Uitleveringsverdrag tusschen België en Turkije, geteekend te Brussel, den 9n Februari 1938.

Datum :
09-02-1938
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 1938020950

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Artikel 1 De Regeering van Zijne Majesteit de Koning der Belgen en de Regeering van de Turksche Republiek verbinden zich tot de wederzijdsche uitlevering, in de omstandigheden en de voorwaarden door dit Verdrag vastgesteld, en met uitzondering van hunne onderdanen, der personen vervolgd of veroordeeld voor een misdrijf begaan op het grondgebied der verzoekende Partij en gevonden op het grondgebied der andere Partij.
  Wanneer echter de strafbare daden, die aanleiding geven tot de vraag om uitlevering, buiten het grondgebied van het verzoekende land begaan werden, kan er aan deze vraag gevolg gegeven worden, indien de wetgeving van het aangezochte land de vervolging toelaat van dezelfde misdrijven buiten zijn grondgebied begaan.

Artikel 2 De daden die tot uitlevering aanleiding geven zijn :
  1° dooding bestaande in moord, doodslag, vadermoord, kindermoord of vergiftiging;
  2° vrijwillige slagen of verwondingen die een blijvende gebrekkelijkheid, een bestendige onbekwaamheid tot arbeid of een zware verminking van een lichaamsdeel of -orgaan of den dood zonder het oogmerk om te dooden, veroorzaakt hebben;
  3° vrijwillige vruchtafdrijving;
  4° verkrachting, aanranding van de eerbaarheid gepleegd met geweld of bedreiging; aanranding van de eerbaarheid gepleegd zonder geweld noch bedreiging, voor zoover het slachtoffer minder dan vijftien jaar oud is;
  5° aanslag tegen de zeden door een persoon minder dan 18 jaar oud tot ontucht, bederf of prostitutie aan te hitsen, ze te bevorderen of te begunstigen, ten einde eens anders driften te voldoen, alsmede de misdrijven voorzien door de Internationale Overeenkomsten van 4 Mei 1910 betreffende de onderdrukking van den handel in blanke slavinnen, van 30 September 1921 voor de onderdrukking van den handel in vrouwen en kinderen en van 11 October 1933 voor de bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen;
  6° schaking van minderjarigen en ontvoering van personen, strafbaar door de wetten van beide landen;
  7° vrijwillige brandstichting;
  8° vrijwillige belemmering van het verkeer van een trein op een spoorweg, van aard om een ramp te veroorzaken of het gevaar van een ramp te doen ontstaan;
  9° vernieling van onroerende of roerende eigendommen voor zoover de wetten, van beide landen de uitlevering uit hoofde van deze misdrijven toelaten;
  10° zeemisdrijven die, volgens de wetten van beide landen, aanleiding tot uitlevering kunnen geven;
  11° diefstal, rooverij, afpersing;
  12° valsche munt, met inbegrip der feiten bedoeld door het Internationaal Verdrag op 20 April 1929 te Genève gesloten tot bestraffing van de valsche munterij; vervalsching of schennis van postzegels, stempels, merken of zegels van den Staat of van openbare bureelen, bedrieglijk gebruik van gezegde vervalschte of geschonden voorwerpen, of hun invoer, uitgifte of in omloop brengen met bedrieglijk opzet; bedrieglijk gebruik of misbruik van authentieke stempels, zegels, merken;
  13° valschheid in openbare of private geschriften, vervalsching van openbare bescheiden of handelspapieren; bedrieglijk gebruik van dergelijke vervalschte of nagemaakte bescheiden;
  14° verduistering van publieke penningen;
  15° oplichting, misbruik van vertrouwen;
  16° verheling;
  17° valsche getuigenis en valsche verklaring vanwege deskundigen of tolken; verleiding van getuigen, deskundigen of tolken;
  18° meineed;
  19° misdadige handelingen gepleegd in strijd met de wetten van beide landen betreffende de afschaffing van de slavernij en van den slavenhandel;
  20° te vondeling leggen of verlaten van kinderen of weerlooze personen;
  21° omkooping van ambtenaren, knevelarij;
  22° bedrieglijke bankbreuk;
  23° vereeniging van boosdoeners;
  24° schuldige toediening, maar zonder het oogmerk om te dooden, van zelfstandigheden die den dood kunnen teweegbrengen, of de gezondheid zwaar kunnen krenken;
  25° verduistering van burgerlijken staat; verwisseling en onderschuiving van kinderen, die volgens de wetten van beide landen tot uitlevering aanleiding kunnen geven.
  Zijn onder voorgaande omschrijvingen begrepen, de medeplichtigheid, de poging, de opstoking en het feit de misdrijven te begunstigen, wanneer zij door de wetten van beide landen worden gestraft.
  In alle gevallen kan de uitlevering slechts geschieden, wanneer het gelijkaardige feit strafbaar is krachtens de wetgeving van het land waaraan de vraag wordt gericht.

Artikel 3 De uitlevering zal niet geschieden :
  1° indien, sedert de ten laste gelegde feiten, de jongste daad van vervolging of veroordeeling, de verjaring der strafvordering of der straf verkregen is, volgens de wetten van het land waarin de beklaagde de wijk genomen heeft, op het tijdstip dat de uitlevering zou kunnen geschieden;
  2° wanneer de vraag om uitlevering gemotiveerd zal zijn door hetzelfde feit waarvoor de opgevraagde persoon vervolgd en buiten zaak gesteld werd, of nog vervolgd wordt of reeds gevonnisd werd, in het land waaraan de uitlevering gevraagd wordt.

Artikel 4 Indien de opgevraagde persoon in het aangezochte land vervolgd wordt of veroordeeld is voor een ander misdrijf dan dit waarvoor de vraag om uitlevering gedaan werd, kan zijne uitlevering uitgesteld worden tot aan het einde der vervolging en, in geval van veroordeeling, tot dat hij zijn straf zal ondergaan hebben.
  Ingeval de opgevraagde persoon in het aangzochte land vervolgd of in hechtenis gehouden wordt uit hoofde van verplichtingen aangegaan jegens particulieren, zal zijn uitlevering niettemin geschieden, onder het voorbehoud dat deze laatsten nadien hun rechten voor de bevoegde overheid doen gelden.

Artikel 5 De uitlevering zal niet worden verleend, indien het misdrijf, waarvoor zij gevraagd wordt door de aangezochte partij beschouwd wordt als zijnde een politiek misdrijf of een met een dergelijke misdrijf samenhangend feit, of indien het een misdrijf is van fiskalen aard, of van uitsluitend militairen aard enkel door de militaire wetten gestraft, of nog een persmisdrijf.
  De vreemdeling, wiens uitlevering is toegestaan, zal niet door een buitengewone rechtbank mogen gevonnisd worden.
  Hij zal niet vervolgd noch gestraft mogen worden voor eenig misdrijf vóór de uitlevering gepleegd.
  Wordt niet als politiek misdrijf, noch als feit samenhangend met dergelijk misdrijf beschouwd, de aanslag tegen een Staatshoofd of tegen leden zijner familie, zoo die aanslag bestaat in doodslag, moord of vergiftiging.
  De uitgeleverde persoon mag echter wegens een ander misdrijf dan dit waarop zijn uitlevering gegrond werd, worden vervolgd of gestraft op tegenspraak, in de volgende gevallen :
  1° indien hij gevraagd heeft terecht te staan of zijn straf te ondergaan, in welk geval zijn verzoek medegedeeld wordt aan de Regeering die hem uitgeleverd heeft;
  2° indien hij binnen de maand, die op zijn definitieve vrijlating volgt, het land waaraan hij uitgeleverd werd, niet heeft verlaten;
  3° indien het misdrijf binnen te termen van het Verdrag valt en indien de Regeering waaraan hij uitgeleverd werd, vooraf de toestemming heeft bekomen van de Regeering die de uitlevering heeft toegestaan.
  Deze laatste mag, zoo zij het gepast acht, de overlegging vergen van een der bescheiden vermeld in artikel 7 van onderhavig Verdrag.
  Heruitlevering aan een derde land is aan dezelfde regelen onderworpen.

Artikel 6 Het verzoek om uitlevering moet steeds langs diplomatieken weg worden ingediend.

Artikel 7 De uitlevering zal worden toegestaan op overlegging van het origineel of van de authentieke uitgifte hetzij van het vonnis of van het arrest tot veroordeeling, hetzij van het bevel tot aanhouding of van elke andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde rechterlijke overheid afgeleverd. Deze akten zullen de juiste vermelding bevatten van het feit waarvoor zij werden afgeleverd of zullen vergezeld zijn van een uiteenzetting der feiten.
  Deze bescheiden zullen door de bevoegde overheid van den verzoekenden Staat en, in voorkomend geval, door den diplomatieken of consulairen ambtenaar van gezegden Staat gelegaliseerd worden. Zij zullen vergezeld zijn van een afschrift van den wetstekst die op het beklaagde feit toepasselijk is en, in voorkomend geval, van een vertaling in de Fransche taal, en zooveel mogelijk van de beschrijving van den opgevraagden persoon of van elke andere aanwijzing welke zijn identiteit kan doen vaststellen.

Artikel 8 In spoedeischende gevallen zal de voorloopige aanhouding geschieden op het per post of telegraaf verzonden bericht van het bestaan van een der onder artikel 7 vermelde documenten, mits dit bericht op regelmatige wijze aan het Ministerie van Buitenlandsche Zaken van het aangezochte land gegeven wordt.
  Deze aanhouding zal ook kunnen geschieden indien het verzoek rechtstreeks bij een rechterlijke of administratieve overheid van een van beide landen binnengekomen is.
  De voorloopige aanhouding zal geschieden in de vormen en volgens de regels door de wetgeving der aangezochte Regeering vastgesteld. Zij zal niet verder gehandhaafd worden, indien de verdachte binnen dertig volle dagen te rekenen van het oogenblik waarop zij heeft plaats gehad, geen mededeeling heeft ontvangen van een der in artikel 7 van deze Overeenkomst vermelde documenten.

Artikel 9 Wanneer er tot uitlevering aanleiding bestaat, zullen al de voorwerpen voortkomende van het misdrijf of kunnende dienen als stukken van overtuiging, die in het bezit van den opgevraagden persoon zullen gevonden worden op het oogenblik zijner aanhouding of die nadien ontdekt zullen worden, aangeslagen en aan den verzoekenden Staat overhandigd worden, indien de bevoegde overheid van den aangezochten Staat er bevel toe geeft.
  Deze overhandiging zal zelfs kunnen geschieden, wanneer de uitlevering ten gevolge van de ontvluchting of den dood van den opgevraagden persoon niet voltrokken kan worden.
  Zijn echter voorbehouden de rechten die derde personen zouden verkregen hebben op gezegde voorwerpen, welke hun in voorkomend geval, na afloop van het rechtsgeding, zonder kosten zullen moeten teruggegeven worden.

Artikel 10 De kosten van aanhouding, onderhoud en vervoer van den persoon wiens uitlevering toegestaan is, alsmede de kosten van consignatie en van vervoer der voorwerpen, welke, naar luid van het vorig artikel, moeten teruggegeven of overhandigd worden, blijven ten laste van beide Staten, binnen de grenzen van hun wederzijds grondgebied.
  De kosten van vervoer of andere op het grondgebied der tusschenliggende Staten, zijn ten laste van den aanzoekenden Staat.

Artikel 11 De uitlevering in doorvoer over de respectieve grondgebieden der Verdragsluitende Partijen, van een niet tot het land van doorvoer behoorende persoon zal toegestaan worden op eenvoudige overlegging, in origineel of in authentiek afschrift, van een der in artikel 7 vermelde stukken, mits het feit, dat tot grondslag voor de uitlevering dient, in onderhavig Verdrag begrepen is en niet valt onder de voorzieningen van artikels 3 en 5.
  De doorvoerkosten zullen ten laste der verzoekende partij vallen.

Artikel 12 Wanneer, bij de vervolging van een niet politieke strafzaak, het verhoor van personen die zich in een van beide landen bevinden of elke andere daad van onderzoek noodig wordt geoordeeld, zal te dien einde een rogatoire opdracht, desnoods vergezeld van een vertaling in de Fransche taal, langs diplomatieken weg, ingediend worden en, tenzij de aangezochte Regeering de onmogelijkheid vaststelt ze te doen uitvoeren, zal er gevolg aan worden gegeven met inachtneming der wetten van het land waarin het verhoor of de daad van onderzoek moet plaats hebben.
  Echter zullen de rogatoire opdrachten, die ten doel hebben te doen overgaan hetzij tot een huiszoeking, hetzij tot de inbeslagneming van het stoffelijk voorwerp van het misdrijf of van stukken van overtuiging, slechts ten uitvoer kunnen gelegd worden voor een der in artikel 2 opgesomde feiten en onder het voorbehoud uitgedrukt in de laatste paragraaf van bovenstaand artikel 9.
  De kosten voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging der rogatoire opdrachten in strafzaken, zelfs wanneer het een onderzoek door deskundigen geldt, zijn ten laste van de aangezochte Regeering.

Artikel 13 Wanneer in een niet politieke strafzaak, de Regeering van een van beide landen het noodig acht een akte van rechtspleging of een vonnis aan een op het grondgebied van het andere land verblijvenden persoon te beteekenen, zal het document, overgemaakt langs diplomatieken weg en desnoods vergezeld van een vertaling in de Fransche taal, door toedoen van een bevoegden ambtenaar aan den betrokken persoon beteekend worden op verzoek van het Openbaar Ministerie der verblijfplaats, en het origineel waarbij de beteekening vastgesteld wordt, zal langs denzelfden weg aan de verzoekende Regeering, zonder terugbetaling der kosten, teruggezonden worden.

Artikel 14 Wanneer in een niet politieke strafzaak de persoonlijke verschijning van een getuige noodig is, zal de regeering van het land waar de getuige verblijft, hem aansporen gevolg te geven aan de uitnoodiging die hem zal gezonden worden.
  Wat de aan den getuige te verleenen vergoeding betreft, zal er in elk afzonderlijk geval een regeling getroffen worden tusschen de verzoekende en de aangezochte Regeering.
  Geen getuige, welke zijne nationaliteit ook weze, die, in een van beide landen gedagvaard, vrijwillig voor de rechters van het andere land zal verschijnen, mag er vervolgd noch gevangen gehouden worden, voor vroegere crimineele feiten of veroordeelingen, noch onder voorwendsel van medeplichtigheid in de feiten die het voorwerp uitmaken van het proces waarin hij als getuige optreedt.

Artikel 15 Wanneer, in een niet politieke strafzaak in een van beide landen behandeld, de mededeeling van stukken van overtuiging of van documenten, die zich in de handen van overheden van het ander land bevinden, noodig of nuttig geoordeeld wordt, zal het desbetreffende verzoek langs diplomatieken weg geschieden en zal men er gevolg aan geven, tenzij bijzonder ernstige overwegingen er zich tegen verzetten en onder verplichting de stukken en documenten terug te zenden.
  De kosten, die binnen de grenzen hunner respectieve grondgebieden voortvloeien uit de verzending en de teruggave van stukken van overtuiging en documenten, zijn ten laste van de aangezochte Regeering.

Artikel 16 Beide Regeeringen verbinden er zich toe aan elkaar kennis te geven, zonder terugbetaling der kosten, van de veroordeelingen wegens misdrijven van allen aard, die door de rechtbanken van een van beide Staten tegen nationalen van den anderen uitgesproken werden.
  Deze kennisgeving zal geschieden door toezending langs diplomatieken weg, van een bulletin of uittreksel, in voorkomend geval vergezeld van een vertaling in de Fransche taal, van de definitieve beslissing, aan de Regeering van het land waartoe de veroordeelde behoort.

Artikel 17 Onderhavig Verdrag zal bekrachtigd worden en de bekrachtigingen er van zullen zoo spoedig mogelijk te Ankara uitgewisseld worden.
  Het zal in werking treden twee maanden na de uitwisseling der bekrachtigingen.
  Het is niet van toepassing op de kolonie van Belgisch Congo noch op de grondgebieden van Roeanda-Oeroendi, waarover België, in naam van den Volkenbond, een mandaat uitoefent.
  Elk van beide Verdragsluitende Partijen zal het te allen tijde kunnen opzeggen mits de andere Partij zes maanden vooraf van haar voornemen te verwittigen.
  Ter oorkonde waarvan de respectieve Gevolmachtigden dit Verdrag onderteekend en er hun zegels op aangebracht hebben.
  Gedaan in duplo te Brussel, den 9n Februari 1938.

  Bijlage.

Artikel N De uitwisseling der akten van bekrachtiging heeft op 10 Juli 1939, te Ankara, plaats gehad.