- Arrest van 12 januari 2011

12/01/2011 - P.10.1867.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 545, vierde lid, 1°, b, van het Wetboek van Strafvordering legt de voorzitter van het gerecht ten aanzien waarvan de onttrekking wordt gevorderd niet de verplichting op om overleg te plegen met alle leden van dat gerecht, maar met degenen die hij met naam vermeldt; de omstandigheid dat sommige rechters van de rechtbank de verklaring niet meeondertekend hebben heeft niet tot gevolg dat zij noodzakelijk moet worden afgewezen omdat zij niet geloofwaardig is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1867.F

R. F.,

verzoeker tot verwijzing van een rechtbank naar een andere wegens gewettigde verdenking,

mrs. Eric Causin, advocaat bij de balie te Brussel, en Dominique Remy, advocaat bij de balie te Dinant,

in zake

1. DE PROCUREUR DES KONINGS TE DINANT,

2. C. M.,

burgerlijke partij,

3. Ph. M.,

burgerlijke partij,

4. DINANT LOISIRS, naamloze vennootschap,

burgerlijke partij,

mr. Jean Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, voor de burgerlijke

partijen

tegen

1. R. F.,

2. L. S.,

3. P. D. C.,

beklaagden.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

In een verzoekschrift dat op 30 november 2010 op de griffie van het Hof is ingekomen, vordert de eiser dat de zaak met het nummer 70.98.145/03 van de notities van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg te Dinant, en de zaak met het nummer A.R. 2010/RG/1856 van het hof van beroep te Luik, aan de rechtbank van eerste aanleg te Dinant zouden worden onttrokken.

Bij arrest van 8 december 2010 heeft het Hof dat verzoek niet kennelijk onontvankelijk verklaard ten aanzien van de voormelde rechtbank maar heeft het dat verzoek afgewezen ten aanzien van het voormelde hof van beroep.

Het advies van het openbaar ministerie bij het rechtscollege ten aanzien waarvan de onttrekking wordt gevorderd, is op 20 december 2010 op de griffie van het Hof ingekomen.

Op 23 december 2010 heeft Meester Jean Bourtembourg op de griffie een conclusie neergelegd voor de burgerlijke partijen.

Diezelfde dag heeft de griffie de verklaring ontvangen die in artikel 545, vierde lid, 1°, b, Wetboek van Strafvordering is bepaald en die door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dinant is gedaan in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld.

De eiser heeft een conclusie neergelegd op 11 en 12 januari 2011.

Op de rechtszitting van 12 januari 2011 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 545, vierde lid, 1°, b, Wetboek van Strafvordering legt de voorzitter van het gerecht ten aanzien waarvan de onttrekking wordt gevorderd, niet de verplichting op om overleg te plegen met alle leden van dat gerecht, maar met de leden die met naam worden vermeld.

Uit het feit dat sommige rechters van de rechtbank de verklaring niet mede hebben ondertekend, volgt niet dat zij onvermijdelijk als ongeloofwaardig moet worden verworpen.

Acht magistraten van de rechtbank, met inbegrip van de voorzitter, zijn van mening dat er in het kader nog voldoende rechters overblijven om van de zaak zelf kennis te nemen. De beschuldigingen die de eiser tegen laatstgenoemde uit, raken de overige ondertekenaars van de verklaring niet. Hetzelfde geldt voor de grieven die opgeworpen zijn tegen één van de magistraten wiens handtekening niet op de verklaring staat.

Het gebrek aan rechtschapenheid dat door de procureur des Konings, in zijn advies, aan sommige leden van het rechtscollege wordt toegeschreven, houdt niet in dat het gewettigd zou zijn dat gerecht in zijn geheel te verdenken.

2. De incidentele aangifte in een bij het Hof aanhangige zaak is niet gegrond als de aangegeven feiten geen misdrijf lijken op te leveren.

De eiser voert aan dat het tegenstrijdig is om, enerzijds, in de beschikking tot opdracht van 8 oktober 2010, te vermelden dat de rechters van de rechtbank van eerste aanleg allen verhinderd zijn en, anderzijds, in de verklaring van 20 december 2010 te vermelden dat in het kader voldoende magistraten overblijven om van de zaak kennis te nemen. Hij leidt daaruit af dat beide stukken vals zijn.

Een dergelijke aangifte, die voortkomt uit de verwarring tussen de noodwendigheden van de dienst als grond tot wettige verhindering en de gewettigde verdenking als grond tot onttrekking, is ongegrond.

3. Een verzoek tot verwijzing van een rechtbank naar een andere wegens gewettigde verdenking moet gegrond zijn op bewijskrachtige en welomschreven feiten en niet op veronderstellingen over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtbank, die worden vermoed.

Tot staving van anonieme verklaringen die in de pers zijn overgenomen, voert de eiser aan dat de magistraat die is aangeduid om de kamer voor te zitten die belast is met het beoordelen van de telastleggingen, in het openbaar verklaringen heeft afgelegd die een schending van het vermoeden van onschuld inhouden, en dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dinant, die nauwe banden zou kunnen hebben met de burgerlijke partijen, in de specifieke samenstelling van de voormelde kamer is tussengekomen. Hij voert tevens verklaringen van de voormelde voorzitter in de pers aan, over de solidariteit tussen de magistraten van de rechtbank ten opzichte van de kritiek die op één van hen is geuit.

Uit de door het Hof ingewonnen inlichtingen blijkt niet dat de samenstelling van het rechtscollege het voorwerp zou zijn geweest van manoeuvres die een gewettigd karakter kunnen verlenen aan de verdenking die de eiser op die grond beweert te koesteren tegen alle leden van het rechtscollege. Uit die inlichtingen blijkt evenmin dat de kamervoorzitster de haar toegeschreven verklaringen over de afloop van de zaak zou hebben afgelegd.

Noch de uitoefening van de electorale mandaten die door de eiser worden aangevoerd wat betreft de politieke sympathieën van de kamervoorzitster, noch de uitlatingen in de pers van de voorzitter van de rechtbank, noch de grieven die uitsluitend tegen hem zijn gericht, zijn omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat alle magistraten van de rechtbank waarbij de vervolgingen aanhangig zijn gemaakt, niet in staat zouden zijn om op onafhankelijke of onpartijdige wijze uitspraak te doen, of dat gewettigde verdenking bij de eiser of in de publieke opinie zou kunnen bestaan omtrent hun geschiktheid om aldus te oordelen.

Behoudens een "dissenting opinion", bevestigt de met toepassing van artikel 545, vierde lid, 1°, b, Wetboek van Strafvordering ontvangen verklaring, dat de door de eiser aangevoerde redenen niet volstaan om de onpartijdigheid van het rechtscollege in zijn geheel in twijfel te trekken.

4. Op grond van de ingewonnen adviezen acht het Hof het niet nodig het verhoor te bevelen van de rechters van de rechtbank van eerste aanleg te Dinant, dat door de eiser wordt gevorderd als de voorbereidende maatregel bedoeld in artikel 547 Wetboek van Strafvordering.

Het verzoek is niet gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het verzoek.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 12 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onttrekking wegens gewettigde verdenking

  • Procedure

  • Verklaring van de voorzitter van het betrokken rechtscollege

  • Overleg met de leden van het rechtscollege

  • Draagwijdte

  • Verklaring die door sommige rechters niet meeondertekend werd