité van Ambassadeurs en uiterlijk in het tweede jaar aan de Raad van Ministers voorgelegd, zodat deze de resultaten kunnen bespreken om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.
  Wat de verwerking van visserijproducten in de ACS-Staten betreft, verklaart de Gemeenschap dat zij bereid is verzoeken om voor verwerkte producten in deze productiesector van de oorsprongsregels te mogen afwijken met een open geest te onderzoeken gezien de verplichtingen tot aanvoer die in visserijovereenkomsten met derde landen zijn aangegaan. Bij het door de Gemeenschap in te stellen onderzoek zal met name rekening worden gehouden met het feit dat de betrokken derde landen de normale markt voor deze producten, na verwerking, dienen te verzorgen voorzover deze producten niet bestemd zijn voor nationaal of regionaal verbruik.
  VERKLARING XXXVIII. - Verklaring van de Gemeenschap over Protocol 1 van Bijlage V inzake de afbakening van de territoriale wateren.
  De Gemeenschap wijst erop dat de territoriale wateren volgens erkende internationale rechtsbeginselen tot 12 zeemijl zijn beperkt en verklaart dat zij met deze afbakening rekening zal houden bij de toepassing van de bepalingen van het Protocol waarin naar dit begrip wordt verwezen.
  VERKLARING XXXIX. - Verklaring van de ACS-Staten over Protocol 1 bij Bijlage V inzake de oorsprong van visserijproducten.
  De ACS-Staten wijzen nogmaals op het standpunt dat zij tijdens de onderhandelingen over de oorsprongsregels voor visserijproducten herhaaldelijk tot uiting hebben gebracht en blijven derhalve van oordeel dat, op grond van de uitoefening van hun soevereine rechten op de visbestanden in de wateren binnen hun nationale jurisdictie, met inbegrip van de exclusieve economische zone, zoals gedefinieerd in het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties, alle vangsten in die wateren die ter verwerking in de havens van de ACS-Staten moeten worden aangevoerd als product van oorsprong dienen te worden beschouwd.
  VERKLARING XL. - Gemeenschappelijke Verklaring over de toepassing van de afwijkende waarderegel voor tonijn.
  De Europese Gemeenschap verbindt zich ertoe passende bepalingen op te stellen om de afwijkende waarderegel voor tonijn in artikel 4, lid 2, van protocol 1 bij Bijlage V geheel van kracht te doen worden. Te dien einde zal de Gemeenschap, voor de ondertekening van deze overeenkomst, de voorwaarden voorleggen waarop de 15 % tonijn die niet van oorsprong is op grond van dat artikel kan worden gebruikt.
  De Gemeenschap zal voorstellen op welke wijze de berekeningswijze op het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt gebaseerd.
  Beide partijen komen overeen deze berekeningswijze, indien de daarmee nagestreefde flexibiliteit niet wordt bereikt, na een tweejarige toepassing te herzien.
  VERKLARING XLI. - Gemeenschappelijke Verklaring over Artikel 6, lid 11, van Protocol 1 bij Bijlage V.
  De Gemeenschap stemt ermee in, in het licht van artikel 40 van Protocol 1, per geval, de met bewijsmateriaal gestelde aanvragen te onderzoeken die na de ondertekening van de overeenkomst worden ingediend betreffende textielproducten die van de cumulatie met naburige ontwikkelingslanden zijn uitgesloten (Artikel 6, lid 11, van Protocol 1).
  VERKLARING XLII. - Gemeenschappelijke Verklaring over de oorsprongsregels : cumulatie met Zuid-Afrika.
  Het ACS-EG-Comité Douanesamenwerking is bereid zo spoedig mogelijk aanvragen te onderzoeken voor de cumulatie van be- en verwerkingen op grond van artikel 6, lid 10, van Protocol 1 bij Bijlage V die afkomstig zijn van regionale instanties die een hoog niveau van regionale economische integratie vertegenwoordigen.
  VERKLARING XLIII. - Gemeenschappelijke Verklaring over bijlage 2 bij Protocol 1 bij Bijlage V.
  Indien de toepassing van de regels van Bijlage II een nadelige invloed heeft op de uitvoer van de ACS-Staten zal de Gemeenschap zo nodig corrigerende maatregelen nemen om uiteindelijk weer tot de situatie te komen die voorheen bestond (Besluit 2/97 van de Raad van Ministers).
  De Gemeenschap heeft nota genomen van de verzoeken die de ACS-Staten in het kader van de onderhandelingen in verband met de oorsprongsregels hebben gedaan. De Gemeenschap stemt ermee in met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken voor een verbetering van de in Bijlage II vervatte oorsprongsregels in het licht van artikel 40 van Protocol 1 per geval te onderzoeken.

Artikel N8 Bijlage 8. - Lijst met de gebonden Staten.

              STATEN                   ONDERTEKENING       KENNISGEVING


Artikel N9 Bijlage 9. - Deze overeenkomst treedt in werking op 1 april 2003.