- Arrest van 5 januari 2011

05/01/2011 - P.10.1618.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het feit dat de onderzoeksmagistraat reeds vroeger in de hoedanigheid van magistraat van de zetel of van het openbaar ministerie is opgetreden in andere zaken waarin het slachtoffer betrokken was, is onvoldoende om het vermoeden van onpartijdigheid dat hij geniet te weerleggen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1618.F

I. Ch. T.,

mr. Jacqueline Martin, advocaat bij de balie te Namen,

II. G. S.,

mr. Cédric Bernes, advocaat bij de balie te Namen,

beklaagden, gedetineerden,

eisers,

tegen

1. E. V.,

2. J. O.,

3. Jean-François CARTUYVELS, advocaat, in de hoedanigheid van voogd

ad hoc van M. V.,

burgerlijke partijen,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 13 september 2010.

De eiseres voert vier middelen aan en de eiser vijf, ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht.

Op de rechtszitting van 15 december 2010 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Jean Marie Genicot geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep van G. S. gericht is tegen de beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering

Eerste middel

Het middel verwijt het arrest dat het op een gerechtelijk onderzoek is gegrond dat door een partijdige magistraat is gevoerd.

In zoverre het middel gericht is tegen het gerechtelijk onderzoek en de onderzoeksmagistraat, heeft het geen betrekking op de bestreden beslissing.

Voor het overige is het feit dat de onderzoeksmagistraat reeds vroeger in de hoedanigheid van magistraat van de zetel of van het openbaar ministerie is opgetreden in andere zaken waarin het slachtoffer betrokken was, onvoldoende om het vermoeden van onpartijdigheid, dat hij geniet, te weerleggen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede en derde middel

Het tweede middel, dat schending aanvoert van artikel 6.2 EVRM en van artikel 12, tweede lid, Grondwet, voert aan dat het arrest, door de veroordeling van de eiser te baseren op de verklaringen die hij na de polygraaftest heeft afgelegd, het vermoeden van onschuld miskent door geloof te hechten aan verklaringen die onder druk zijn verkregen.

Het derde middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3, c, EVRM, op grond dat die verklaringen zijn afgelegd na een test waarop de advocaat van de eiser niet aanwezig was.

Het tweede middel is onduidelijk in zoverre het de schending van de grondwettelijke bepaling aanvoert.

Het arrest stelt vast dat de eiser bevestigd heeft dat zijn bekentenissen na het afleggen van de polygraaftest niet voortkwamen uit de aanwending van die techniek. Daaruit volgt dat de grieven tegen die test, zelfs in de veronderstelling dat zij gegrond zijn, niet tot cassatie kunnen leiden.

Het arrest stelt tevens vast dat het verhoor met de polygraaf meer bepaald gebeurde met de vrije en welingelichte toestemming van de eiser en dat de daaruit volgende verklaringen, die niet onmiddellijk na de test werden afgelegd, onderzoeksverrichtingen zijn die daarmee geen verband houden. Aangezien het tweede middel aanvoert dat de verklaringen waarop kritiek wordt uitgeoefend het gevolg zouden zijn van druk van de speurders, vereist het een feitelijke beoordeling, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

De middelen zijn niet ontvankelijk.

Vierde middel

Het middel oordeelt dat de eiser geen recht heeft gehad op rechtspraak in twee instanties, op grond dat het openbaar ministerie een bijkomend stuk aan het strafdossier had toegevoegd, nadat de rechtbank het beroepen vonnis had gewezen.

Aangezien de eiser naar recht hoger beroep kon instellen tegen de beslissing in eerste aanleg en hij dat rechtsmiddel bovendien daadwerkelijk heeft ingesteld, kan hij niet beweren dat hij geen recht op rechtspraak in twee instanties heeft gehad.

Voor het overige verbiedt geen enkele wettelijke bepaling de partijen om een nieuw stuk voor te leggen in hoger beroep, mits het, zoals in onderhavig geval, aan tegenspraak wordt onderworpen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1, 6.1 en 6.3 EVRM, op grond dat de eiser, noch tijdens zijn verhoor door de politiediensten na zijn vrijheidsberoving noch voor de onderzoeksrechter, werd bijgestaan door een advocaat.

In zoverre het middel de schending aanvoert van het voormelde artikel 5.1, dat betrekking heeft op de vrijheidsberoving van de eiser, die geen verband houdt met het bestreden arrest, faalt het naar recht.

Het feit dat er tijdens de vrijheidsberoving geen advocaat aanwezig was op het politieverhoor, kan een eventuele schuldigverklaring alleen in de weg staan in zoverre die schuldigverklaring uitsluitend of op beslissende wijze steunt op door middel van dat verhoor verkregen zelfbeschuldigende verklaringen, zonder dat de verhoorde persoon heeft afgezien van de bijstand van een raadsman of vrij ervoor gekozen heeft van die bijstand af te zien.

Dat is hier niet het geval, aangezien het arrest vaststelt dat de litigieuze bekentenissen van de eiser niet werden ingetrokken voor de raadkamer, waar de eiser wél door zijn advocaat werd bijgestaan, en dat het onderzoeksgerecht dat zowel inzake de voorlopige hechtenis als over de regeling van de rechtspleging uitspraak doet, en dat moet nagaan of er ernstige aanwijzingen of voldoende aanwijzingen van schuld bestaan, bekentenissen of de intrekking ervan kan toelaten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Onpartijdigheid