- Arrest van 24 januari 2011

24/01/2011 - C.09.0635.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals onder meer geregeld door de artikelen 26, §2, 2°, en 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, volgt weliswaar dat ook in andere zaken waarin een vraag wordt opgeworpen met een identiek onderwerp als een vraag waarover het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan, de rechter de wetsbepaling die het Grondwettelijk Hof ongrondwettig heeft bevonden, buiten toepassing kan laten, maar de rechter vermag evenwel niet de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde schending bij analogie uit te breiden tot een andere rechtsvraag dan degene waarover het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan, ook al heeft die betrekking op dezelfde wetsbepaling (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0635.N

S.J.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

D.A.,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 oktober 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 december 2010 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het opkomt tegen de overwegingen van het arrest inzake het discriminerend karakter van de artikelen 127 en 128 Wet Landverzekeringsovereenkomst, die overtollig zijn, daar het bestreden arrest in hoofdorde beslist heeft dat deze wet niet van toepassing is op de groepsverzekering.

2. De appelrechters oordelen dat de groepsverzekering, die een specifieke verzekering betreft, niet geregeld wordt in de Wet Landverzekerings-overeenkomst.

De appelrechters geven aldus te kennen dat de groepsverzekering niet specifiek geregeld word in de Wet Landverzekeringsovereenkomst, maar sluiten zodoende de toepassing van deze wet op de groepsverzekering niet uit.

3. Het oordeel van de appelrechters dat de artikelen 127 en 128 Wet Landverzekeringsovereenkomst buiten beschouwing gelaten moeten worden omdat zij discriminerend zijn, is geen overtollige beschouwing maar een zelfstandige reden van de bestreden beslissing.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet aangenomen worden.

Middel zelf

4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, beslissen de appelrechters niet dat de Wet Landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is op de groepsverzekering.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

5. Uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals onder meer geregeld door de artikelen 26, § 2, 2°, en 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, volgt weliswaar dat ook in andere zaken waarin een vraag wordt opgeworpen met een identiek onderwerp als een vraag waarover het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan, de rechter de wetsbepaling die het Grondwettelijk Hof ongrondwettig heeft bevonden, buiten toepassing kan laten.

De rechter vermag evenwel niet de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde schending bij analogie uit te breiden tot een andere rechtsvraag dan degene waarover het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan, ook al heeft die betrekking op dezelfde wetsbepaling.

6. Bij arrest nr. 54/99 van 26 mei 1999 heeft het Grondwettelijk Hof beslist: "De artikelen 127, 128 en 148, § 3, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij tot gevolg hebben dat, wanneer twee echtgenoten gemeenschap van goederen hebben, één van beiden een levensverzekering heeft aangegaan om de goede afloop van de terugbetaling van gemeenschappelijke leningen te waarborgen en, nadat die terugbetaling is gedaan, om een kapitaal op te leveren, niet voor de langstlevende echtgenoot van de verzekeringnemer, maar enkel voor deze laatste ingeval hij een overeengekomen leeftijd zou bereiken, en bovendien de premies ten laste van de gemeenschappelijke goederen zijn betaald, dat kapitaal eigen is en slechts aanleiding geeft tot vergoeding indien de premiebetalingen die ten laste van het gemeenschappelijk vermogen zijn gedaan, kennelijk de mogelijkheden ervan te boven gaan."

Het Grondwettelijk Hof heeft aldus in dit arrest uitspraak gedaan over de ongrondwettigheid van de voormelde bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, met betrekking tot individuele levensverzekeringen die één van de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten heeft aangegaan en die de betaling van een kapitaal enkel aan de verzekeringnemer waarborgen.

7. De appelrechters stellen vast dat de betwisting tussen de partijen de voordelen betreft, verkregen naar aanleiding van een groepsverzekering, die een specifieke verzekering betreft welke de functie heeft van een aanvullend pensioen, met een meer collectief karakter dan de individuele levensverzekering.

Zij oordelen dat ook voor wat de groepsverzekering betreft, de rechter zich dient te voegen naar het arrest van 26 mei 1999 en derhalve de artikelen 127 en 128 Wet Landverzekeringsovereenkomst buiten beschouwing dient te laten wanneer en in de mate dat het om een spaaroperatie gaat, wat zij te dezen aannemen.

8. De appelrechters breiden aldus de door het Grondwettelijk Hof in het arrest van 26 mei 1999 vastgestelde schending uit tot een vraag die geen identiek onderwerp heeft als degene waarover het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan, en schenden zodoende de artikelen 26, §2, 2°, en 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof.

Het middel is in zoverre gegrond.

Omvang van cassatie

9. De cassatie van de beslissing op het tweede middel, dient te worden uitgebreid tot de beslissing over de kosten die er een gevolg van is.

Overige grieven

10. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de groepsverzekering en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 24 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraagstelling

  • Taak van de rechter

  • Reeds bestaand arrest met betrekking tot dezelfde wetsbepaling

  • Andere rechtsvraag