- Arrest van 21 januari 2011

21/01/2011 - C.08.0364.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het cassatieberoep tegen de uitspraak over de wijziging van de taal van de rechtspleging moet worden ingesteld binnen de drie maanden te rekenen vanaf die uitspraak.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0364.N

C.B.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

CENTEA nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Mechelse Steenweg 180,

verweerster,

en in aanwezigheid van

R.P.,

partij opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 28 april 2008.

Het arrest van dit Hof van 8 oktober 2009 heeft aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 27 mei 2010 heeft die vraag beantwoord.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verder verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 4, § 1 en 6, § 1 en 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verklaart het verzoek tot taalwijziging uitgaande van de eiseres en de partij opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest ongegrond en zegt voor recht dat de procedure in de Nederlandse taal zal worden verdergezet.

Het verantwoordt zijn beslissing o.a. met de overwegingen dat:

"(...) dat het geschil thans beperkt blijft tot het beantwoorden van de vraag in welke taal de procedure thans dient te worden verdergezet; (...) dat thans de dagvaarding in het Nederlands werd opgesteld; dat beide verweerders (te weten de eiseres en de partij opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest) de taalwijziging vragen; de vraag tot wijziging van de taal der rechtspleging dient steeds te worden gedaan voor alle verweer of exceptie, zelfs van onbevoegdheid, zowel voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd als voor de gerechten van eerste aanleg die hun zetel hebben in een ander arrondissement (art. 2, 4 en 7 Taalwet Gerechtszaken) (...); (...) de vraag tot taalwijziging ontvankelijk is; dat (de verweerster) zich verzet tegen de taalwijziging; dat (de partij opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest) woonachtig is te Beersel (extra muros); dat het verzoek tot taalwijziging niet wordt toegestaan."

Grieven

Overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, behoudens de gevallen van artikel 3 van die wet, wordt het gebruik der talen, voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gelegen als volgt geregeld: de akte van inleiding van het geding wordt in het Frans gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied, in het Nederlands indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied, in het Frans of het Nederlands, ter keuze van de eiser, indien de verweerder woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft. De rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.

Overeenkomstig artikel 6, § 1, van voormelde wet, wordt wanneer in dezelfde zaak verscheidene verweerders zijn en, krachtens voormeld artikel 4, de akte tot inleiding van het geding in het Frans of in het Nederlands moet gesteld worden naar gelang de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied of in het Nederlands taalgebied, de ene of de andere van die talen gebruikt voor het opstellen van de akte naar gelang dat de meerderheid van de verweerders in het Frans taalgebied of in het Nederlands taalgebied woonachtig is; in geval van gelijkheid, wordt de akte tot inleiding van het geding in het Frans of in het Nederlands gesteld volgens de keuze van de eiser.

Overeenkomstig artikel 6, § 2, van dezelfde wet, wordt, wanneer in dezelfde zaak verscheidene verweerders zijn en, krachtens artikel 4, de keuze van de taal der rechtspleging aan de verweerder behoort, de taal gebruikt die door de meerderheid wordt gevraagd. In geval van gelijkheid, duidt de rechter zelf de taal aan waarin de rechtspleging moet voortgezet worden, daarbij rekening houdende met de noodwendigheden van de zaak.

Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen volgt dat, wanneer in de procedure meerdere verweerders zijn, zij moet worden verdergezet in de taal van de akte tot inleiding van het geding, behoudens wanneer de meerderheid van de verweerders de taalwijziging vraagt. Voor het bepalen of de meerderheid van de verweerders de taalwijziging vraagt, dient rekening gehouden met alle verweerders, ongeacht hun woonplaats.

Het bestreden vonnis stelt vast dat in deze procedure twee partijen werden gedagvaard door de eisende partij, zijnde verweerster, en dat beide verwerende partijen, te weten eiseres en de partij opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest, de taalwijziging vragen.

Door vervolgens het verzoek tot taalwijziging te weigeren op grond dat "eerste verweerder woonachtig is te Beersel (extra muros)", ofschoon dit verzoek uitging van de meerderheid van de verweerders, schendt het bestreden vonnis de in de hoofding aangewezen wetsbepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 gezegd voor recht dat de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, Taalwet Gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden.

2. Overeenkomstig artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de ken¬nisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Uit die bepalingen volgt dat het cassatieberoep tegen de uitspraak over de wijziging van de taal rechtspleging (artikel 4, § 1, derde lid, Taalwet Gerechtszaken) moet worden ingesteld binnen de drie maanden te rekenen vanaf die uitspraak.

Het cassatieberoep dat is ingesteld buiten die termijn, is niet ontvankelijk.

Vordering tot bindendverklaring

3. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 589,46 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 21 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Taalgebruik

  • Verzoek tot taalwijziging

  • Uitspraak

  • Cassatieberoep

  • Termijn

  • Begin