- Arrest van 10 januari 2011

10/01/2011 - C.09.0456.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het geheel van de artikelen 1017, eerste en vierde lid, 1018, eerste lid, 6° en 1022, eerste lid Ger.W. en de artikelen 1, tweede lid en 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0456.N

1. VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN, openbare instelling onder de vorm van een naamloze vennootschap, met zetel te 2800 Mechelen, Motstraat 20,

2. V.N.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. ETHIAS GEMEEN RECHT, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24,

2. STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis op 23 maart 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 december 2010 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Volgens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat de bedragen vastgesteld worden per aanleg.

Luidens artikel 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering dat wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

3. Na te hebben vastgesteld dat de verweersters zowel wat de hoofdvordering als de tegenvordering in het gelijk worden gesteld, oordelen de appelrechters dat zij aanspraak kunnen maken op twee afzonderlijke rechtsplegingsvergoedingen, met name zowel voor de hoofd- als voor de tegenvordering en willigen zij zodoende het incidenteel beroep in.

Het bestreden vonnis verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

4. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit het incidenteel hoger beroep van de verweersters gegrond verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding