Wet houdende tijdelijke toekenning van een pensioencomplement aan sommige gepensioneerden van de openbare sector.
- Sectie :
- Wetgeving
- Bron :
- Numac 1990003002
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Artikel 1 Deze wet is van toepassing op de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist of waarvan de betaling, onder voorbehoud van de recuperatie van de eruit voortkomende lasten, door de Staat verzekerd wordt, met uitzondering evenwel van :
- de rustpensioenen verleend aan de gewezen pleitbezorgers;
- de overlevingspensioenen die door een wet ten individuele titel toegekend werden;
- de pensioenen toegekend aan de gewezen leden van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika of aan hun rechthebbenden en die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 januari 1971 betreffende de pensioenen van de leden van het beroepspersoneel der kaders in Afrika vallen.
Artikel 2 Voor elk der maanden begrepen tussen 1 september 1989 en 31 december 1989 wordt aan de gerechtigden op een in artikel 1 bedoeld pensioen een pensioencomplement toegekend gelijk aan 2 % van het werkelijk aan de betrokkene verschuldigde bruto maandbedrag van het pensioen.
Artikel 3 Artikel 2 is niet van toepassing op :
1. de pensioenen waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag vastgesteld door artikel 39, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
2. de pensioenen waarvan het globaal bedrag gelijk is aan het bedrag vastgesteld door artikel 40, eerste lid, van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of in toepassing van deze bepaling beperkt werd;
3. de pensioenen toegekend aan een persoon die gerechtigd is op een in toepassing van artikel 40bis van dezelfde wet of van artikel 92, § 2, van de wet van 15 mei 1984, houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen beperkt overlevingspensioen, voor zover de maximumwedde die voor de toepassing van deze bepalingen in aanmerking werd genomen lager is dan 227 273 frank aan het indexcijfer 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk;
4. de pensioenen waarvan het bedrag of het globaal bedrag beperkt wordt in toepassing van artikel 42 van de voormelde wet van 5 augustus 1978;
5. de overlevingspensioenen bedoeld in artikel 44ter, § 6, van de voormelde wet van 5 augustus 1978;
6. de overlevingspensioenen waarvan het globaal bedrag gewaarborgd wordt zoals voorzien in artikel 50bis, § 2, van de voormelde wet van 5 augustus 1978;
7. de pensioenen waarvan het bedrag vastgesteld wordt rekening houdend met de bepalingen voorzien in de artikelen 28, 29, § 2, eerste lid, 32 of 40 van de voormelde wet van 15 mei 1984;
8. de overlevingspensioenen die berekend worden op grond van de oude bepalingen van artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936, waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel, of van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot eenmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, opgeheven door de voormelde wet van 15 mei 1984;
9. de pensioenen waarvan het bedrag gewaarborgd wordt in toepassing van artikel 34, § 1, van de wet van 2 augustus 1955, houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen of van artikel 11 van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden;
10. alle hiervoor niet bedoelde gevallen waarin de toepassing van de artikelen 12 of 19 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector geen invloed op het pensioenbedrag zou uitoefenen.
Artikel 4 Indien het bruto maandbedrag van het pensioen vermeerderd met dat van het pensioencomplement het bruto maandbedrag van een pensioen dat gelijk is aan het door artikel 39, tweede lid, van de voormelde wet van 5 augustus 1978 voorziene maximum overschrijdt, wordt het complement verminderd ten belope van het verschil.
Artikel 5 Wanneer het jaarbedrag van het pensioen aan het indexcijfer 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk, lager is dan 148 682 frank maar meer bedraagt dan 142 903 frank, is het pensioencomplement, in afwijking van artikel 2, gelijk aan het verschil dat bekomen wordt door het bruto maandbedrag van het pensioen af te trekken van het bruto maandbedrag dat zou verkregen worden door hetzelfde pensioen te vermeerderen met 2 % en daarna te verhogen met 309 frank.
Artikel 6 Het pensioencomplement wordt tegelijkertijd met het maandbedrag van het pensioen waarop het betrekking heeft, uitbetaald. Voor de berekening van de sociale afhoudingen en van de bedrijfsvoorheffing wordt het pensioencomplement bij het bruto maandbedrag van het pensioen gevoegd.
Artikel 7 Het bedrag van het pensioencomplement komt in aanmerking voor het bepalen van het bedrag van de vergoeding voorzien door artikel 6 van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs 254 en 255 van 12 maart 1936, waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren.
Artikel 8 Het weddecomplement voorzien door artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 juli 1989, waarbij aan de personeelsleden van de ministeries tijdelijk een aanvullingswedde wordt toegekend, of door een andere bepaling die ertoe strekt een voordeel van gelijke aard toe te kennen, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 1 bedoelde pensioenen.
Artikel 9 § 1. Indien op 1 januari 1990 de weddeschalen van de personeelsleden van de overheidsdiensten gekoppeld worden aan een andere index dan de index 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk, kan de Koning, opdat deze koppeling op zichzelf zonder invloed op het pensioenbedrag zou zijn, bij een in Ministerraad overlegd besluit en voor de op 31 december 1989 lopende pensioenen, de berekeningswijze van het door de artikelen 12, § 1, of 19, van de voormelde wet van 9 juli 1969 voorziene percentage wijzigen. Hij kan eventueel een verschillende berekeningswijze voorzien naar gelang van de pensioencategorieën die Hij bepaalt.
De bepalingen genomen in uitvoering van het eerste lid treden in werking op 1 januari 1990. Eens ze uitgevaardigd zijn, zullen ze slechts gewijzigd kunnen worden bij of krachtens een wet.
Vanaf 1 januari 1990 zullen enkel de nieuwe percentages die vastgesteld zijn overeenkomstig de in het eerste lid voorziene berekeningswijze, weerhouden worden voor de toepassing van de voormelde wet van 9 juli 1969.
§ 2. In afwijking van artikel 1 worden de krachtens § 1 genomen bepalingen eveneens toegepast op de rust- en overlevingspensioenen die niet in dat artikel beoogd worden maar die onder het toepassingsgebied van de hoofdstukken III en IV van de voornoemde wet van 9 juli 1969 vallen.
Artikel 10 § 1. Indien de weddeschalen van de personeelsleden van de openbare diensten op 1 januari 1990 verbonden worden aan een andere spilindex dan de index 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en volgens de in de volgende leden bepaalde modaliteiten, de verschillende in de wetgeving betreffende de pensioenen van de personeelsleden van de openbare diensten voorziene bedragen aan dezelfde spilindex verbinden als die welke werd weerhouden voor de wedden.
Wanneer het een pensioenbedrag betreft, wordt deze koppeling uitgevoerd door in dit bedrag de verhogingen op te nemen die voortvloeien uit de indexering van een pensioen van een zelfde bedrag en die plaatsvonden tussen de in het eerste lid beoogde spilindexen.
Wanneer het een weddebedrag betreft dat wordt gebruikt voor de vaststelling van een pensioen, wordt deze koppeling uitgevoerd door in dit bedrag de verhogingen op te nemen die voortvloeien uit de indexering van een wedde van een zelfde bedrag en die plaatsvonden tussen de in het eerste lid beoogde spilindexen.
§ 2. De wedden die als grondslag dienen voor de toepassing van artikel 40bis van de voormelde wet van 5 augustus 1978, alsook de gemiddelde bezoldigingen bedoeld in artikel 29 van de voormelde wet van 15 mei 1984, worden verbonden aan dezelfde spilindex als die voorzien bij § 1. Deze koppeling wordt uitgevoerd door in het bedrag van deze wedden of bezoldigingen de verhogingen op te nemen die voortvloeien uit de indexering van een wedde van een zelfde bedrag en die plaatsvonden tussen de in § 1, eerste lid, beoogde spilindexen.
Voor de vaststelling van deze basiswedden of gemiddelde bezoldigingen, worden alleen de wedden die overeenstemmen met volledige prestaties in aanmerking genomen. In voorkomend geval worden de bijkomende weddevoordelen die worden toegevoegd aan de wedde die als grondslag dient voor de toepassing van artikel 40bis van de voormelde wet van 5 augustus 1978, in de wedde opgenomen voordat deze aan de nieuwe spilindex wordt verbonden.
Artikel 11 Indien de koppeling aan de nieuwe spilindex, zoals voorzien in artikel 10, hetzij van een weddebedrag dat wordt gebruikt voor de vaststelling van een pensioen, hetzij van wedden die als grondslag dienen voor de toepassing van artikel 40bis van de voormelde wet van 5 augustus 1978, hetzij van gemiddelde bezoldigingen bedoeld in artikel 29 van de voormelde wet van 15 mei 1984, tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop een gepensioneerde op 31 december 1989 aanspraak kan maken, vermindert, wordt dit laatste bedrag gewaarborgd maar maakt het niet meer het voorwerp uit van de verhogingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 40bis, § 3, van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of van artikel 29, § 4, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
Dit gewaarborgd bedrag wordt behouden zolang het hoger blijft dan het nieuwe pensioenbedrag dat zal voortvloeien uit de latere toepassingen van de bepalingen van de voormelde artikelen 40bis, § 3, en 29, § 4.
Artikel 12 <wijzigingsbepaling van art. 35 van W 1984-05-15/30>
Artikel 13 De artikelen 10 tot 12 treden in werking op 1 januari 1990. Hetzelfde geldt voor de bepalingen genomen in toepassing van artikel 10, § 1.
- de rustpensioenen verleend aan de gewezen pleitbezorgers;
- de overlevingspensioenen die door een wet ten individuele titel toegekend werden;
- de pensioenen toegekend aan de gewezen leden van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika of aan hun rechthebbenden en die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 januari 1971 betreffende de pensioenen van de leden van het beroepspersoneel der kaders in Afrika vallen.
Artikel 2 Voor elk der maanden begrepen tussen 1 september 1989 en 31 december 1989 wordt aan de gerechtigden op een in artikel 1 bedoeld pensioen een pensioencomplement toegekend gelijk aan 2 % van het werkelijk aan de betrokkene verschuldigde bruto maandbedrag van het pensioen.
Artikel 3 Artikel 2 is niet van toepassing op :
1. de pensioenen waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag vastgesteld door artikel 39, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
2. de pensioenen waarvan het globaal bedrag gelijk is aan het bedrag vastgesteld door artikel 40, eerste lid, van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of in toepassing van deze bepaling beperkt werd;
3. de pensioenen toegekend aan een persoon die gerechtigd is op een in toepassing van artikel 40bis van dezelfde wet of van artikel 92, § 2, van de wet van 15 mei 1984, houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen beperkt overlevingspensioen, voor zover de maximumwedde die voor de toepassing van deze bepalingen in aanmerking werd genomen lager is dan 227 273 frank aan het indexcijfer 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk;
4. de pensioenen waarvan het bedrag of het globaal bedrag beperkt wordt in toepassing van artikel 42 van de voormelde wet van 5 augustus 1978;
5. de overlevingspensioenen bedoeld in artikel 44ter, § 6, van de voormelde wet van 5 augustus 1978;
6. de overlevingspensioenen waarvan het globaal bedrag gewaarborgd wordt zoals voorzien in artikel 50bis, § 2, van de voormelde wet van 5 augustus 1978;
7. de pensioenen waarvan het bedrag vastgesteld wordt rekening houdend met de bepalingen voorzien in de artikelen 28, 29, § 2, eerste lid, 32 of 40 van de voormelde wet van 15 mei 1984;
8. de overlevingspensioenen die berekend worden op grond van de oude bepalingen van artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936, waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel, of van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot eenmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, opgeheven door de voormelde wet van 15 mei 1984;
9. de pensioenen waarvan het bedrag gewaarborgd wordt in toepassing van artikel 34, § 1, van de wet van 2 augustus 1955, houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen of van artikel 11 van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden;
10. alle hiervoor niet bedoelde gevallen waarin de toepassing van de artikelen 12 of 19 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector geen invloed op het pensioenbedrag zou uitoefenen.
Artikel 4 Indien het bruto maandbedrag van het pensioen vermeerderd met dat van het pensioencomplement het bruto maandbedrag van een pensioen dat gelijk is aan het door artikel 39, tweede lid, van de voormelde wet van 5 augustus 1978 voorziene maximum overschrijdt, wordt het complement verminderd ten belope van het verschil.
Artikel 5 Wanneer het jaarbedrag van het pensioen aan het indexcijfer 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk, lager is dan 148 682 frank maar meer bedraagt dan 142 903 frank, is het pensioencomplement, in afwijking van artikel 2, gelijk aan het verschil dat bekomen wordt door het bruto maandbedrag van het pensioen af te trekken van het bruto maandbedrag dat zou verkregen worden door hetzelfde pensioen te vermeerderen met 2 % en daarna te verhogen met 309 frank.
Artikel 6 Het pensioencomplement wordt tegelijkertijd met het maandbedrag van het pensioen waarop het betrekking heeft, uitbetaald. Voor de berekening van de sociale afhoudingen en van de bedrijfsvoorheffing wordt het pensioencomplement bij het bruto maandbedrag van het pensioen gevoegd.
Artikel 7 Het bedrag van het pensioencomplement komt in aanmerking voor het bepalen van het bedrag van de vergoeding voorzien door artikel 6 van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs 254 en 255 van 12 maart 1936, waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren.
Artikel 8 Het weddecomplement voorzien door artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 juli 1989, waarbij aan de personeelsleden van de ministeries tijdelijk een aanvullingswedde wordt toegekend, of door een andere bepaling die ertoe strekt een voordeel van gelijke aard toe te kennen, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 1 bedoelde pensioenen.
Artikel 9 § 1. Indien op 1 januari 1990 de weddeschalen van de personeelsleden van de overheidsdiensten gekoppeld worden aan een andere index dan de index 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk, kan de Koning, opdat deze koppeling op zichzelf zonder invloed op het pensioenbedrag zou zijn, bij een in Ministerraad overlegd besluit en voor de op 31 december 1989 lopende pensioenen, de berekeningswijze van het door de artikelen 12, § 1, of 19, van de voormelde wet van 9 juli 1969 voorziene percentage wijzigen. Hij kan eventueel een verschillende berekeningswijze voorzien naar gelang van de pensioencategorieën die Hij bepaalt.
De bepalingen genomen in uitvoering van het eerste lid treden in werking op 1 januari 1990. Eens ze uitgevaardigd zijn, zullen ze slechts gewijzigd kunnen worden bij of krachtens een wet.
Vanaf 1 januari 1990 zullen enkel de nieuwe percentages die vastgesteld zijn overeenkomstig de in het eerste lid voorziene berekeningswijze, weerhouden worden voor de toepassing van de voormelde wet van 9 juli 1969.
§ 2. In afwijking van artikel 1 worden de krachtens § 1 genomen bepalingen eveneens toegepast op de rust- en overlevingspensioenen die niet in dat artikel beoogd worden maar die onder het toepassingsgebied van de hoofdstukken III en IV van de voornoemde wet van 9 juli 1969 vallen.
Artikel 10 § 1. Indien de weddeschalen van de personeelsleden van de openbare diensten op 1 januari 1990 verbonden worden aan een andere spilindex dan de index 114,20 van de consumptieprijzen van het Rijk, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en volgens de in de volgende leden bepaalde modaliteiten, de verschillende in de wetgeving betreffende de pensioenen van de personeelsleden van de openbare diensten voorziene bedragen aan dezelfde spilindex verbinden als die welke werd weerhouden voor de wedden.
Wanneer het een pensioenbedrag betreft, wordt deze koppeling uitgevoerd door in dit bedrag de verhogingen op te nemen die voortvloeien uit de indexering van een pensioen van een zelfde bedrag en die plaatsvonden tussen de in het eerste lid beoogde spilindexen.
Wanneer het een weddebedrag betreft dat wordt gebruikt voor de vaststelling van een pensioen, wordt deze koppeling uitgevoerd door in dit bedrag de verhogingen op te nemen die voortvloeien uit de indexering van een wedde van een zelfde bedrag en die plaatsvonden tussen de in het eerste lid beoogde spilindexen.
§ 2. De wedden die als grondslag dienen voor de toepassing van artikel 40bis van de voormelde wet van 5 augustus 1978, alsook de gemiddelde bezoldigingen bedoeld in artikel 29 van de voormelde wet van 15 mei 1984, worden verbonden aan dezelfde spilindex als die voorzien bij § 1. Deze koppeling wordt uitgevoerd door in het bedrag van deze wedden of bezoldigingen de verhogingen op te nemen die voortvloeien uit de indexering van een wedde van een zelfde bedrag en die plaatsvonden tussen de in § 1, eerste lid, beoogde spilindexen.
Voor de vaststelling van deze basiswedden of gemiddelde bezoldigingen, worden alleen de wedden die overeenstemmen met volledige prestaties in aanmerking genomen. In voorkomend geval worden de bijkomende weddevoordelen die worden toegevoegd aan de wedde die als grondslag dient voor de toepassing van artikel 40bis van de voormelde wet van 5 augustus 1978, in de wedde opgenomen voordat deze aan de nieuwe spilindex wordt verbonden.
Artikel 11 Indien de koppeling aan de nieuwe spilindex, zoals voorzien in artikel 10, hetzij van een weddebedrag dat wordt gebruikt voor de vaststelling van een pensioen, hetzij van wedden die als grondslag dienen voor de toepassing van artikel 40bis van de voormelde wet van 5 augustus 1978, hetzij van gemiddelde bezoldigingen bedoeld in artikel 29 van de voormelde wet van 15 mei 1984, tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop een gepensioneerde op 31 december 1989 aanspraak kan maken, vermindert, wordt dit laatste bedrag gewaarborgd maar maakt het niet meer het voorwerp uit van de verhogingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 40bis, § 3, van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of van artikel 29, § 4, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
Dit gewaarborgd bedrag wordt behouden zolang het hoger blijft dan het nieuwe pensioenbedrag dat zal voortvloeien uit de latere toepassingen van de bepalingen van de voormelde artikelen 40bis, § 3, en 29, § 4.
Artikel 12 <wijzigingsbepaling van art. 35 van W 1984-05-15/30>
Artikel 13 De artikelen 10 tot 12 treden in werking op 1 januari 1990. Hetzelfde geldt voor de bepalingen genomen in toepassing van artikel 10, § 1.