- Arrest van 17 januari 2011

17/01/2011 - C.10.0246.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Rechtsmisbruik bestaat in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon; dat is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft; bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak (1). (1) Cass., 10 juni 2004, AR C.02.0039.N, A.C., 2004, nr. 315; Cass., 9 maart 2009, AR C.08.0331.F, A.C., 2009, nr. 182; Cass., 8 feb. 2010, AR C.09.0416.F, A.C., 2010, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr.. C.10.0246.F

S. G.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

KBC BANK, nv,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 december 2009 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 31 december 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, inzonderheid derde lid, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand misbruik mag maken van zijn

recht ;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de hoofdvordering van de verweerster gegrond, in weerwil van het rechtsmisbruik waarop de eiser zich had beroepen om de vrijgave van zijn borgstelling te vorderen en die gegrond was op het misbruik waaraan de bank zich schuldig had gemaakt, door (i) het eerste krediet van 10.000.000 frank, dat zij op 30 oktober 1992 aan de naamloze vennootschap Maveco had verstrekt, op te zeggen en zich de borgstelling van de eiser toe te eigenen, (ii) door het tweede krediet van 10.000.000 frank, dat zij op 25 februari 1994 aan de vennootschap Maveco had verstrekt, op te schorten en diezelfde dag een bedrag van 123.946,70 euro te blokkeren met het oog op de terugbetaling van het krediet, en (iii) door de borgstelling op te eisen na een lange periode van inactiviteit, om de volgende redenen :

"Een partij schendt artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarin het beginsel is neergelegd van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten, niet wanneer zij gebruik maakt van het recht dat zij uit de wettig aangegane overeenkomst haalt, en niet blijkt dat zij misbruik ervan heeft gemaakt (Cass., 20 februari 1992, A.C., 1991-92, nr. 325).

Misbruik van een recht uit een overeenkomst bestaat in de uitoefening van dat recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens. Dat is inzonderheid het geval wanneer de aan de medecontractant veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft (Cass. 9 maart 2009, C.08.0331F/7).

De kredieten die de verweerster te dezen heeft verstrekt in juni 1991 en vervolgens in maart 1993, werden telkens voor onbepaalde tijd verleend en konden op verzoek van elke partij worden stopgezet, op voorwaarde dat die partij een opzeggingstermijn van slechts één maand in acht nam, zonder dat zij die opzegging hoefde te verantwoorden (artikelen 8 en 9 van het kredietreglement, waarvan niet betwist wordt dat de vennootschap Maveco zonder enig voorbehoud hiermee heeft ingestemd).

Artikel 10 van dat reglement bepaalt daarenboven dat de bank het krediet zonder opzeggingstermijn kan opschorten of opzeggen en, in geval van opzegging, de onmiddellijke terugbetaling van het debetsaldo kan eisen, met name 'bij verlies of vermindering, om gelijk welke reden, van een vierde van het vermogen van de kredietnemer, of in geval van achterstand of nalatigheid in het houden van de boekhouding' (artikel 10 e), of ‘bij fusie met een andere vennootschap hetzij door overname hetzij door oprichting van een nieuwe vennootschap' (artikel 10 g), en ook 'wanneer de kredietnemers hun fiscale, sociale of andere verplichtingen niet op regelmatige wijze nakomen' (artikel 10 m), en nog, in meer algemene bewoordingen, 'indien de kredietnemers niet aan alle voorwaarden van dit reglement voldoen' (artikel 10 n). Luidens artikel 42 van dat reglement bestaat een van die voorwaarden erin dat 'de kredietnemers, op het eerste verzoek, alle inlichtingen moeten meedelen die de bank nodig acht om hun bedrijfsresultaat en/of vermogenstoestand te beoordelen (...) en aan de vertegenwoordigers van de bank alle gewenste boekhoudkundige documenten moeten voorleggen'.

Toen de (verweerster) in oktober 1992 het verstrekte krediet opzegde en vervolgens het nieuwe krediet dat zij in maart 1993 had verstrekt, op 25 februari 1994 eerst gedeeltelijk en daarna, op 3 maart 1994, geheel opschortte, heeft zij slechts de bepalingen van haar kredietreglement toegepast en is zij, in tegenstelling tot wat de eerste rechter meent, niet de grenzen te buiten gegaan van de normale uitoefening van de rechten die uit dat reglement zijn ontstaan, daar zij gereageerd heeft zoals een normaal (...) voorzichtige professionele kredietverstrekker dat zou hebben gedaan indien hij geconfronteerd werd met de bijzonder hachelijke financiële toestand van de vennootschap Maveco.

Wat de eerste kredietopzegging in oktober 1992 betreft, blijkt uit het verslag van bedrijfsrevisor Ghyoot, die (de eiser) in de zomer van 1992 geraadpleegd had om de financiële toestand van de vennootschap Maveco te onderzoeken na haar overname door de naamloze vennootschap Citex, dat die overname heeft geleid tot een negatief eigen vermogen en dat er voor die vennootschap dringend een herstelplan uitgewerkt moest worden. Door de schuldvordering van de eiser en de heer Avi Paz op de vennootschap Maveco bij het maatschappelijk kapitaal op te tellen, werd het eigen vermogen van de vennootschap Maveco, vanuit een strikt boekhoudkundig oogpunt, weliswaar opnieuw positief, maar bij gebrek aan een herkapitalisatie door de inbreng van cash, waaraan er in het geval van de vennootschap Maveco een nijpend tekort was, bleef het passief op korte termijn zeer zorgwekkend.

(De verweerster) heeft dus geenszins rechtsmisbruik gepleegd door het krediet op te zeggen overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van haar kredietreglement en door vervolgens opnieuw te onderhandelen over een nieuw krediet, dat zij ditmaal afhankelijk stelde van een zakelijke zekerheid (pand op handelszaak) en een persoonlijke zekerheid (hoofdelijke borgtocht (van de eiser), waarbij zij rekening hield met het verhoogde risico op het faillissement van de kredietnemer. Elke normaal voorzichtige en oplettende kredietverstrekker zou op dezelfde wijze gehandeld hebben.

De eerste rechter heeft het dus bij het verkeerde eind wanneer hij beslist dat het eerste krediet alleen maar werd opgezegd om het daarna te verbinden aan zekerheden die de bank tot dan toe niet had geëist. De reden daarvoor was dat de financiële toestand van de vennootschap Maveco, na de overname ervan door de vennootschap Citex, verergerd was.

(De eiser) heeft de (verweerster) destijds voor het overige niet in gebreke gesteld om het oorspronkelijke krediet opnieuw te openen. Integendeel, in zijn brief van 4 november 1992 deelde hij haar mee dat hij niet zinnens was te twisten over de vraag of het aan de vennootschap Maveco verstrekte krediet al dan niet terecht was opgezegd, maar dat hij een voorstel zou formuleren dat de bank in die mate zou tevredenstellen dat zij het krediet opnieuw zou willen verstrekken. Net in dat voorstel heeft hij zich borg gesteld.

(De eiser) kan thans dus niet betogen dat zijn hoofdelijke borgstelling voor de verbintenissen van de vennootschap Maveco ten aanzien van de bank, die werd vastgelegd in een geschrift van 7 januari 1993 dat voldeed aan de vereisten van artikel 1326 van het Burgerlijk Wetboek, hem door de bank door middel van bedrog of geweld zou zijn afgeperst.

Het hof (van beroep) stelt voor het overige vast dat (de eiser) nooit de nietigheid van die borgtocht gevorderd heeft op grond van artikel 1117 van het Burgerlijk Wetboek, daar die trouwens gedekt was door zijn maandelijkse betalingen aan de bank van juli 1994 tot juni 1996, die net bedoeld waren om zijn verbintenis als borg na te komen.

(De verweerster) heeft evenmin rechtsmisbruik gepleegd door het tweede krediet, dat zij op 7 januari 1993 had verstrekt, op 25 februari 1994 eerst gedeeltelijk en daarna op 3 maart 1994 geheel op te schorten.

Die verstrekte kredieten werden voorlopig opgeschort nadat de Kredietbank op 21 februari 1994 reeds een gedeelte van de aan de vennootschap Maveco ter beschikking gestelde kredieten (de seizoenkredieten) gedeeltelijk had opgeschort, daar laatstgenoemde een aanzienlijke achterstand had opgebouwd in haar betalingen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.

Een dergelijke reden mocht de (verweerster) ook aanvoeren om de aan de vennootschap Maveco verstrekte kredieten voorlopig op te schorten, wat zij dan ook deed bij de aangetekende brief die zij haar op 25 februari 1994 toestuurde, waarin zij daarenboven betreurde dat de vennootschap Maveco hardnekkig bleef weigeren om haar een gedetailleerd verslag van de financiële situatie van het jaar 1993 en de concrete resultaten van de aangekondigde herstructureringsmaatregelen mee te delen, ondanks de dringende rappels en ingebrekestellingen die zij haar had toegestuurd in de brieven van 21 en 29 oktober 1993 en vooral die van 8 februari 1994.

De vennootschap Maveco en meer bepaald (de eiser), in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van die vennootschap, hebben het alleen maar aan zichzelf te wijten dat de (verweerster) hen op 3 maart 1994 ter kennis bracht dat de verstrekte kredieten geheel werden opgeschort omdat de gewenste boekhoudkundige gegevens nog steeds niet waren meegedeeld, zoals artikel 42 van het kredietreglement dat vereiste.

De omstandigheid dat die opschorting, die in wezen een tijdelijke maatregel is, plaatsvond op het ogenblik dat de rekening van de vennootschap Maveco bij de verweerster gecrediteerd werd met een bankcheque van om en bij 5.000.000 oude frank aan order van de vennootschap Maveco (een cheque die niet is overgelegd) en dat bedrag dus geblokkeerd werd, is uiteraard niet de oorzaak maar wel het gevolg van die opschorting.

De eerst gedeeltelijke en vervolgens gehele opschorting van de kredieten door de bank was ingegeven door de noodzaak om die kredieten op een verstandige manier te beheren, zodat haar achteraf niet verweten kon worden dat zij een virtueel failliete vennootschap met een onverdiend krediet kunstmatig in leven had gehouden. Die opschorting was, gelet op de omstandigheden, te dezen geenszins voorbarig.

De (verweerster) sloot zich voor het overige alleen maar aan bij het standpunt van de Kredietbank en liep daarbij slechts ietwat vooruit op het standpunt van de Generale Bank en vervolgens van de bank Ippa, aan wie de eiser blijkbaar niets verwijt.

Daarenboven blijkt uit geen enkel stuk dat de (verweerster) gehandeld zou hebben in strijd met het interbancair akkoord dat de vennootschap Maveco met haar vier kredietverstrekkers had gesloten, door de drie andere bankiers op de hoogte te brengen van haar beslissing om de aan die vennootschap toegestane kredieten op te schorten en vervolgens deel te nemen aan de met hen belegde vergadering van 7 maart 1994. Dat verwijt had haar voor het overige alleen kunnen worden gemaakt door een van die banken, wat niet is gebeurd".

Grieven

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens. Dat is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft. Bij de afweging van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak en inzonderheid, bijgevolg, met de situatie van de schuldenaar van de houder van het recht.

Wanneer een partij een andere partij verwijt dat zij misbruik heeft gemaakt van haar recht en zich daarvoor baseert op het gebrek aan evenredigheid tussen het belang dat de houder van het recht uit de uitoefening van zijn recht heeft verkregen en de schade die hij daardoor aan een ander heeft berokkend, moet de rechter nagaan of er wel degelijk een onevenredigheid bestaat tussen het voordeel dat de houder van het recht daaruit verkregen heeft en de schade die daardoor aan een ander is berokkend.

Uit de redenen van het arrest blijkt dat het hof van beroep slechts aangetoond heeft dat de verweerster houder van een recht was.

Inzake de opzegging van het eerste krediet wijst het arrest erop dat de verweerster het recht had het krediet op te zeggen overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van haar kredietreglement en inzake de gedeeltelijke opschorting van het tweede krediet met blokkering van de tegoeden beslist het arrest alleen dat de situatie van de vennootschap Maveco zulks rechtvaardigde en dat de verweerster zich overigens alleen maar aangesloten heeft bij het standpunt van de Kredietbank en op dat van andere banken vooruitgelopen is.

Het arrest onderzoekt daarentegen nergens in zijn motivering de schade die aan de eiser of aan de vennootschap Maveco is berokkend, evenmin als hun belang om te beletten dat de kredieten zouden worden opgezegd.

Het arrest heeft bijgevolg, hoewel de eiser hierom vroeg, op geen enkel ogenblik onderzocht of de verweerster uit de uitoefening van haar rechten geen voordeel heeft verkregen dat buiten verhouding staat tot de daarmee gepaard gaande last voor de eiser en, derhalve, haar rechten heeft uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van haar rechten door een voorzichtig en bedachtzaam mens, en miskent aldus het algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt.

Het arrest, dat het door de eiser tegen de vordering van de verweerster aangevoerde rechtsmisbruik verwerpt zonder te onderzoeken of de verweerster haar recht niet op een onevenredige wijze heeft uitgeoefend, miskent het begrip rechtsmisbruik en is niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1134, derde lid, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken).

Het arrest, dat niet vermeldt waarom het bestaan van rechtsmisbruik volgens dat arrest uitgesloten is, stelt het Hof daarenboven, en op zijn minst, in de onmogelijkheid na te gaan of de beslissing naar recht is verantwoord en is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens. Dat is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft. Bij de afweging van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Na van die regels de eerste twee in herinnering te hebben gebracht, stelt het arrest, in tegenstelling tot wat het middel betoogt, niet louter vast dat de verweerster, krachtens de overeenkomst, het recht had om op die wijze te handelen en om, meer bepaald, het aan de naamloze vennootschap Maveco in oktober 1992 verstrekte krediet op te zeggen en het nieuwe, in maart 1993 verstrekte krediet op 25 februari 1994 eerst gedeeltelijk en daarna op 3 maart 1994 geheel op te schorten.

Het arrest beslist dat de verweerster " (aldus) niet de grenzen te buiten is gegaan van de normale uitoefening van de rechten die uit (haar) (krediet)reglement zijn ontstaan, daar zij gereageerd heeft zoals een normaal voorzichtige professionele kredietverstrekker dat zou hebben gedaan indien hij geconfronteerd werd met de bijzonder hachelijke financiële toestand van (die) naamloze vennootschap".

Met betrekking tot de eerste kredietopzegging in oktober 1992, stelt het arrest op omstandige wijze vast dat die situatie toen verergerd was, daar de vennootschap, als gevolg van de overname, een passief vertoonde dat "op korte termijn zeer zorgwekkend" was, en weerlegt het op die grond het argument waaruit de eiser afleidde dat die opzegging rechtsmisbruik opleverde en volgens hetwelk de verweerster het krediet alleen maar had opgezegd om het aan zekerheden te kunnen verbinden, iets wat ze tot dan toe niet geëist had.

Het arrest beslist dat de gedeeltelijke opschorting van het krediet op 25 februari 1994 verantwoord was omdat de vennootschap Maveco een aanzienlijke achterstand had opgebouwd in haar betalingen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, wat de Kredietbank ertoe had aangezet om op datzelfde ogenblik een soortgelijke maatregel te nemen, en ook omdat de voormelde vennootschap "hardnekkig bleef weigeren om haar een gedetailleerd verslag van de financiële situatie van het jaar 1993 en de concrete resultaten van de aangekondigde herstructureringsmaatregelen mee te delen, ondanks de dringende rappels en ingebrekestellingen" die de verweerster haar had toegestuurd.

Volgens het arrest verantwoordde dat blijvend gebrek aan inlichtingen ook de volledige opschorting van het krediet op 3 maart 1994, en was de blokkering van het bedrag van 5.000.000 frank slechts het gevolg daarvan, op grond dat de verweerster zich zodoende slechts had aangesloten bij "het standpunt van de Kredietbank en daarbij slechts ietwat vooruit liep op het standpunt van de Generale Bank en vervolgens van de bank Ippa", aan wie de eiser blijkbaar niets verwijt.

Het arrest besluit dat "de eerst gedeeltelijke en vervolgens gehele opschorting van de kredieten door de bank was ingegeven door de noodzaak om die kredieten op een verstandige manier te beheren, zodat haar achteraf niet verweten kon worden dat zij een virtueel failliete vennootschap met een onverdiend krediet kunstmatig in leven had gehouden. Die opschorting was, gelet op de omstandigheden, te dezen geenszins voorbarig".

Uit die overwegingen volgt dat het arrest de schade die volgens de eiser in een oorzakelijk verband staat met de houding van de verweerster, met name het faillissement van Maveco die zij zou bespoedigd hebben, waardoor hij als hoofdelijke borg schade geleden heeft, terwijl het volgens hem om een "financieel stabiele en zelfs bloeiende vennootschap" ging, wier situatie "verre van hopeloos was" en waaraan de andere bankinstellingen, met uitzondering van de verweerster, bereid waren nieuwe kredieten te verstrekken. Het verklaart vervolgens die schade niet bewezen.

Het arrest onderzoekt, door die overwegingen, in het licht van alle omstandigheden van de zaak of de verweerster uit de uitoefening van haar recht geen voordeel heeft verkregen dat buiten verhouding staat tot de daarmee voor de eiser gepaard gaande last.

Het omkleedt aldus met redenen en verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de verweerster geen rechtsmisbruik heeft gepleegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Pierre Cornelis en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 17 januari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genico, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden