- Arrest van 7 januari 2011

07/01/2011 - C.10.0721.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen van de artikelen 144bis, §§2 en 3, 764, 7° en 838 van het Gerechtelijk Wetboek verhinderen niet dat het hof van beroep over de wraking van de rechter uitspraak doet op conclusie van een federaal magistraat.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0721.N

I

1. F.S.,

gedetineerd,

2. M.C.,

gedetineerd,

eisers.

II

J.V.,

eiser, gedetineerd,

met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en Jachin Van Doninck, advocaten bij de balie te Brussel.

mede inzake

1. A.V., zonder gekende woonplaats in België,

gedetineerd,

2. R.V.,

gedetineerd,

3. A.G., zonder gekende woon- of verblijfplaats in België,

4. S.D.,

gedetineerd,

5. H.C.,

6. M.J.,

7. W.B.,

8. D.M.,

gedetineerd,

9. B.B.,

10. H.V.,

11. J.W.,

gedetineerd,

12. B.L.,

13. S.F.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen[, eerste kamer,] van 8 december 2010.

De eisers I voeren geen middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 144bis, §§ 2 en 3, 764, 7°, en 838 Gerechtelijk Wetboek: de griffier heeft de akte van wraking en de verklaring van de rechter niet aan de procureur-generaal bij het hof van beroep gezonden, zoals bepaald in artikel 838 Gerechtelijk Wetboek, maar alleen aan de federale parketmagistraat die een advies heeft verleend.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de griffier op 24 november 2010 na het antwoord van de gewraakte rechter, het verzoek tot wraking en de stukken heeft overgemaakt zowel aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen als aan de federale procureur des Konings;

- de griffier op 29 november 2010 diezelfde procureur-generaal heeft verwittigd dat het verzoek tot wraking zou worden behandeld op de rechtszitting van 2 december 2010;

- het openbaar ministerie in de persoon van de federale magistraat M.C. op de rechtszitting van 2 december 2010 een schriftelijke conclusie heeft neergelegd op de griffie van het hof van beroep te Antwerpen.

Het middel dat ervan uitgaat dat de stukken niet aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, maar uitsluitend aan de federale procureur des Konings zijn meegedeeld, mist in zoverre feitelijke grondslag.

3. Geen van de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen verhindert dat het hof van beroep over de wraking uitspraak doet op conclusie van een federaal magistraat.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

4. De eiser vraagt dat het Hof de navolgende prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 838 Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 144bis, § 2, Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zover eruit volgt dat de leden van het federaal parket die belast zijn met de strafvordering, in geval van een wraking kunnen tussenkomen bij de behandeling van dit tussengeschil voor het gerecht onmiddellijk hoger in rang en aan dit gerecht advies kunnen verstrekken over de wraking, terwijl in de regel het openbaar ministerie bij het gerecht onmiddellijk hoger in rang optreedt en over dit tussengeschil advies verleent?"

5. De vraag gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat uit artikel 838 Gerechtelijk Wetboek volgt dat een federaal magistraat voor de uitspraak over een wraking door het hof van beroep, geen conclusie kan nemen.

Het Hof moet de voorgestelde prejudiciële vraag niet stellen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: de eiser heeft twee wrakingsgronden aangevoerd; het hof van beroep heeft slechts uitspraak gedaan over een ervan.

7. Het bestreden arrest oordeelt dat de eiser op 22 oktober 2010 kennis had van de wrakingsgronden en dat het hele verzoek tot wraking niet ontvankelijk is.

8. Anders dan waarvan het middel uitgaat, hebben de appelrechters dus wel uitspraak gedaan over alle wrakingsgronden.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De sub¬stan¬tiële of op straffe van nietigheid voor¬ge¬schre¬ven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op de som van 32,85 euro jegens de eisende partijen I en op de som van 32,85 euro jegens de eisende partij II.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Openbaar ministerie

  • Conclusie

  • Federaal magistraat

  • Wettigheid