- Arrest van 3 januari 2011

03/01/2011 - S.10.0046.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor beroepsziekten in de overheidssector, sluit de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet alleen uit wat betreft de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen, maar belet de onmiddellijke toepassing niet van een bepaling die deze renten en vergoedingen ten laste van een andere uitkeringsplichtige legt dan die welke de oude wet aanwees (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2010, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0046.F

ETHIAS GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FONDS VOOR DE BEROEPSZIEKTEN,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

F. J.,

partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 juni 2007 gewezen door het arbeidshof te Brussel.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, § 1, eerste lid, 1° (vervangen bij het koninklijk besluit van 9 september 1993), en 2, a), en 6, inzonderheid 1°, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit ;

- de artikelen 1, eerste lid, inzonderheid 2°,16, inzonderheid tweede lid (zoals het van toepassing was zowel vóór als na de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2003 en vóór de vervanging ervan bij de wet van 17 mei 2007), en 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector ;

- de artikelen 1, d), en 2 van het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector ;

- artikel 2, I, 1°, van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, gewijzigd bij van het koninklijk besluit van 20 september 1998 en vervangen bij het koninklijk besluit van 19 april 1999 ;

- de artikelen 1 en 7 van het koninklijk besluit van 20 september 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk ;

- de artikelen 1 en 2, tweede lid, en, voor zover nodig, 4, van het koninklijk esluit van 19 april 1999 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, ten gunste van de personeelsleden van diverse instellingen van openbaar nut ;

- artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut ;

- artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek ;

- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk wetten geen terugwerkende kracht hebben, vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek ;

- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de nieuwe wet onmiddellijk uitwerking heeft ;

- voor zover nodig, artikel 1 van het koninklijk besluit houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de beroepsziekten ;

- voor zover nodig, de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van

9 september 1993 waarbij de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, in overeenstemming worden gebracht met de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en met de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ;

- voor zover nodig, artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder gegrond, wijzigt het beroepen vonnis, behalve in zoverre het betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de vorderingen, verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiseres ongegrond en beslist dat de vergoedingen voor beroepsziekte door het Nationaal Orkest van België aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij vanaf 1 december 1999 verschuldigd zijn volgens de regeling van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en zijn uitvoeringsbesluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector. Het beslist aldus om de volgende redenen :

"I. De vraag

De vraag is welke wet vanaf 1 december 1999 van toepassing is op de vergoeding van de beroepsziekte van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, celliste bij het nationaal orkest van België.

De ziekte is ontstaan en werd door de verweerder erkend en vergoed op grond van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de vergoeding van de schade die uit de beroepsziekten voortvloeit.

De wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector is sinds 1 november 1998 echter van toepassing op de muzikanten van het Nationaal Orkest van België.

II. De wetgeving

In het Belgisch recht bestaan er in essentie twee verzekeringsregelingen die het risico op beroepsziekten dekken.

De eerste regeling, ingevoerd door de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de beroepsziekten, is voornamelijk van toepassing in de privésector. De dekking wordt door de verweerder verleend.

De tweede regeling, ingevoerd door de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen en de beroepsziekten in de overheidssector, legt de verzekering ten laste van de openbare instelling, die zich kan indekken door een verzekering. Dat is wat het Nationaal Orkest van België heeft gedaan door een verzekering te sluiten bij de eiseres.

Artikel 2, § 1, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, zoals gewijzigd in 1993, bepaalt dat die wetten van toepassing zijn op de werknemers die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de sociale zekerheid voor werknemers. De gecoördineerde wetten zijn pas sinds hun wijziging in 1993, als algemeen geldende regel en behoudens de hierna vermelde uitzonderingen, van toepassing op de muzikanten van het Nationaal Orkest van België, die maar gedeeltelijk aan de sociale zekerheid voor werknemers onderworpen zijn.

Volgens artikel 2, § 1, tweede lid, zijn de gecoördineerde wetten echter niet van toepassing op de personen op wie de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen en de beroepsziekten in de overheidssector van toepassing is verklaard.

Volgens artikel 1 van de wet van 3 juli 1967 is die wet van toepassing verklaard op de leden van het personeel, en met name op de werknemers, van de instellingen van openbaar nut zoals het Nationaal Orkest van België, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die bepaald zijn in dat koninklijk besluit.

Het koninklijk besluit van 5 januari 1971 regelt de beroepsziekten in de instellingen van openbaar nut.

Sinds 1 november 1998 verklaart artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de arbeidsongevallen in de instellingen van openbaar nut, gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 april 1999, waarnaar het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de beroepsziekten in de overheidssector verwijst, de wet van 3 juli 1967 van toepassing op de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van categorie B, zoals het Nationaal Orkest van België.

Overeenkomstig artikel 2, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, zijn de voormelde wetten dus niet langer van toepassing.

Artikel 23 van de wet van 3 juli 1967 luidt als volgt :

‘Onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, komen ... de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard ..., vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit niet langer in aanmerking voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten'.

Het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de beroepsziekten in de openbare instellingen van algemeen nut bevat geen overgangsbepaling.

[...] VI. Bespreking

1. De nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op de situaties die ontstaan zijn sinds de inwerkingtreding ervan maar ook op de toekomstige gevolgen van de situaties die ontstaan zijn onder vigeur van de oude wet en die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing de reeds onherroepelijk vastgelegde rechten niet aantast ..., dat zijn met andere woorden situaties die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet definitief zijn geworden [...], definitieve situaties [...].

2. Artikel 23 van de wet van 3 juli 1967 is een toepassing van dat beginsel.

De koninklijke besluiten betreffende de beroepsziekten in de instellingen van openbaar nut bevatten geen enkele overgangsbepaling die daarvan afwijkt.

De overgangsbepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 19 april 1999 betreffende de arbeidsongevallen in de instellingen van openbaar nut zijn niet van toepassing. Hoewel de vergoeding van arbeidsongevallen en beroepsziekten in het algemeen aan dezelfde regels onderworpen zijn, kunnen de wetgever en de Koning daarvan afwijken en in beide regelingen verschillende bepalingen uitvaardigen.

Artikel 2quinquies van de wet van 3 juli 1967 bepaalt welke wet van toepassing is wanneer het slachtoffer van de beroepsziekte zijn rechten kan doen gelden zowel in het kader van de gecoördineerde wetten van 1970 als in dat van de wet van 3 juli 1967. Dat artikel is te dezen niet van toepassing : de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij kan haar rechten op de vergoeding van de beroepsziekte vanaf 1 december 1999 alleen doen gelden in het kader van één enkele wet, en er moet bepaald worden welke wet dat is.

3. Wat de socialezekerheidsuitkeringen betreft, wordt het recht op die uitkeringen, in beginsel, ten laatste definitief en onherroepelijk vastgelegd in de beslissing van de socialezekerheidsinstelling, die dat recht erkent.

Zo wordt het recht van de sociaal verzekerde op het rustpensioen, dat berekend wordt op grond van een welbepaalde loopbaanperiode, onherroepelijk vastgelegd in de beslissing van de socialezekerheidsinstelling [...].

De voorwaarden voor de uitoefening van het recht (uitkeringsplichtige, periodiciteit, verwijlinterest, nieuwe grond tot herziening, tot schorsing, enz.) worden daarentegen niet onherroepelijk vastgelegd en kunnen voor de toekomst worden gewijzigd.

Bijvoorbeeld :

- zelfs als het recht van de sociaal verzekerde op een pensioen onherroepelijk is vastgelegd op grond van een welbepaald aantal loopbaanjaren, kunnen de voorwaarden van het recht op het pensioen voor de toekomst gewijzigd worden : indexatie, herberekening, wijziging van de regels die het bedrag van het pensioen afhankelijk stellen van de gezinssituatie, enz. ;

- zelfs als het recht van de werkloze op uitkering is erkend, kan zijn recht voor de toekomst toch geschorst worden op grond van de nieuwe reglementering [...] ;

- de nieuwe regel die het bedrag van de jaarlijkse uitkering ten behoeve van een derde in de arbeidsongevallenregeling wijzigt, is van toepassing voor de toekomst (P. Popelier, ‘De temporele toepassing van de regeling van de vergoedingen', R.W., 1999-2000, 1055).

4. Te dezen wordt niet betwist dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij recht heeft op vergoedingen voor beroepsziekte, die berekend zijn op een blijvende arbeidsongeschiktheid van vijf pct., zonder dat er rekening werd gehouden met de sociaaleconomische criteria en met het basisloon.

Het enige twistpunt is de regeling die op de vergoedingen van toepassing is, dat wil zeggen de voorwaarden waaronder die vergoedingen worden betaald en, in het bijzonder, de aanwijzing van de uitkeringsplichtige (de verweerder of het Nationaal Orkest dat bij de eiseres verzekerd is). Volgens het dossier wordt, in het geval van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, het bedrag van de vergoedingen niet betwist.

De nieuwe wet is van toepassing op die voorwaarden en bepaalt wie de uitkeringsplichtige is. De vergoedingen zijn thans betaalbaar in de regeling van de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen en de beroepsziekten in de overheidssector en haar uitvoeringsbesluit van 5 januari 1971 betreffende de beroepsziekten in de instellingen van openbaar nut.

Overeenkomstig artikel 16, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 vallen zij ten laste van het Nationaal Orkest van België (dat genoemd risico verzekerd heeft bij de eiseres, die de vergoedingen rechtstreeks uitbetaalt aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij).

5. De ziekte en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid worden niet betwist. Over die punten hoeft er geen deskundigenonderzoek verricht te worden".

Grieven

Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 september 1993 waarbij de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, in overeenstemming worden gebracht met de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en met de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, dat overeenkomstig het artikel 3 ervan op 13 oktober 1993 in werking is getreden, is het voordeel van de schadeloosstelling voor beroepsziekten gewaarborgd aan de werknemers, die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Krachtens artikel 11 van het ter uitvoering van die wet genomen koninklijk besluit van 28 november 1969, zijn de werknemers van een instelling van openbaar nut, zoals het Nationaal Orkest van België, gedeeltelijk aan die wet onderworpen.

Na de inwerkingtreding van artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoörndineerde wetten van 3 juni 1970, zoals het is gewijzigd door het voormelde koninklijk besluit van 9 september 1993 (op 13 oktober 1993) en vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 september 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk en van het koninklijk besluit van 19 april 1999 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, ten gunste van de personeelsleden van diverse instellingen van openbaar nut (op 1 november 1998), waren de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 dus van toepassing op de leden van het personeel van het Nationaal Orkest van België, dat een instelling van openbaar nut is.

Krachtens artikel 6, inzonderheid 1°, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, heeft de verweerder tot taak de toepassing van die wetten te verzekeren en dus, onder andere, de krachtens die wetten verschuldigde vergoedingen voor beroepsziekte te betalen.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt het volgende :

- de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij is sinds 1 september 1972 celliste bij het Nationaal Orkest van België ;

- het nationaal orkest van België is een federale instelling van openbaar nut ;

- in 1992 kreeg de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij last aan haar rechterschouder ;

- de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij heeft op 1 februari 1996 bij de verweerder een aanvraag tot vergoeding voor beroepsziekte ingediend in het kader van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 ;

- de verweerder heeft bij beslissing van 14 december 1998 erkend dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij vanaf 3 december 1995 ten gevolge van een beroepsziekte voor vijf pct. arbeidsongeschikt was, zonder dat daarbij rekening is gehouden met sociaaleconomische criteria, en hij heeft haar recht op vergoeding van die arbeidsongeschiktheid erkend.

Uit die vaststellingen blijkt dat de ziekte van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij is ontstaan en door de verweerder erkend en vergoed werd in het kader van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970.

Die gegevens worden door de partijen overigens niet betwist.

Artikel 1, eerste lid, inzonderheid 2°, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, bepaalt dat de bij die wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden en binnen de perken die Hij bepaalt, toepasselijk wordt verklaard op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, die behoren tot de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht van de Staat vallen. Krachtens die bepaling wordt de wet van 3 juli 1967 dus bij koninklijk besluit van toepassing verklaard op de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut zoals het Nationaal Orkest van België, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die in dat koninklijk besluit zijn vastgesteld.

Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector, wordt de bij de wet van 3 juli 1967 ingestelde regeling betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten van toepassing verklaard op de personeelsleden die, wat betreft de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, onderworpen zijn aan artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 juni 1970, waaronder, krachtens artikel 1, d), van het koninklijk besluit van 5 januari 1971, moet worden verstaan het koninklijk besluit van dezelfde datum betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk (alsook de bepalingen die dat besluit vervangen of wijzigen).

Krachtens artikel 2, I, van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, in de in het middel bedoelde versie, wordt dat besluit van toepassing verklaard op de leden van het vastbenoemd, stagedoend, tijdelijk en hulppersoneel of het personeel onder arbeidsovereenkomst aangeworven, die behoren tot de federale instellingen van openbaar nut van categorie B van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

Krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 september 1998, is dat besluit in werking getreden op 1 november 1998.

Krachtens artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april 1999, heeft dat besluit wat betreft het Nationaal Orkest van België ook uitwerking op 1 november 1998.

Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 16 maart 1954, is het nationaal orkest van België een federale instelling van openbaar nut van categorie B in de zin van die wet.

Artikel 2, § 1, tweede lid, a), van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 bepaalt dat die wetten niet van toepassing zijn op de personen op wie de wet van 3 juli 1967 van toepassing zijn verklaard.

Uit de bewoordingen van en uit het onderling verband tussen de artikelen 1, eerste lid, inzonderheid 2°, van de wet van 3 juli 1967, 1, d), en 2 van het koninklijk besluit van 5 januari 1971, 2, 1, 1°, van het koninklijk besluit van 12 juni 1970, 1 en 7 van het koninklijk besluit van 20 september 1998, 1 en 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april 1999, 1 van de wet van 16 maart 1954 en 2, § 1, tweede lid, a), van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, volgt dat de bij de wet van 3 juli 1967 ingevoerde regeling, wat betreft de vergoeding van de schade uit beroepsziekten, van toepassing is verklaard op de leden van het personeel van de federale instellingen van openbaar nut van categorie B in de zin van de wet van 16 maart 1954, zoals het Nationaal Orkest van België, waartoe, zoals het arrest vaststelt, ook de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij behoort.

Krachtens artikel 16, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967, in de in het middel bedoelde versie, dragen de in artikel 1, 2°, bedoelde rechtspersonen, zoals het Nationaal Orkest van België, de last van de renten en vergoedingen die aan hun personeelsleden worden toegekend met toepassing van die wet. Krachtens die bepaling legt de Koning daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat het Nationaal Orkest van België, via een op 6 april 1999 ondertekende overeenkomst, het risico van beroepsziekten bij de eiseres verzekerd heeft vanaf 1 november 1998.

Krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Het beginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft, is een algemeen rechtsbeginsel. Het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt om aan wetten terugwerkende kracht te verlenen, impliceert dat rechtsverhoudingen die definitief zijn ontstaan en volledig zijn geëindigd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, in beginsel niet meer door die nieuwe wet gewijzigd kunnen worden.

De onmiddellijke of exclusieve werking van de nieuwe wet is de algemene regel. Het beginsel volgens hetwelk een nieuwe wet onmiddellijk beschikt voor het toekomende, vloeit voort uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboeken en uit het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt om aan wetten terugwerkende kracht te verlenen, of vormt een bijzonder algemeen rechtsbeginsel. Dat beginsel impliceert dat de nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing is op de situaties die ontstaan zijn sinds de inwerkingtreding ervan maar ook op de toekomstige gevolgen van de situaties die ontstaan zijn onder vigeur van de oude wet en die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing de reeds onherroepelijk vastgelegde rechten, met andere woorden de definitief geworden situaties, niet aantast.

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 bepaalt dat, onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking komen voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten. Die bepaling is een toepassing van het voormelde rechtsbeginsel volgens hetwelk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijk beschikt voor het toekomende : wanneer een koninklijk besluit de door de wet van 3 juli 1967 ingevoerde regeling toepasselijk heeft verklaard op de leden van een personeel, vallen die leden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit, niet meer onder de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende de vergoeding van schade uit beroepsziekten, dat wil zeggen de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, en vallen zij dus onder de toepassing van de wet van 3 juli 1967, voor zover die toepassing van de wet van 3 juli 1967 de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen niet aantast.

Aangezien, zoals hierboven is uiteengezet, de koninklijk besluiten van 5 januari 1971 en 12 juni 1970, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 september 1998 en vervangen bij het koninklijk besluit van 19 april 1999, de bij de wet van 3 juli 1967 ingevoerde regeling, wat betreft de vergoeding van de schade uit beroepsziekten, toepasselijk hebben verklaard op de leden van het personeel van het Nationaal Orkest van België vanaf 1 november 1998, is artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 te dezen van toepassing vanaf 1 november 1998.

Bij gebrek aan specifieke bepalingen is het gegeven dat in aanmerking moet worden genomen om te bepalen welke wet van toepassing is en waardoor een antwoord mogelijk is op de vraag of socialezekerheidsuitkeringen verschuldigd zijn en wie de uitkeringsplichtige is, het tijdstip waarop alle voorwaarden voor de toekenning van het recht vervuld zijn of, uiterlijk, het tijdstip waarop een beslissing van de bevoegde socialezekerheidsinstelling het recht op de uitkering heeft erkend. Op dat welbepaald tijdstip is het recht op de socialezekerheidsuitkeringen (renten en andere vergoedingen) ten laste van de bevoegde socialezekerheidsinstelling definitief verkregen of onherroepelijk vastgesteld.

Om daarentegen te bepalen welke wet van toepassing is op de betalingsvoorwaarden en de berekeningswijze van de socialezekerheidsuitkeringen, moet, bij gebrek aan specifieke bepalingen, het tijdstip in aanmerking worden genomen waarop die uitkering definitief is vastgesteld of het tijdstip waarop het bedrag ervan is uitbetaald.

De aanwijzing van de instantie die de socialezekerheidsuitkeringen moet betalen, kan niet louter als een voorwaarde voor de toekenning van het recht of voor de betaling beschouwd worden. De vraag wie de socialezekerheidsuitkeringen moet betalen, raakt de kern zelf van het recht op de sociale uitkeringen, dat definitief en uiterlijk verkregen is op ogenblik dat een beslissing van de bevoegde socialezekerheidsinstelling het recht op uitkering heeft erkend.

Het arrest beslist dat te dezen niet betwist wordt dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij recht heeft op vergoedingen voor beroepsziekte, berekend op grond van een blijvende arbeidsongeschiktheid van vijf pct., zonder dat er rekening werd gehouden met de sociaaleconomische criteria en met het basisloon, dat alleen wordt betwist welke regeling op de vergoedingen toepasselijk is, dat wil zeggen welke de toepassingsvoorwaarden ervan zijn en, in het bijzonder, wie de uitkeringsplichtige is (het Fonds voor de beroepsziekten of het Nationaal Orkest dat bij de eiseres verzekerd is), en dat, volgens de gegevens van het dossier, het bedrag van de vergoedingen in het geval van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet wordt betwist.

Het arrest beslist, met betrekking tot de socialezekerheidsuitkeringen, dat het recht op uitkering, in beginsel, ten laatste definitief en onherroepelijk is vastgelegd in de beslissing van de socialezekerheidsinstelling die dat recht erkent.

Het arrest beslist vervolgens dat "de voorwaarden voor de uitoefening van het recht (uitkeringsplichtige, periodiciteit, verwijlinterest, nieuwe grond tot herziening, tot schorsing, enz.) daarentegen niet onherroepelijk worden vastgelegd en voor de toekomst kunnen worden gewijzigd".

Het arrest beslist dus dat de aanwijzing van de uitkeringsplichtige een voorwaarde van het recht op uitkering is die niet onherroepelijk is vastgelegd en voor de toekomst kan worden gewijzigd.

Aangezien, zoals hierboven is uiteengezet, de aanwijzing van de uitkeringsplichtige niet als een gewone voorwaarde van het recht op uitkering kan worden beschouwd en de kern zelf raakt van het recht op uitkering, dat definitief verkregen is uiterlijk op het ogenblik dat een beslissing van de bevoegde socialezekerheidsinstelling het recht op uitkering heeft erkend, schendt het arrest, door de aanwijzing van de uitkeringsplichtige te beschouwen als een voorwaarde voor het recht op uitkering, die niet onherroepelijk is vastgelegd en dat voor de toekomst kan worden gewijzigd, de artikelen 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967, 2 van het Burgerlijk Wetboek, en miskent het tevens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wetten geen terugwerkende kracht hebben alsook het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de nieuwe wet in beginsel onmiddellijk uitwerking heeft.

Uit de vaststellingen van het arrest dat de verweerder, bij beslissing van 14 december 1998, erkend heeft dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij ten gevolge van een beroepsziekte voor vijf pct. arbeidsongeschikt was, dat het gevolg was van de beroepsziekte, zonder dat er rekening werd gehouden met de sociaaleconomische criteria vanaf 3 december 1995, en erkend heeft dat zij recht had op de vergoeding van die arbeidsongeschiktheid, en dus dat de ziekte (van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) is ontstaan en door de verweerder is erkend en vergoed in het kader van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, blijkt dat het tijdstip waarop het recht op de socialezekerheidsuitkeringen (renten en andere vergoedingen voor beroepsziekten) ten laste van de bevoegde socialezekerheidsinstelling (de verweerder) definitief is ontstaan of onherroepelijk is vastgelegd, dat wil zeggen, ten laatste op het tijdstip waarop een beslissing van de bevoegde socialezekerheidsinstelling (de verweerder) het recht op uitkering (vergoedingen voor beroepsziekte) heeft erkend, vóór de inwerkingtreding valt van de koninklijke besluiten van 5 januari 1971 en 12 juni 1970, zoals ze zijn gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 september 1998 en 19 april 1999 (volgens welke de regeling van de wet van 3 juli 1967, wat betreft de vergoeding van de schade uit beroepsziekten, toepasselijk werd verklaard op de leden van het personeel van het Nationaal Orkest van België), dat wil zeggen vóór 1 november 1998.

Op het ogenblik van de inwerkingtreding (op 1 november 1998) van de nieuwe wet (de wijziging krachtens welke de wet van 3 juli 1967 toepasselijk werd verklaard op de leden van het personeel van het nationaal orkest van België) bestond er krachtens de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 (de oude wet) dus een definitief verkregen of onherroepelijk vastgelegd recht op de vergoedingen voor beroepsziekte ten laste van het Fonds voor de beroepsziekten (de verweerder) in de zin van artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 en overeenkomstig het beginsel volgens hetwelk een nieuwe wet onmiddellijk uitwerking heeft, zoals bedoeld in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt om aan wetten terugwerkende kracht te verlenen.

De schuldenaar van de vergoedingen voor beroepsziekte krachtens de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, was dus reeds onherroepelijk aangewezen vóór de inwerkingtreding, op 1 november 1998, van de nieuwe wet, aangezien, zoals hierboven is uiteengezet, die aanwijzing niet kan worden beschouwd als een voorwaarde voor het recht op de uitkeringen die voor de toekomst kan worden gewijzigd.

Het arrest, dat de schuldenaar van de vergoedingen voor beroepsziekte met ingang van 1 december 1999 aanwijst op grond van de wijziging krachtens welke de wet van 3 juli 1967 toepasselijk is verklaard op de leden van het personeel van het Nationaal Orkest van België (de nieuwe wet), miskent dus een reeds onherroepelijk vastgelegd recht (een verkregen recht).

Zoals hierboven is uiteengezet, kan de aanwijzing van de uitkeringsplichtige dus niet worden beschouwd als een gewone voorwaarde voor het recht op uitkering, maar raakt zij de kern zelf van dat recht, dat definitief is verkregen ten laatste op het tijdstip waarop een beslissing van de bevoegde socialezekerheidsinstelling het recht op uitkering heeft erkend. Het arrest, dat de aanwijzing van de uitkeringsplichtige als een voorwaarde voor de toekenning van het recht op uitkering beschouwt, beslist dat de nieuwe wet van toepassing is en bepaalt wie de uitkeringsplichtige is en dat, bijgevolg, de vergoedingen voortaan betaalbaar zijn in de regeling van de wet van 3 juli 1967 en haar uitvoeringsbesluit van 5 januari 1971, zodat die vergoedingen, overeenkomstig artikel 16, tweede lid, van die wet, ten laste vallen van het nationaal orkest van België (die dat risico bij de eiseres heeft verzekerd), miskent bijgevolg het definitief verkregen recht op de vergoedingen voor beroepsziekte die krachtens de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 ten laste vallen van het Fonds voor de beroepsziekten in de zin van artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967, miskent het beginsel volgens hetwelk een nieuwe wet onmiddellijk uitwerking heeft, zoals vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsook het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt om aan wetten terugwerkende kracht te verlenen, en schendt dus de voormelde artikelen en miskent de voormelde algemene rechtsbeginselen, alsook de in de aanhef van het middel bedoelde wettelijke bepalingen.

Voor zover uit de voormelde overwegingen van het arrest volgt dat het beslist dat de aanwijzing van de uitkeringsplichtige na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (de wijziging krachtens welke de wet van 3 juli 1967 toepasselijk werd verklaard op de leden van het personeel van het nationaal orkest van België) een toekomstig gevolg is van de situaties die ontstaan zijn onder vigeur van de oude wet, welk gevolg zich voordoet of voortduurt onder vigeur van de nieuwe wet, is de beslissing dat de nieuwe wet van toepassing is en dat de nieuwe wet bepaalt wie de uitkeringsplichtige is, evenmin naar recht verantwoord. De aanwijzing van de uitkeringsplichtige na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (de wijziging krachtens welke de wet van 3 juli 1967 toepasselijk werd verklaard op de leden van het personeel van het nationaal orkest van België) kan niet worden beschouwd als een toekomstig gevolg van de situaties die ontstaan zijn onder vigeur van de oude wet en die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet : het gaat om een rechtsverhouding die ontstaan is en definitief geëindigd is onder vigeur van de oude wet en die niet meer onder invloed van de nieuwe wet gewijzigd kan worden.

Aangezien de toepassing van de wetswijziging, krachtens welke de wet van 3 juli 1967 toepasselijk is verklaard op de leden van het personeel van het Nationaal Orkest van België (de nieuwe wet), om op grond daarvan te bepalen wie vanaf 1 december 1999 de vergoedingen voor beroepsziekte verschuldigd is, neerkomt op de toepassing van een nieuwe wet op een rechtsverhouding die ontstaan is en definitief geëindigd is onder vigeur van de oude wet of afbreuk doet aan een recht op vergoedingen voor beroepsziekte, dat krachtens de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 (de oude wet) ten laste van het Fonds voor de beroepsziekten definitief is verkregen in de zin van artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 en krachtens het beginsel volgens hetwelk een nieuwe wet onmiddellijk uitwerking heeft, zoals dat beginsel is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt om aan wetten terugwerkende kracht te verlenen, beslist het arrest niet naar recht dat de nieuwe wet van toepassing is en bepaalt wie de uitkeringsplichtige is (schending van de artikelen 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, 2 van het Burgerlijk Wetboek, miskenning van het in dat artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek vastgelegde algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk wetten geen terugwerkende kracht hebben en van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijk van toepassing is). Het arrest beslist bijgevolg niet naar recht dat de vergoedingen voortaan betaalbaar zijn in de regeling van de wet van 3 juli 1967 en haar uitvoeringsbesluit van 5 januari 1971, zodat die vergoedingen, overeenkomstig artikel 16, tweede lid, van die wet, ten laste vallen van het nationaal orkest van België (schending van de artikelen 2, § 1, eerste lid, 1°, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 9 september 1993, en 2, a), en 6, inzonderheid 1°, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, 1, eerste lid, inzonderheid 2°, 16, inzonderheid tweede lid, zoals het van toepassing was zowel vóór als na de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2003 en vóór de vervanging ervan bij de wet van 17 mei 2007, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, 1, d), en 2 van het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector, 2, I, 1°, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 september 1998 en vervangen bij het koninklijk besluit van 19 april 1999, van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, 1 en 7 van het koninklijk besluit van 20 september 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, 1, 2, tweede lid en, voor zover nodig, 4, van het koninklijk besluit van 19 april 1999 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, ten gunste van de personeelsleden van diverse instellingen van openbaar nut, 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en, voor zover nodig, 1 van het koninklijk besluit tot coördinatie van de wettelijke bepalingen betreffende de beroepsziekten, 1 en 3 van het koninklijk besluit van 9 september 1993 en 11 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arrest verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiseres derhalve niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, bepaalt dat, onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking komen voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten.

Die bepaling, die de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet alleen uitsluit wat betreft de verkregen rechten op de renten en andere vergoedingen, belet de onmiddellijke toepassing niet van een bepaling die deze renten en vergoedingen ten laste legt van een andere uitkeringsplichtige dan die welke deze onder vigeur van de oude wet verschuldigd was.

Het middel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

De verwerping van het cassatieberoep ontneemt elk belang aan de vordering die ertoe strekt het arrest tegenstelbaar te verklaren aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest ;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 3 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overheidssector

  • Verkregen rechten