- Arrest van 12 januari 2011

12/01/2011 - P.09.0835.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in accijnszaken bepaalde verbeurdverklaring van de gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om het bedrog te plegen, is een straf met een zakelijk karakter en vereist niet dat de veroordeelde of de ontduiker eigenaar is van de verbeurdverklaarde goederen, noch dat de ontduiker gekend is; ook in geval van vrijspraak zijn de rechters verplicht de verbeurdverklaring te bevelen van producten waarop accijnzen verschuldigd zijn en waarvan zij vaststellen dat zij wederrechtelijk zijn vervoerd (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.09.0835.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van douane en accijnzen van de provincie Luik,

vervolgende partij,

eiser,

mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

K. S.,

beklaagde,

verweerder,

mrs. Olivier D'Aout en Sandra Berbuto, advocaten bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 24 april 2009.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft een conclusie neergelegd die op de griffie is ingekomen op 6 januari 2011.

Op de rechtszitting van 12 januari 2011 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest dat het verzuimt de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren, ofschoon het vaststelt dat ze in België waren ingevoerd met ontduiking van de accijnsrechten.

De wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, bepaalde in artikel 39, vierde lid, zoals het van kracht was ten tijde van de feiten, dat de gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te plegen, verbeurd worden verklaard. De wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, die in werking is getreden op 1 april 2010 en die de wet van 10 juni 1997 opheft en vervangt, voorziet in artikel 45, vierde lid, in een verplichte verbeurdverklaring, in soortgelijke bewoordingen als die van de vroegere wetgeving.

Die verbeurdverklaring is een straf met een zakelijk karakter en vereist niet dat de veroordeelde of de ontduiker eigenaar is van de verbeurdverklaarde goederen, noch dat de ontduiker gekend is.

De verweerder die wordt vervolgd omdat hij aan accijns onderworpen goederen op het Belgisch grondgebied heeft binnengebracht zonder dat hij vooraf de daarop verschuldigde rechten heeft betaald of zich voor de betaling ervan borg heeft gesteld, werd door de eerste rechter vrijgesproken.

Op het niet-beperkt hoger beroep van de vervolgende partij, bevestigt het arrest die beslissing op grond dat het niet bewezen is dat de verweerder ervan op de hoogte was dat hij op wederrechtelijke wijze accijnsproducten vervoerde.

Niettegenstaande die vrijspraak waren de appelrechters, die geoordeeld hebben dat de feiten konden worden omschreven als onwettig vervoer van de producten waarop accijnzen verschuldigd waren, verplicht de verbeurdverklaring ervan te bevelen.

Door dit te verzuimen schendt het arrest het in het middel bedoelde artikel 39, vierde lid.

Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering

Tweede middel

Het middel is gericht tegen de beslissing van de appelrechters om de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tot veroordeling van de verweerder tot betaling van de accijnsrechten en bijzondere accijnsrechten, niet toe te wijzen.

De appelrechters hebben hun weigering gegrond op de overweging dat, krachtens artikel 42 van de wet van 10 juni 1997, de accijns niet meer opeisbaar is op de verbeurd verklaarde of afgestane goederen en op de vaststelling dat de verweerder akte van afstand van de in beslag genomen goederen had gedaan.

Artikel 42 van de voormelde wet, zoals het ten tijde van de feiten van toepassing was, bepaalde dat, onverminderd de in de artikelen 39, 40 en 41 bepaalde straffen, de betaling van de ontdoken accijns altijd opeisbaar is.

Sedert de wijziging van die bepaling door artikel 320 van de programmawet van 22 december 2003, stelde die bepaling dat, bij wijze van uitzondering op het beginsel dat de accijns altijd opeisbaar is, zij niet verschuldigd was op de producten die, naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 39, effectief werden in beslag genomen en naderhand werden verbeurdverklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist werden afgestaan.

De wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, die in werking is getreden op 1 april 2010, heft de wet van 10 juni 1997 op, maar voorziet in artikel 48 in een gelijkaardige bepaling als die van het voormelde artikel 39, zoals het werd gewijzigd bij artikel 320 van de programmawet van 22 december 2003.

Het gewijzigde artikel 42 slaat op een belastingschuld en is dus geen straf, zodat het niet toepasselijk was op de toestanden die, zoals te dezen, zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van de voormelde programmawet.

Het arrest maakt een retroactieve toepassing van artikel 320 van die wet en schendt bijgevolg de in het middel bedoelde bepalingen.

Het middel is gegrond.

Het Hof kan evenwel de in het middel bekritiseerde reden, waarop de bestreden beslissing steunt, vervangen door een rechtsgrond die het beschikkend gedeelte verantwoordt.

Het arrest oordeelt dat gelet op de feitelijke omstandigheden, meer bepaald het feit dat de producten waarvan de accijnzen waren ontdoken verborgen zaten tussen de goederen die voor rekening van een derde werden vervoerd, het onvoldoende is aangetoond dat de beklaagde wist of diende te weten dat hij op onwettige wijze accijnsproducten vervoerde.

Aangezien het feit dat aanleiding geeft tot de opeisbaarheid van de accijnsrechten de verweerder niet kan worden toegerekend, kan hij niet tot betaling van die rechten worden veroordeeld.

Ofschoon het middel gegrond is, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het verzuimt uitspraak te doen over de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 12 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Accijnzen

  • Wederrechtelijk vervoer van producten waarop accijnzen verschuldigd zijn

  • Vrijspraak

  • Verbeurdverklaring

  • Aard

  • Verplicht karakter