- Arrest van 25 januari 2011

25/01/2011 - P.10.0279.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De civielrechtelijke bevoegdheid van de strafrechter, die geadieerd wordt op grond van de artikelen 13 en 15 Monumentendecreet, reikt niet verder dan het bevelen van het herstel in de oorspronkelijke toestand, gestoeld op de in artikel 13 vermelde misdrijven en overeenkomstig de modaliteiten van herstel bepaald in artikel 15, met eventuele oplegging van een dwangsom per dag vertraging in de uitvoering van de herstelmaatregel; de vordering die ertoe strekt bijkomende maatregelen op te leggen met betrekking tot het voordien bevolen herstel ten gevolge van gewijzigde omstandigheden, stoelt niet verder op de oorspronkelijke verrichte schuldbeoordeling, grondslag van de tegen de beklaagde bevolen dwangmaatregel en vergt een nieuwe beoordeling, losgekoppeld van het oorspronkelijk bewezen verklaarde misdrijf, waarvoor de strafrechter niet bevoegd is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0279.N

HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de heer Hubert Bloemen, in zijn hoedanigheid van administrateur-generaal van het agentschap inspectie ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed, met diensten gevestigd te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan, 19, bus 22,

eiser tot herstel,

eiser,

met als raadsman mr. Christian Lemache, advocaat bij de balie te Hasselt,

tegen

1. M. J. M. D.

beklaagde,

2. R. A. M. D

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 januari 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

Een vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 26 november 2004 veroordeelt de verweerders strafrechtelijk omdat zij als eigenaar van een beschermd monument of van een beschermd stad- of dorpsgezicht niet de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken hebben uitgevoerd of hebben laten uitvoeren, deze niet in goede staat hebben gehouden, hebben ontsierd of beschadigd of vernielingen hebben aangebracht. Het vonnis veroordeelt de verweerders tevens tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen een termijn van achttien maanden onder verbeurte van een dwangsom van 200 euro.

De verweerders stelden beroep in tegen dit vonnis.

Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 oktober 2006 bevestigt de strafrechtelijke sancties en veroordeelt de verweerders daarnaast om binnen een termijn van drie jaar, ingaande vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest, over te gaan tot het herstel van de plaats in de vorige staat, hetgeen inhoudt herstelling van de dakspanten, muurplaten en ankerbalken van kasteel en hoevegebouwen, vernieuwen van alle dakbedekkingen van kasteel en hoevegebouwen en het dichten van raam- en deuropeningen, onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

De eerste verweerder heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. Het Hof heeft het cassatieberoep verworpen bij arrest van 6 maart 2007.

De eiser heeft op 7 augustus 2007 een kortgedingprocedure opgestart om machtiging te vragen zeer dringende consolideringswerken aan het kasteel en de schuur te doen uitvoeren.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren heeft in kortgeding deze machtiging verleend bij beschikking van 29 oktober 2007.

Op basis van die beschikking werden in 2009 voorlopige instandhoudingswerken aan de beschermde constructie aangebracht.

De eiser heeft op 4 oktober 2007 de verweerders gedagvaard voor het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, met het oog op de machtiging tot planning en uitvoering van de bij arrest van 12 oktober 2006 bevolen definitieve instandhoudingswerken voor rekening van de eigenaars.

Het arrest van 20 januari 2010 wijst de vordering van de eiser af.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 15, § 1 en § 3, Monumentendecreet, artikel 1144 Burgerlijk Wetboek, artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel accessorium sequitur principale en de motiveringsverplichting: de eiser vorderde voor rekening van de verweerders gemachtigd te worden om zelf de bij vorig arrest van 12 oktober 2006 bevolen definitieve instandhoudingswerken te plannen en uit te voeren; artikel 1144 Burgerlijk Wetboek laat hem immers toe te verhelpen aan de weigering van de verweerders om zelf het herstel binnen de opgelegde tijdslimiet uit te voeren, en aldus het beschermde goed van verdere verwaarlozing en instortingsgevaar te vrijwaren; de appelrechters weigeren ten onrechte de bijkomende gevraagde uitvoeringsmaatregel te bevelen op de enkele grond dat de vordering niet steunt op artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek noch strekt tot uitlegging of verbetering van hun vorig arrest, en aldus iedere rechtsgrond mist; als rechter die het bevel tot herstel heeft uitgesproken waren zij nochtans in de voorliggende omstandigheden bevoegd om een bijkomende maatregel, meer in het bijzonder een substitutiemaatregel, te bevelen; eisers verweer dienaangaande werd niet beantwoord.

2. De civielrechtelijke bevoegdheid van de strafrechter, die geadieerd wordt op grond van de artikelen 13 en 15 Monumentendecreet, reikt niet verder dan het bevelen van het herstel in de oorspronkelijke toestand, gestoeld op de in artikel 13 vermelde misdrijven en overeenkomstig de modaliteiten van herstel bepaald in artikel 15. Krachtens artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek kan de strafrechter op vordering van de bevoegde ambtenaar daarenboven een dwangsom bepalen per dag vertraging in de uitvoering van de herstelmaatregel.

3. De vordering die ertoe strekt bijkomende maatregelen op te leggen met betrekking tot het voordien bevolen herstel ten gevolge van gewijzigde omstandigheden, stoelt niet verder op de oorspronkelijke verrichte schuldbeoordeling, grondslag van de tegen de beklaagde bevolen dwangmaatregel. Door de gewijzigde omstandigheden vergt deze vordering een nieuwe beoordeling, losgekoppeld van het oorspronkelijk bewezen verklaarde misdrijf, waarvoor de strafrechter niet bevoegd is.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 332,52 euro waarvan 52,34 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 25 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Monumentendecreet

  • Inbreuk

  • Herstelvordering

  • Civielrechtelijke bevoegdheid van de rechter

  • Omvang

  • Vordering tot bijkomende herstelmaatregelen ingevolge gewijzigde omstandigheden

  • Bevoegdheid van de strafrechter