- Arrest van 10 januari 2011

10/01/2011 - S.09.0102.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De appelrechter die het hoger beroep gegrond of ten dele gegrond verklaart, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, mag de zaak niet naar de eerste rechter verwijzen, ook al beveelt hij tevens een onderzoeksmaatregel die dezelfde of grotendeels dezelfde is als diegene bevolen door het beroepen vonnis. De appelrechter doet ook zelf uitspraak over het geschil wanneer hij een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de bevestigde onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter (1). (1) Zie de conclusies van het openbaar ministerie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.09.0102.N

M.T.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. M.E.,

verweerster,

2. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 juni 2009 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 15, 16, eerste lid, 812, 813, eerste lid, 1042, 1068, eerste en tweede lid, en 1072, inzonderheid tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In de bestreden beslissing trekt het arbeidshof de zaak in haar geheel tot zich met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek (blz. 18, derde alinea, van het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest).

Alvorens verder recht te spreken over (zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van) de "ex delicto" gestelde vorderingen van de eerste verweerster tot betaling van achterstallig loon "als herstel in natura of bij equivalent" en tot betaling van feestdagenvergoeding "als herstel in natura of bij equivalent", laat het arbeidshof de eerste verweerster toe met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van de in het beschikkend gedeelte van het arrest opgesomde feiten.

Het arbeidshof staat de eiseres toe het tegenbewijs te leveren van die feiten, en dit met dezelfde rechtsmiddelen (blz. 18, onderaan, t.e.m. 19, eerste volledige alinea, van het bestreden arrest).

Die beslissingen van het arbeidshof zijn, in zoverre zij betrekking hebben op de vordering van de eerste verweerster tot betaling van achterstallig loon, gesteund op volgende vaststellingen en motieven die voorkomen op de bladzijden 6 t.e.m. 9 onder VI.1, van het bestreden arrest.

De voornoemde beslissingen van het arbeidshof zijn, in zoverre zij betrekking hebben op de vordering van de eerste verweerster tot betaling van feestdagenvergoeding, gesteund op de vaststellingen en motieven die voorkomen op de bladzijde 17, onder VI.4, van het bestreden arrest.

Het arbeidshof gelast in toepassing van artikel 1072, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de rechters van de arbeidsrechtbank te Antwerpen met de uitvoering van de door hem bevolen onderzoeksmaatregel (blz. 19, tweede volledige alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof verklaart het bestreden arrest verbindend ten overstaan van de tweede verweerder (blz. 18, vierde alinea, van het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest).

Grieven

1.1.1. Artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep.

Krachtens artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verwijst de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.

De rechter in hoger beroep die enkel een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeks-maatregel (zelfs gedeeltelijk) bevestigt zonder het beroepen vonnis werkelijk te wijzigen en zonder aldus zelf anders dan de eerste rechter uitspraak te doen over het geschil (en die aldus het door de eerste rechter voor het opleggen van de onderzoeksmaatregel in aanmerking genomen uitgangspunt overneemt), dient met toepassing van het voornoemde artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de zaak te verwijzen naar de eerste rechter (althans wat de geschilpunten betreft die afhankelijk zijn van de beoordeling van de resultaten van de bevestigde onderzoeksmaatregel) en kan aldus de zaak niet (met toepassing van artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) in haar geheel aan zich houden.

1.1.2. Artikel 1072, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter in hoger beroep, wanneer daartoe grond bestaat, zijn eindbeslissing aanhoudt totdat de maatregelen zijn uitgevoerd, die de eerste rechter of hij zelf heeft bevolen alvorens recht te doen. Op grond van artikel 1072, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek staat, behoudens de uitzondering bepaald in artikel 1068, tweede lid, de uitvoering van die maatregelen aan de eerste rechter of aan de rechter in hoger beroep, naargelang deze laatste beslist.

De uitvoering van de door de eerste rechter of door de rechter in hoger beroep bevolen maatregelen alvorens recht te doen, komt dus aan de eerste rechter of aan de rechter in hoger beroep toe, naargelang de eerste, dan wel de laatste beslist, tenzij de rechter in hoger beroep een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel, al was het gedeeltelijk, bevestigt in de zin van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Indien de rechter in hoger beroep een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel, al was het gedeeltelijk, bevestigt, beschikt hij niet over de keuze die artikel 1072, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek biedt en is hij verplicht de zaak naar de eerste rechter te verwijzen.

1.2.1. In haar vonnis van 18 oktober 2007 machtigde de arbeidsrechtbank te Antwerpen, alvorens recht te doen over de (grond van de) vordering tot het verkrijgen van een provisioneel bedrag van 70.000 euro als achterstallig loon, de eerste verweerster het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van de volgende feiten:

"- dat (de eerste verweerster) gedurende de volledige duur van de overeenkomst dagelijks, zowel tijdens de week, de weekends en de feestdagen van 7.30 tot na 20 uur ter beschikking diende te staan van (de eiseres) en arbeidsprestaties leverde;

- dat (de eerste verweerster) veel meer prestaties leverde dan 4 uren per dag en dit gedurende 7 dagen op 7;

- dat (de eerste verweerster) wekelijks arbeidsprestaties leverde waarvan de omvang 38 uren per week ruimschoots overschreed."

De arbeidsrechtbank liet de eiseres toe tot het leveren van het tegenbewijs van die feiten met dezelfde middelen van recht en hield de beslissing omtrent de vordering tot het verkrijgen van een provisioneel bedrag van 1 euro als schadevergoeding wegens het derven van loon voor feestdagen aan om reden dat, zoals blijkt uit het motiverend gedeelte van het vonnis, het resultaat van het getuigenverhoor dient te worden afgewacht.

Het arbeidshof laat in het bestreden arrest, alvorens verder recht te spreken over de "ex delicto" gestelde vorderingen van de eerste verweerster tot betaling van achterstallig loon ("als herstel in natura of bij equivalent") en tot betaling van feestdagenvergoeding ("als herstel in natura of bij equivalent") (zowel wat de grond als de ontvankelijkheid van die eisen betreft), de eerste verweerster toe met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van volgende feiten:

"- dat zij tijdens de volledige duur van haar arbeidsovereenkomst als dienstbode dagelijks, zowel tijdens de week, de weekends en de wettelijke feestdagen van 7 uur 30 tot na 20 uur arbeidsprestaties diende te verrichten voor (de eiseres) en haar gezin;

- dat (de eiseres) te allen tijde op de diensten van (de eerste verweerster) kon beroep doen en dit ook effectief deed";

Het arbeidshof staat in het bestreden arrest de eiseres toe het tegenbewijs te leveren van deze feiten en dit met dezelfde rechtsmiddelen.

Alvorens verder recht te spreken over de ex delicto gestelde vorderingen van de eerste verweerster tot betaling van achterstallig loon en tot betaling van feestdagenvergoeding, laten aldus zowel de arbeidsrechtbank als het arbeidshof de eerste verweerster toe met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van bepaalde gelijkaardig omschreven feiten (en laten zij de eiseres toe het tegenbewijs te leveren van die feiten met dezelfde rechtsmiddelen). Het arbeidshof beveelt aldus nagenoeg dezelfde onderzoeksmaatregel als de arbeidsrechtbank: de door de arbeidsrechtbank bevolen onderzoeksmaatregel wordt door het arbeidshof in wezen behouden.

1.2.2. Ter ondersteuning en ter motivering van de beslissingen de eerste verweerster toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van bepaalde gelijkaardig omschreven feiten, alvorens verder recht te spreken over de vorderingen van de eerste verweerster tot betaling van achterstallig loon en tot betaling van feestdagenvergoeding, overweegt:

- de arbeidsrechtbank dat de eerste verweerster aan de hand van de "oorspronkelijke" arbeidsovereenkomst (waarin werd bepaald dat zij gedurende 36 uren per week, verdeeld over zes werkdagen van zes uren, zou werken) geen afdoende bewijs levert van haar vordering, temeer aangezien zij haar vordering minstens blijkt te steunen op een werktijd van 40 uur per week en stelt dat zij zelfs van 7.30 uur tot na 20 uur werkte en dit zeven dagen op zeven, en het arbeidshof in dezelfde zin dat de oorspronkelijke originele arbeidsovereenkomst waarin een arbeidsduurregeling van 36 uren per week (zes werkdagen van zes uren) werd opgenomen, niet het te leveren bewijs van de door de eerste verweerster ingeroepen meerprestaties kan uitmaken, "vermits een tweede arbeidsovereenkomst - waarvan het origineel exemplaar evenwel niet wordt voorgelegd door partijen - melding maakt van een tewerkstelling van 20 uren (5 werkdagen van 4 uren) en (de eerste verweerster) bovendien zelf doet gelden dat zij minstens het dubbel presteerde van de aangegeven arbeidstijd en zelfs arbeidsprestaties verrichtte van 7.30 uur tot 20 uur tijdens de week, de weekends en de feestdagen";

- de arbeidsrechtbank dat gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens niet blijken uit de door de eerste verweerster voorgebrachte verklaringen (van K.C. en mevrouw D.), aangezien deze worden tegengesproken door de verklaringen voorgebracht door de eiseres uitgaande van mevrouw D., secretaresse van de heer C., en mevrouw D.R., sinds 1980 belast met een deel van het huishouden van de eiseres, zodat de eerste verweerster, gelet op de tegenstrijdige verklaringen, aan de hand van de door haar voorgebrachte verklaringen geen bewijs levert van de door haar aangevoerde feiten, en het arbeidshof in dezelfde zin dat "deze geschreven verklaringen van derden inderdaad niet als bewijsmiddel of als een begin van schriftelijk bewijs kunnen worden aanvaard en des te minder als een getuigenverklaring; het slechts feitelijke vermoedens zijn die door geen enkel ander element van het dossier worden gestaafd en zelfs worden tegengesproken door de door (de eiseres) in dit kader voorgebrachte schriftelijke verklaringen (...)", en dat "ook de vaststelling dat de heren G. en D.R. teruggekomen zijn op hun initiele geschreven verklaring, het arbeidshof versterkt in zijn overtuiging dat dergelijke verklaringen elke geloofwaardig-heid missen";

- de arbeidsrechtbank dat de eerste verweerster niet kan worden gevolgd in zoverre zij zich beroept op het vermoeden van artikel 171 van de Programmawet van 22 december 1989 om de bewijslast bij de eiseres te leggen en dat "de werknemer zich niet kan beroepen op artikel 171 teneinde loon te bekomen voor voltijdse prestaties zonder dat het bewijs van de effectiviteit van deze prestaties moet geleverd worden (...)", en het arbeidshof in dezelfde zin dat "(de eerste verweerster) evenmin enig nuttig argument kan putten uit de bepalingen van artikel 171 van de Programmawet van 22 december 1989 omwille van het niet voorhanden zijn van een deeltijds werkrooster wegens absolute nietigheid van de arbeidsovereenkomst (opgesteld in strijd met het Nederlands Taaldecreet)" en dat "conform de (...) cassatierechtspraak, die het arbeidshof bijtreedt, en overeenkomstig artikel 1252, lid 1, van het B.W., luidens hetwelk het wettelijk vermoeden alleen degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs ontslaat, de werknemer derhalve artikel 171 van de Programmawet niet kan inroepen om loon te vorderen zonder arbeidsprestaties te moeten bewijzen (...)";

- de arbeidsrechtbank dat de eerste verweerster tot op heden geen bewijs levert van het feit dat zij meer uren presteerde dan de 20 uur waarvoor zij werd betaald, en het arbeidshof in dezelfde zin dat "met betrekking tot het materieel bestanddeel van het ingeroepen misdrijf (...) het arbeidshof samen met de eerste rechters van oordeel is dat (de eerste verweerster) hic et nunc niet het bewijs levert dat zij meer prestaties heeft geleverd dan de 20 uren per week waarvoor zij een loon ontving";

- de arbeidsrechtbank dat de feiten die de eerste verweerster aanbiedt met getuigen te bewijzen, bepaald en ter zake dienend zijn, en het arbeidshof in dezelfde zin dat "anders dan (de eiseres) voorhoudt, het bewijsaanbod van de eerste twee feiten, zoals geherformuleerd door (de eerste verweerster) in graad van beroep, perfect aan de in artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden beantwoordt en het wel degelijk vatbaar is voor tegenbewijs", dat "het aangeboden getuigenbewijs wel degelijk verband houdt met het voorwerp van de vordering, in zoverre het strekt tot betaling van het achterstallig loon en het loon voor prestaties die zij verrichtte tijdens de feestdagen" en dat de omstandigheid "dat het aangeboden getuigenbewijs ten slotte feiten betreft die 15 jaar geleden aanvingen, geen reden is om bij voorbaat aan (de eerste verweerster) haar principieel recht te ontnemen om door middel van getuigen bepaalde en terzake dienende feiten te mogen bewijzen";

- de arbeidsrechtbank dat "de toepassing van de wetgeving inzake verloning van arbeid op feestdagen niet wordt betwist" dat "(de eiseres) echter betwist dat (de eerste verweerster) op wettelijke feestdagen arbeidsprestaties zou hebben geleverd", dat "(de eerste verweerster) tot op heden niet bewijst dat zij ook arbeid op feestdagen diende te presteren" en dat "teneinde de vordering tot het bekomen 1 euro provisioneel wegens het verrichten van arbeid op feestdagen (te kunnen beoordelen) het resultaat van het (...) getuigenverhoor dient te worden afgewacht", en het arbeidshof in dezelfde zin dat "waar (de eiseres) als zodanig niet betwist dat (de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen) ook geldt voor dienstboden, zij ontkent dat (de eerste verweerster) arbeid heeft gepresteerd op wettelijke feestdagen, wat meteen inhoudt dat zij het bestaan van het materieel bestanddeel van het ingeroepen misdrijf in vraag stelt"', dat (de eerste verweerster) hic et nunc niet het bewijs levert dat zij arbeidsprestaties heeft geleverd op de wettelijke feestdagen" en dat "gelet op de betwisting desbetreffend ook hier het arbeidshof van oordeel is dat het gepast voorkomt in te gaan op het door (de eerste verweerster) in dit kader in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod, zoals hierna geherformuleerd".

Het arbeidshof neemt dus, minstens gedeeltelijk, de motieven van de arbeidsrechtbank over, bevestigt de beslissingen van de arbeidsrechtbank die het uitgangspunt vormen van de onderzoeksmaatregel, en beveelt dan ook niet op eigen gronden een onderzoeksmaatregel.

1.2.3. Het arbeidshof verklaart weliswaar in het bestreden arrest het hoger beroep van de eiseres reeds gedeeltelijk gegrond en vernietigt weliswaar het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 18 oktober 2007, maar die gedeeltelijke gegrondverklaring van het hoger beroep en die vernietiging van het vonnis van de arbeidsrechtbank betreffen niet de beslissingen van de arbeidsrechtbank die het uitgangspunt vormen voor het bevelen van de onderzoeksmaatregel, zijnde de beslissingen omtrent de vorderingen tot betaling van achterstallig loon en tot betaling van feestdagenvergoeding. Zoals blijkt uit wat hierboven onder 1.2.1. en 1.2.2. werd uiteengezet, worden die beslissingen van de arbeidsrechtbank door het arbeidshof immers bevestigd.

Het arbeidshof wijzigt dus niet de beslissingen van de arbeidsrechtbank (omtrent de vorderingen tot betaling van achterstallig loon en tot betaling van feestdagenvergoeding) die het uitgangspunt vormen voor de door de arbeidsrechtbank bevolen onderzoeks-maatregel, en neemt dus voor het bevelen van de gelijkaardige onderzoeksmaatregel hetzelfde uitgangspunt in aanmerking als de arbeidsrechtbank. Het arbeidshof bevestigt dan ook (gedeeltelijk) de door de arbeidsrechtbank bevolen onderzoeksmaatregel in de zin van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

1.3. Het arbeidshof trekt de zaak in haar geheel tot zich met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek en gelast met toepassing van artikel 1072, tweede lid, van dat wetboek de rechters van de arbeidsrechtbank te Antwerpen met de uitvoering van de bevolen onderzoeksmaatregel.

Aangezien het arbeidshof enkel de door de arbeidsrechtbank bevolen onderzoeksmaatregel (gedeeltelijk) bevestigt zonder het vonnis van de arbeidsrechtbank (op dat punt) werkelijk te wijzigen en zonder aldus zelf anders dan de arbeidsrechtbank uitspraak te doen over het geschil (en het arbeidshof dus het door de arbeidsrechtbank voor het opleggen van de onderzoeksmaatregel in aanmerking genomen uitgangspunt overneemt), diende het de zaak, met toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, te verwijzen naar de arbeidsrechtbank voor verdere behandeling van de geschilpunten waarover de beoordeling afhankelijk is van de (resultaten van de) onderzoeksmaatregel.

Conclusie

Het arbeidshof schendt, door de zaak in haar geheel tot zich te trekken met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek en aldus niet te verwijzen naar de arbeidsrechtbank (voor verdere behandeling van de geschilpunten waarover de beoordeling afhankelijk is van de (resultaten van de) onderzoeksmaatregel), artikel 1068, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Door de rechters van de arbeids-rechtbank te Antwerpen in toepassing van artikel 1072, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts te gelasten met de uitvoering van de bevolen onderzoeksmaatregel, schendt het arbeidshof eveneens artikel 1072, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof verklaart het bestreden arrest, waarin het de zaak in haar geheel tot zich trekt, dan ook niet wettig verbindend ten overstaan van de tweede verweerder (schending van de artikelen 15, 16, eerste lid, 812, 813, eerste lid en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

2.3. De eiseres merkt op dat omstandigheid dat de door het arbeidshof bevolen onder-zoeksmaatregel in niet volledig identieke bewoordingen is geformuleerd als die welke bevo¬len door de arbeidsrechtbank, niet relevant is bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een "bevestiging" van een door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel. De onderzoeksmaatregel (getuigenverhoor) heeft "in wezen" dezelfde draagwijdte.

2.4. Voor zoveel als nodig merkt de eiseres op dat:

de beslissing van het arbeidshof de zaak in haar geheel tot zich te trekken met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, een onmiddellijk voor cassatieberoep vatbare eindbeslissing uitmaakt (zie Cass. 13 januari 1972, Arr. Cass. 1972, 468); een schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd, aangezien die bepaling de openbare orde raakt.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 3, 4, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging en de wijziging ervan bij wetten van respectievelijk 13 april 2005 en 23 december 2005, 26, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging ervan bij wet van 10 juni 1998, en 28 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering;

- de artikelen 1382, 1383, en 2262bis, §1, inzonderheid tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1, §1, eerste lid, 2, §1, 2° en 4°, 21, inzonderheid eerste lid, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 24 februari 2003, 23, inzonderheid § 1 en § 2, 26, tweede lid, en 35, inzonderheid § 1, eerste lid, 1°, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 27 december 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke ze¬kerheid der arbeiders;

- de artikelen 5 en 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

- de artikelen 15, 16, eerste lid, 812, 813, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In het bestreden arrest beslist het arbeidshof dat de oorspronkelijke vordering die de eerste verweerster "ex delicto" stelde en die strekt tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade, niet, zelfs niet gedeeltelijk, verjaard en dus ontvankelijk is. Het arbeidshof steunt die beslissing op de volgende vaststellingen en motieven vermeld op de bladzijden 9 t.e.m. 14, onder VI.2.1, van het bestreden arrest.

Het arbeidshof beslist dat de door de eerste verweerster "ex delicto" gestelde vordering tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade reeds gedeeltelijk gegrond is en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de eerste verweerster van een provisioneel bedrag van euro 1 als schadevergoeding wegens pensioenschade, vermeerderd met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de schadeverwekkende feiten en de gerechtelijke interest. Het neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven vermeld op de bladzijden 14, eerste, tweede en derde alinea, en 16, tweede alinea, van het bestreden arrest.

Het arbeidshof verklaart het bestreden arrest verbindend ten overstaan van de tweede verweerder (blz. 18, vierde alinea, van het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest).

Grieven

Krachtens artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als de R.S.Z.-wet, moet iedere verzekeringsplichtige werkgever zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid laten inschrijven en aan deze laatste een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen toezenden.

Op grond van artikel 23, § 1, van de R.S.Z.-wet moet de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon worden ingehouden en is die werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die bijdrage verschuldigd, samen met de zijne. Artikel 23, § 2, van de R.S.Z.-wet verplicht de werkgever die bijdragen binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, om de drie maanden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over te maken (onder voorbehoud van het bepaalde bij § 3).

Krachtens artikel 35, § 1, eerste lid, 1°, van de R.S.Z.-wet worden de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich niet schikken naar de bepalingen voorgeschreven door die wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gestraft met een gevangenisstraf en met een geldboete of met een van die straffen alleen.

De niet of niet-tijdige aangifte van, en de niet of niet-tijdige betaling van, socialezeker-heidsbijdragen door de verzekeringsplichtige werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, is met toepassing van de voornoemde artikelen 21, 23, §§1 en 2, en 35, § 1, eerste lid, 1°, van de R.S.Z.-wet een misdrijf.

Artikel 26, tweede lid, van de R.S.Z.-wet bepaalt dat de werkgever verplicht is het nadeel te herstellen dat de werknemer heeft geleden ingevolge de nalatigheid of de vertraging bij de overdracht van de bijdragen.

De rechtsvordering tot herstel van de schade door een misdrijf veroorzaakt, burgerlijke vordering "ex delicto" genoemd, behoort luidens artikel 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering aan hen die de schade hebben geleden en is gesteund op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters kan vervolgd worden als de strafvordering, of afzonderlijk voor de burgerlijke rechter.

Aangezien, zoals hierboven uiteengezet werd, de niet of niet tijdige aangifte, en de niet of niet tijdige betaling, van socialezekerheidsbijdragen door de verzekeringsplichtige werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een misdrijf uitmaakt, kan de werknemer tegen de in gebreke blijvende verzekeringsplichtige werkgever met toepassing van de voornoemde artikelen 26, tweede lid, van de R.S.Z.-wet, en 3 en 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering voor de arbeidsgerechten een burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf (burgerlijke vordering "ex delicto" genoemd) tot het verkrijgen van een vergoeding voor de schade die hij door dat misdrijf heeft geleden, stellen.

Uit de vaststellingen van het arbeidshof en de stukken van de rechtspleging waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste verweerster (werknemer) tegen de eiseres (werkgever) voor de arbeidsrechtbank en het arbeidshof een vordering voortvloeiende uit het misdrijf bestaande in "het niet naleven van de verplichting inzake sociale zekerheid" tot het verkrijgen van een vergoeding voor de schade veroorzaakt door dat misdrijf (vordering "ex delicto" genoemd), stelde.

2.1. Eerste onderdeel

2.1.1. Vóór de wijziging, bij wet van 10 juni 1998, van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 28 van dezelfde voorafgaande titel van toepassing is in alle door bijzondere wetten geregelde zaken, verjaarde de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, maar kon zij niet verjaren voor de strafvordering.

Sinds de wijziging van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bij wet van 10 juni 1998, verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade, maar kan zij niet verjaren voor de strafvordering. Krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Luidens het derde lid van datzelfde artikel verjaren die vorderingen in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

De burgerlijke rechter, die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering (met toepassing van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering) verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen. Hij moet melding maken van de (materiele en morele) bestanddelen van het misdrijf die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden.

2.1.2. Artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat de arbeidsovereenkomst voor dienstboden de overeenkomst is waarbij een werknemer, de dienstbode, zich verbindt tegen loon en onder gezag van een werkgever, in hoofdzaak huishoudelijke handarbeid te verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.

Krachtens artikel 1, § 1, eerste lid, van de R.S.Z.-wet vindt deze wet (en dus de sociale-zekerheidsregeling voor werknemers) toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.

Op grond van artikel 2, § 1, 2°, van de R.S.Z.-wet kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad to hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van de wet (en dus van de socialezekerheidsregeling voor werknemers) tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken. Op grond van die bepaling heeft de Koning bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet, bepaald dat de toepassing van de R.S.Z.-wet (en dus van de socialezekerheidsregeling voor werknemers) beperkt wordt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, wat de werknemers betreft die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.

Op grond van artikel 2, § 1, 4°, van de R.S.Z.-wet kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet (en dus de socialezekerheidsregeling voor werknemers) onttrekken de categorieën van werknemers tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers. Op grond van die bepaling heeft de Koning bij artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet bepaald dat aan de toepassing van de R.S.Z.-wet (en dus van de socialezekerheidsregeling voor werknemers) worden onttrokken de in artikel 5 bedoelde werknemers, dit zijn de werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin (hieronder kortweg dienstboden genoemd), die niet bij hun werkgever inwonen, wanneer zij geen vier uren daags bij een zelfde werkgever noch vierentwintig, uren per week bij een of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn, alsmede de werkge¬vers wegens de tewerkstelling van deze werknemers.

Een dienstbode die niet bij zijn werkgever inwoont en die geen vier uren per dag bij een zelfde werkgever noch vierentwintig uren per week bij een of verschillende werkgevers is tewerkgesteld, valt aldus op grond van voornoemd artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet niet onder de socialezekerheidsregeling voor werknemers, zodat een werkgever die een dergelijke dienstbode tewerkstelt geen socialezekerheidsbijdragen (in de socialezekerheidsregeling voor werknemers) aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is verschuldigd.

Een dienstbode die niet voldoet aan de in artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet bepaalde vereisten om uitgesloten te worden uit het toepassingsgebied van de socialezekerheidsregeling voor werknemers, zoals een dienstbode die bij zijn werkgever inwoont, valt aldus op grond van artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet onder de socialezekerheidsregeling voor werknemers wat de in die bepaling vermelde sectoren betreft, zodat een werkgever die een dergelijke dienstbode tewerkstelt voor die sectoren socialezekerheidsbijdragen (in de socialezekerheidsregeling voor werknemers) aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is verschuldigd.

De niet bij hun werkgever inwonende dienstboden in de zin van het voornoemde artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet, zijn de dienstboden die niet fysiek in dezelfde woning als de werkgever wonen. Inwonen veronderstelt in een zelfde woning, m.a.w. onder hetzelf¬de dak, wonen. Uit de enkele omstandigheid dat een dienstbode permanent beschikbaar is voor de werkgever, in die zin dat de werkgever steeds een beroep kan doen op zijn diensten, kan niet wettig afgeleid worden dat een dienstbode bij zijn werkgever inwoont.

Een dienstbode die niet fysiek in dezelfde woning als de werkgever, maar in een aanpalend gebouw dat eigendom is van de familie van de werkgever, speciaal werd opgericht om in de huisvesting van de dienstbode te voorzien en gratis ter beschikking wordt gesteld, woont, maar die wel permanent beschikbaar is voor die werkgever, in die zin dat die werkgever steeds een beroep kan doen op zijn diensten, dient aldus voor de toepassing van artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet als een niet bij zijn werkgever inwonende dienstbode te worden beschouwd.

Het feit dat de woning waar de dienstbode vertoeft, eigendom is van (de familie van) de werkgever, speciaal wordt opgericht om in de huisvesting van de dienstbode te voorzien en hem gratis ter beschikking wordt gesteld, is niet relevant bij de beoordeling van de vraag of die dienstbode al dan niet bij zijn werkgever inwoont in de zin van artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet en maakt van die dienstbode aldus niet een bij zijn werkgever inwonende dienstbode in de zin van die bepaling. Dat geldt ook voor het feit dat de dienstbode in het rijksregister steeds ingeschreven is gebleven op hetzelfde adres als de werkgever.

2.1.3. Het arbeidshof beslist dat de eerste verweerster moet worden beschouwd als een inwonende dienstbode gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling voor de eiseres en haar gezin en steunt die beslissing (o.m.) op de overweging dat de vraag of iemand de hoedanigheid heeft van inwonende dienstbode, niet onlosmakelijk verbonden is met het feit dat deze dienstbode fysiek in dezelfde woning verblijft, maar evenzeer afhankelijk is van de beschikbaarheid van die dienstbode voor de werkgever, in de zin dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om te allen tijde op de diensten van die dienstbode een beroep te doen, "wat (de eiseres) overigens ook erkent".

2.1.3.1. Zoals hierboven werd uiteengezet onder nummer 2.1.2., is de vraag of iemand al dan niet de hoedanigheid van inwonende dienstbode in de zin van artikel 18 van het Uitvoe¬ringsbesluit R.S.Z.-wet heeft, wel onlosmakelijk verbonden met de vraag of die dienstbode al dan niet fysiek in dezelfde woning als de werkgever verblijft. De al dan niet beschikbaarheid van de dienstbode voor de werkgever, in die zin dat de werkgever al dan niet over de mogelijkheid beschikt om te allen tijde een beroep te doen op de diensten van die dienstbode, is niet relevant bij de beoordeling van de vraag of die dienstbode al dan niet als een bij zijn werkgever inwonende dienstbode dient te worden beschouwd. Uit de loutere beschikbaar¬heid van de dienstbode voor de werkgever, in die zin dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om te allen tijde een beroep te doen op de diensten van die dienstbode, kan niet wettig afgeleid worden dat die dienstbode als een bij zijn werkgever inwonende dienstbode dient te worden beschouwd.

Het arbeidshof overweegt dan ook niet wettig dat de vraag of iemand de hoedanigheid heeft van inwonende dienstbode, niet onlosmakelijk verbonden is met het feit dat deze dienstbode fysiek in dezelfde woning verblijft, maar evenzeer afhankelijk is van de beschikbaarheid van die dienstbode voor de werkgever, in de zin dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om te allen tijde op de diensten van die dienstbode een beroep te doen.

2.1.3.2. Het arbeidshof overweegt dat "het tussen partijen niet ter betwisting staat dat (de eerste verweerster) met haar echtgenoot aanvankelijk de conciërgewoning, die deel uitmaakte van de woning van de familie C-T (zijnde de familie van de eiseres), betrok, zodat zij op dat ogenblik ondubbelzinnig als een inwonende dienstbode moet worden beschouwd" en stelt vast dat "(de eerste verweerster) later (volgens (de eerste verweerster) eind de jaren 1990, volgens (de eiseres) in 1994-1995) met haar gezin ingetrokken is in een aanpalend gebouw op het terrein van de familie C-T (zijnde de familie van de eiseres)".

Het arbeidshof stelt aldus vast dat de eerste verweerster aanvankelijk met haar echtgenoot de conciërgewoning, die deel uitmaakte van de woning van de familie C-T (de familie van de eiseres), betrok, en later met haar gezin ingetrokken is in een aanpalend gebouw op het terrein van de familie C-T (de familie van de eiseres).

Het arbeidshof overweegt dat "de omstandigheid dat vanaf dat ogenblik (d.i. vanaf het ogenblik waarop de eerste verweerster met haar gezin ingetrokken is in een aanpalend gebouw) (de eerste verweerster) met haar gezin strikt gezien niet meer onder hetzelfde dak van (de eiseres) vertoefde, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat het opzet van het belendende gebouw er juist in bestond dat (de eiseres) en haar gezin steeds de mogelijkheid hadden om op elk ogenblik gebruik te maken van de diensten van (de eerste verweerster)". Vervolgens overweegt het arbeidshof dat "uit wat voorafgaat noodzakelijk dient te worden besloten dat de verhuis van het gezin (van de eerste verweerster) naar de aanpalende dienstwoning - eigendom van de familie C-T (d.i. de familie van de eiseres), speciaal opgericht teneinde in de huisvesting van (de eerste verweerster) te voorzien en gratis ter beschikking gesteld - absoluut geen verandering heeft teweeggebracht aan haar hoedanigheid van inwonende dienstbode". Het arbeidshof overweegt ook nog dat "(de omstandigheid) dat de nieuwe huurders, die de aanpalende woning na verhuizing van (de eerste verweerster) betrokken, ingeschreven werden in het rijksregister onder huisnummer 4, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat (de eerste verweerster) steeds ingeschreven is gebleven op de Middeldreef nr.6 (...)".

2.1.4. Zoals volgt uit wat hierboven werd uiteengezet onder nummer 2.1.2., kan het arbeidshof uit zijn overwegingen dat de vraag of iemand de hoedanigheid heeft van inwonende dienstbode niet onlosmakelijk verbonden is met het feit dat deze dienstbode fysiek in dezelfde woning verblijft, maar evenzeer afhankelijk is van de beschikbaarheid van die dienstbode voor de werkgever (in de zin dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om te allen tijde op de diensten van die dienstbode een beroep te doen), en dat de omstandigheid dat vanaf het ogenblik waarop de eerste verweerster met haar gezin ingetrokken is in een aanpalend gebouw, strikt gezien niet meer onder hetzelfde dak van de eiseres vertoefde, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat het opzet van het belendende gebouw er juist in bestond dat de eiseres en haar gezin steeds de mogelijkheid hadden om op elk ogenblik gebruik te maken van de diensten van de eerste verweerster, niet wettig afleiden dat de verhuis van het gezin van de eerste verweerster naar de aanpalende dienstwoning absoluut geen verandering heeft teweeggebracht aan haar hoedanigheid van inwonende dienstbode en aldus dat de eerste verweerster als een inwonende dienstbode moet worden beschouwd gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling (en dus ook na de verhuis van (het gezin van) de eerste verweerster naar de aanpalende dienstwoning).

Voor zover het arbeidshof zijn beslissing dat de verhuis van het gezin van de eerste verweerster naar de aanpalende dienstwoning absoluut geen verandering heeft teweeggebracht aan haar hoedanigheid van inwonende dienstbode en bijgevolg dat de eerste verweerster als een inwonende dienstbode moet worden beschouwd gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling (en dus ook na de verhuis van (het gezin van) de eerste verweerster naar de aanpalende dienstwoning), eveneens steunt op de vaststellingen dat de aanpalende dienstwoning (waarnaar (het gezin van) de eerste verweerster was verhuisd) eigendom was van de familie C-T (d.i. de familie van de eiseres (werkgever)), speciaal opgericht werd om in de huisvesting van de eerste verweerster te voorzien en gratis ter beschikking werd gesteld, en dat de eerste verweerster "steeds ingeschreven is gebleven op de Middeldreef nr. 6", kan die beslissing van het arbeidshof, zoals eveneens volgt uit wat hierboven onder nr. 2.1.2. werd uiteengezet, evenmin wettig verantwoord worden op grond van die vaststellingen.

Conclusie

Na vastgesteld te hebben dat de eerste verweerster later met haar gezin ingetrokken is in een aanpalend gebouw op het terrein van de familie C-T en aldus vanaf dat ogenblik niet meer onder hetzelfde dak van de eiseres vertoefde, kan het arbeidshof uit zijn overige vaststellingen niet wettig afleiden dat de verhuis van het gezin van de eerste verweerster naar de aanpalende dienstwoning absoluut geen verandering heeft teweeggebracht aan haar hoedanigheid van inwonende dienstbode en aldus dat de eerste verweerster als een inwonende dienstbode moet worden beschouwd gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling (en dus ook na de verhuis van (het gezin van) de eerste verweerster naar de aanpalende dienstwoning) (schending van artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Aangezien het arbeidshof niet wettig beslist dat de eerste verweerster moet worden beschouwd als een inwonende dienstbode gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling (en dus ook na de verhuis naar de aanpalende dienstwoning), beslist het evenmin wettig dat de in artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet bepaalde uitsluiting uit het toepassingsgebied van de socialezekerheidsregeling voor werknemers niet van toepassing is, dat de eerste verweerster aldus onder de sociale zekerheidsregeling voor werknemers valt, wat de in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet bepaalde sectoren betreft, en dat de eiseres aldus voor die sectoren aan de tweede verweerder socialezekerheidsbijdragen is verschuldigd (schending van de artikelen 1, § 1, eerste lid, 2, § 1, 2° en 4°, 21, inzonderheid eerste lid, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 24 februari 2003, en 23, inzonderheid § 1 en § 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 5 en 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof beslist bijgevolg ook niet wettig dat het bestaan van het materieel element van het misdrijf op genoegzame wijze wordt aangetoond door de eerste verweerster, dat ook het (uit het bestaan van het materieel bestanddeel afgeleide) moreel bestanddeel van het ingeroepen misdrijf vaststaat, en dat de eiseres aldus een (voortgezet) misdrijf heeft begaan (schending van de artikelen 21, inzonderheid eerste lid, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 24 februari 2003, 23, inzonderheid § 1 en § 2, en 35, inzonderheid § 1, eerste lid, 10, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 27 december 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de door de eerste verweerster "ex delicto" gestelde vordering tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade niet, zelfs niet gedeeltelijk, verjaard en dus ontvankelijk is (schending van de artikelen 3, 4, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging en de wijziging ervan bij wetten van respectievelijk 13 april 2005 en 23 december 2005, 26, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging ervan bij wet van 10 juni 1998, en 28 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 1382, 1383, en 2262bis, § 1, inzonderheid tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, en 26, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof verklaart het bestreden arrest aldus niet wettig verbindend ten overstaan van de tweede verweerder (schending van de artikelen 15, 16, eerste lid, 812, 813, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

2.2. Tweede onderdeel

De toekenning van een schadevergoeding op grond van een burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf, gesteund op de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, veronderstelt het bewijs van het bestaan van het misdrijf (de fout), de door dat misdrijf geleden schade en het oorzakelijk verband tussen beiden.

Het arbeidshof overweegt dat "vermits hierboven werd geoordeeld dat (de eerste verweerster) dient te worden gekwalificeerd als een inwonende bediende (lees: dienstbode), haar arbeidsprestaties onterecht niet werden aangegeven bij de RSZ en onterecht geen sociale zekerheidsbijdragen werden betaald op het loon door (de eiseres), zodat de fout van (de eiseres) vaststaat".

Zoals uiteengezet werd in het eerste onderdeel, beslist het arbeidshof niet wettig dat de eerste verweerster dient te worden beschouwd als een inwonende dienstbode gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling voor de eiseres en haar gezin (en dus ook na de verhuis naar de aanpalende dienstwoning).

Conclusie

Aangezien het arbeidshof niet wettig beslist dat de eerste verweerster dient te worden beschouwd als een inwonende dienstbode gedurende de ganse duur van haar tewerkstelling, en bijgevolg dat de in artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet bepaalde uitsluiting uit het toepassingsgebied van de socialezekerheidsregeling voor werknemers niet van toepassing is, dat de eerste verweerster aldus onder de sociale zekerheidsregeling voor werknemers valt wat in de artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet bepaalde sectoren betreft, en dat de eiseres aldus voor die sectoren aan de tweede verweerder socialezekerheidsbijdragen is verschuldigd, beslist het evenmin wettig dat de arbeidsprestaties van de eerste verweerster onterecht niet werden aangegeven bij de tweede verweerder, dat onterecht geen socialezekerheidsbijdragen werden betaald op het loon door de eiseres, en dat de fout van de eiseres aldus vaststaat (schending van de artikelen 1, § 1, eerste lid, 2, § 1, 2° en 4°, 21, inzonderheid eerste lid, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 24 februari 2003, 23, inzonderheid § 1 en § 2, 26, tweede lid, en 35, inzonderheid § 1, eerste lid, 1°, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 27 december 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 5 en 18 van het koninklijk besluit van 28 no¬vember 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 3 en 4, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging en de wijziging ervan bij wetten van respectievelijk 13 april 2005 en 23 december 2005, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de door de eerste verweerster "ex delicto" gestelde vordering tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade reeds gedeeltelijk gegrond is en veroordeelt de eiseres dus niet wettig tot betaling aan de eerste verweerster van een provisioneel bedrag van 1 euro als schadevergoeding wegens pensioenschade, vermeerderd met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de schadeverwekkende feiten en de gerechtelijke interest (schending van de artikelen 3 en 4, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging en de wijziging ervan bij wetten van respectievelijk 13 april 2005 en 23 december 2005, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, en 26, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof verklaart het bestreden arrest dan ook niet wettig verbindend ten overstaan van de tweede verweerder (schending van de artikelen 15, 16, eerste lid, 812, 813, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- de artikelen 3, 4, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging en de wijziging ervan bij wetten van respectievelijk 13 april 2005 en 23 december 2005, 26, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de vervanging ervan bij wet van 10 juni 1998, en 28 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering;

- artikel 65 van het Strafwetboek;

- de artikelen 1382, 1383, en 2262bis, § 1, inzonderheid tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 21, inzonderheid eerste lid, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 24 februari 2003, 23, inzonderheid § 1 en § 2, 26, tweede lid, 35, inzonderheid § 1, eerste lid, 1°, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 27 december 2005, en 39, eerste lid, zowel in de versie van toepassing voor als in die van toepassing na de wet van 29 april 1996, en voor de wijziging ervan bij wet van 3 juli 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing beslist het arbeidshof dat de oorspronkelijke vordering "ex delicto" van de eerste verweerster tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade, niet, zelfs niet gedeeltelijk, verjaard en dus ontvankelijk is. Het arbeidshof neemt die beslissing op grond van de vaststellingen en motieven vermeld op de bladzijde 13, derde laatste alinea, tot en met 14, vijfde alinea, van het arrest.

Grieven

- Krachtens artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als de R.S.Z.-wet, moet iedere verzekeringsplichtige werkgever zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid laten inschrijven en aan deze laatste een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen toezenden.

Op grond van artikel 23, § 1, van de R.S.Z.-wet moet de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon worden ingehouden en is die werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die bijdrage verschuldigd, samen met de zijne. Op grond van artikel 23, § 2, van de R.S.Z.-wet moet de werkgever die bijdragen binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, om de drie maanden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overmaken (onder voorbehoud van het bepaalde bij § 3).

Krachtens artikel 35, § 1, eerste lid, 1°, van de R.S.Z.-wet worden de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich niet schikken naar de bepalingen voorgeschreven door die wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gestraft met een gevangenisstraf en met een geldboete of met een van die straffen alleen.

De niet of niet tijdige aangifte van, en de niet of niet tijdige betaling van, socialezekerheidsbijdragen door de verzekeringsplichtige werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, is met toepassing van de voornoemde artikelen 21, 23, §§1 en 2, en 35, § 1, eerste lid, 1°, van de R.S.Z.-wet een misdrijf.

- Artikel 26, tweede lid, van de R.S.Z.-wet bepaalt dat de werkgever verplicht is het nadeel te herstellen dat de werknemer heeft geleden ingevolge de nalatigheid of de vertraging bij de overdracht van de bijdragen.

De rechtsvordering tot herstel van de schade door een misdrijf veroorzaakt, burgerlijke vordering "ex delicto" genoemd, behoort luidens artikel 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering aan hen die de schade hebben geleden, en is gesteund op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters kan vervolgd worden als de strafvordering, of afzonderlijk voor de burgerlijke rechter.

Aangezien, zoals hierboven uiteengezet werd, de niet of niet tijdige aangifte van, en de niet of niet tijdige betaling, van socialezekerheidsbijdragen door de verzekeringsplichtige werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een misdrijf uitmaakt, kan de werknemer tegen de in gebreke blijvende verzekeringsplichtige werkgever met toepassing van de voornoemde artikelen 26, tweede lid, van de R.S.Z.-wet, en 3 en 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering voor de arbeidsgerechten een burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf (burgerlijke vordering "ex delicto" genoemd) tot het verkrijgen van een vergoeding voor de schade die hij door dat misdrijf heeft geleden, stellen.

Uit de vaststellingen van het arbeidshof en de stukken van de rechtspleging waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste verweerster (werknemer) tegen de eiseres (werkgever) voor de arbeidsrechtbank en het arbeidshof een vordering voortvloeiende uit het misdrijf bestaande in "het niet naleven van de verplichting inzake sociale zekerheid" tot het verkrijgen van een vergoeding voor de schade veroorzaakt door dat misdrijf (vordering "ex delicto" genoemd), stelde.

Voor de wijziging van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, op grond van artikel 28 van dezelfde voorafgaande titel van toepassing in alle door bijzondere wetten geregelde zaken, bij wet van 10 juni 1998, verjaarde de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, maar kon zij niet verjaren voor de strafvordering.

Sinds de wijziging van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bij wet van 10 juni 1998, verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade, maar kan zij niet verjaren voor de strafvordering. Krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Luidens het derde lid van datzelfde artikel verjaren die vorderingen in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

Vóór de wijziging van artikel 39, eerste lid, van de R.S.Z.-wet bij wet van 29 april 1996 verjaarde de strafvordering wegens overtreding van de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan door verloop van drie jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan. Na de wijziging van artikel 39, eerste lid, van de R.S.Z.-wet bij wet van 29 april 1996 en voor de wijziging ervan bij wet van 3 juli 2005 verjaarde de strafvordering wegens overtreding van de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.

Krachtens artikel 65 van het Strafwetboek wordt, als verschillende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet en zij gelijktijdig worden voorgelegd aan eenzelfde feitenrechter, alleen de zwaarste straf uitgesproken. Op grond van diezelfde bepaling houdt de feitenrechter, indien hij vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die voor hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen.

Onder een voortgezet of collectief misdrijf wordt verstaan, een misdrijf dat bestaat uit verschillende strafbare gedragingen, handelingen of onthoudingen van dezelfde aard (voortgezet misdrijf) of van verschillende aard (collectief misdrijf), maar die geacht worden samen slechts een misdrijf uit te maken wegens de eenheid van "misdadig opzet" van de dader, d.i. wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking, en in die zin door een feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd.

Het Hof kan nagaan of de feitenrechter uit de door hem gedane feitelijke vaststellingen wettig kon besluiten tot het at dan niet bestaan van eenheid van misdadig opzet en dus tot het al dan niet bestaan van een voortgezet misdrijf.

De verjaringstermijn van de strafvordering en derhalve ook die van de burgerlijke vordering op grond van een misdrijf bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering beginnen in geval zij betrekking hebben op een voortgezet of collectief misdrijf, ten aanzien van het geheel van de feiten te !open vanaf het laatste feit dat met hetzelfde opzet is gepleegd, op voorwaarde dat dat laatste, niet verjaarde feit bewezen is gebleven en dat elk eerder gepleegd strafbaar feit behoudens stuiting of schorsing van de verjaring niet van het later gepleegde strafbaar feit is gescheiden door een tijdsspanne die langer is dan de verjaringstermijn.

Het arbeidshof beslist dat de door de eerste verweerster "ex delicto" gestelde vordering tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade niet, zelfs niet gedeeltelijk, is verjaard. Die beslissing van het arbeidshof is (o.m.) gesteund op de overweging dat het aan de eiseres verweten misdrijf een voortgezet misdrijf uitmaakt.

3.1. Eerste onderdeel

3.1.1. De gedane feitelijke vaststellingen van de feitenrechter moeten het Hof toelaten het aan hem opgedragen wettigheidstoezicht op het rechtsbegrip "eenheid van misdadig opzet" uit te oefenen en moeten meer bepaald het Hof toelaten na te gaan of uit die feitelijke vaststellingen wettig kan worden besloten tot het al dan niet bestaan van eenheid van misdadig opzet. De feitenrechter die dat aan het Hof toegekende wettigheidstoezicht onmogelijk maakt, schendt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

3.1.2. Het arbeidshof overweegt enkel op algemene wijze dat met betrekking tot het aan de eiseres verweten misdrijf dient te worden aanvaard dat het gaat om een voortgezet misdrijf.

Vervolgens overweegt het arbeidshof dat:

- "onder voortgezet misdrijf immers wordt verstaan een misdrijf dat bestaat uit verscheidene gedragingen van dezelfde aard, die elk afzonderlijk strafbaar zijn, doch die geacht worden samen slechts een misdrijf uit te maken wegens de eenheid van het misdadig opzet in hoofde van de dader, dit is wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door een feit, namelijk een complexe gedraging te zijn opgeleverd (...)";

"onder eenheid van misdadig opzet daarbij niet wordt bedoeld opzet in contrast tot onachtzaamheid, maar wel het plan of de bedoeling van de dader, waarvan de veelheid van daden de uitdrukking is (...)";

- bij voortgezette misdrijven de verjaringstermijn van de strafvordering slechts begint te lopen vanaf het laatst gepleegd misdrijf.

Met die overwegingen geeft het arbeidshof op algemene rechtstheoretische wijze aan (1) wat verstaan dient te worden onder een voortgezet misdrijf en onder eenheid van misdadig opzet, en (2) wat het vertrekpunt is van de verjaringstermijn van de strafvordering bij voortgezette misdrijven.

Na die algemene rechtstheoretische overwegingen gemaakt te hebben, overweegt het arbeidshof enkel dat "het laatste feit dat in casu met hetzelfde opzet is gepleegd, het niet betalen van de sociale zekerheidsbijdragen is, zodat de aanvang van de verjaringstermijn samenvalt met het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, datum die zich evident niet voor eind juli 2005 situeert" en beslist het dat, aangezien de dagvaarding werd betekend op 23 oktober 2006, de door de eerste verweerster ingestelde vordering ex delicto niet, zelfs niet gedeeltelijk, is verjaard. Ten slotte overweegt het arbeidshof dat "gelet op het voorgaande, de bewering desbetreffend van (de eiseres) dat zij steeds te goeder trouw heeft gemeend dat (de eerste verweerster) uitgesloten was uit het toepassingsgebied van het sociaal zekerheidsstelsel voor werknemers, irrelevant is".

Het arbeidshof geeft aldus niet aan uit welke concrete feitelijke vaststellingen het afleidt dat sprake is van eenheid van misdadig opzet (en dus van een voortgezet misdrijf) in de aan hem voorgelegde zaak.

Conclusie

Aangezien de hierboven aangehaalde overwegingen en vaststellingen van het arbeidshof het Hof niet toelaten na te gaan of het arbeidshof wettig heeft besloten tot het bestaan van eenheid van misdadig opzet en dus van een voortgezet misdrijf (en het arbeidshof aldus het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht onmogelijk maakt), schendt het arbeidshof artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

3.2. Tweede onderdeel

Voor zover de hierboven aangehaalde overwegingen en vaststellingen van het arbeidshof het Hof wel toelaten het aan hem opgedragen wettigheidstoezicht op het rechtsbegrip "eenheid van misdadig opzet" uit te oefenen, kan op grond van die overwegingen en vaststellingen niet wettig worden besloten tot het bestaan van eenheid van misdadig opzet en dus tot het bestaan van een voortgezet misdrijf.

Met die overwegingen en vaststellingen geeft het arbeidshof immers niet aan dat de verschillende door de eiseres begane strafbare gedragingen en handelingen de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet en aldus onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door een feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd.

Conclusie

Het arbeidshof kan uit de door hem gedane vaststellingen niet wettig afleiden dat met betrekking tot het aan de eiseres verweten misdrijf dient te worden aanvaard dat het gaat om een voortgezet misdrijf (schending van artikel 65 van het Strafwetboek). Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de door de eerste verweerster "ex delicto" gestelde vordering tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens pensioenschade niet, zelfs niet gedeeltelijk, is verjaard (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangewezen bepalingen m.u.v. artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verwijst de appelrechter de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.

2. De appelrechter, die het hoger beroep gegrond of ten dele gegrond verklaart, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, mag de zaak niet naar de eerste rechter verwijzen, ook al beveelt hij tevens een onderzoeksmaatregel die dezelfde of grotendeels dezelfde is als diegene bevolen door het beroepen vonnis.

De appelrechter doet ook zelf uitspraak over het geschil wanneer hij een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de bevestigde onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter.

3. Het middel dat er geheel van uitgaat dat het verbod de zaak te verwijzen naar de eerste rechter, slechts geldt wanneer het geschilpunt dat de appelrechter in een andere zin beslecht dan de eerste rechter het uitgangspunt vormt van de bevestigde onderzoeksmaatregel, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt, wat de werknemers betreft die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk te werk gesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.

Krachtens artikel 18 van voormeld koninklijk besluit, worden aan de toepassing van de wet onttrokken, de in artikel 5 bedoelde werknemers die niet bij hun werkgever inwonen, wanneer zij geen vier uren daags bij eenzelfde werkgever, noch vierentwintig uren per week bij één of verschillende werkgevers tewerkgesteld zijn, alsmede de werkgevers wegens de tewerkstelling van deze werknemers.

5. Het inwonen in de zin van voormeld artikel 18 veronderstelt niet noodzakelijk dat de dienstbode in dezelfde woning als zijn werkgever leeft.

6. De appelrechters oordelen dat:

- de verweerster aanvankelijk met haar echtgenoot een conciërgewoning betrok, die deel uitmaakte van de woning van de familie C-T;

- zij op dat ogenblik ondubbelzinnig als een inwonende dienstbode diende te worden aangezien;

- de verweerster later met haar gezin introk in een aanpalend gebouw op het terrein van de familie C-T;

- het opzet van het belendende gebouw er juist in bestond dat de eiseres en haar gezin steeds de mogelijkheid hadden om op elk ogenblik gebruik te maken van de diensten van de verweerster.

7. De appelrechters die op die gronden beslissen dat de verweerster steeds de hoedanigheid van inwonende dienstbode heeft behouden, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel, dat volledig is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending van het artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, is niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste en tweede onderdeel samen

9. De appelrechters oordelen dat:

- het niet naleven van de verplichtingen inzake sociale zekerheid strafbaar is op grond van artikel 35 van de RSZ-wet;

- gezien de verweerster als een inwonende bediende te beschouwen was, de eiseres ten onrechte de arbeidsprestaties van de verweerster niet aangaf bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen socialezekerheidsbijdragen betaalde op haar loon;

- niet kan worden aangenomen dat de eiseres oprecht de mening was toegedaan dat de verweerster niet de hoedanigheid van inwonende dienstbode bezat;

- zowel het materieel als het moreel bestanddeel van het ingeroepen misdrijf vaststaat;

- de aan de eiseres verweten feiten een voortgezet misdrijf opleveren;

- onder voortgezet misdrijf immers wordt verstaan een misdrijf dat bestaat uit verscheidene gedragingen van dezelfde aard, die elk afzonderlijk strafbaar zijn, doch die geacht worden samen één misdrijf uit te maken wegens de eenheid van misdadig opzet in hoofde van de dader;

- het laatste feit dat ter zake met hetzelfde opzet is gepleegd, het niet betalen van de socialezekerheidsbijdragen is, zodat de aanvang van de verjaringstermijn samenvalt met het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die zich niet voor eind juli 2005 situeert;

- gezien de dagvaarding werd betekend op 23 oktober 2006, de door de verweerster ingestelde vordering niet verjaard is, zelfs niet gedeeltelijk.

10. Op grond van deze vaststellingen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vermochten de appelrechters zonder schending van het artikel 65 van het Strafwetboek, te oordelen dat de aan de eiseres verweten strafbare feiten, namelijk het niet aangeven van de arbeidsprestaties van de verweerster bij de sociale zekerheid en het niet betalen van de socialezekerheidsbijdragen op haar loon tijdens de ganse duur van de tewerkstelling van de verweerster als inwonende bediende, verbonden zijn door eenheid van misdadig opzet.

Het middel kan in zijn beide onderdelen niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 549,90 euro jegens de eisende partij en op de som van 291,85 jegens de verwerende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 10 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Devolutieve werking

  • Uitspraak over het geschil

  • Onderzoeksmaatregel

  • Verwijzing naar de eerste rechter