- Arrest van 25 januari 2011

25/01/2011 - P.10.1213.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer uit de stukken waar het Hof acht vermag op te slaan blijkt dat de burgerlijke partijen voor de appelrechters van de beklaagde betaling van een rechtsplegingsvergoeding hebben gevorderd en dat die daaromtrent geen enkel verweer heeft gevoerd, is het middel van de beklaagde dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding bekritiseert, nieuw en dus niet ontvankelijk (1). (1) Cass., 26 nov. 1980, A.C., 1980-1981, nr. 190.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1213.N

T. P.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Frans Wouters, advocaat bij de balie te Leuven,

tegen

1. L. B.

burgerlijke partij,

2. J. M.

burgerlijke partij,

3. M. B.

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 juni 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 162, tweede lid, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verklaren de eis van de verweerders, burgerlijke partijen, tot het verkrijgen van een hogere schadevergoeding ongegrond en bevestigen dienvolgens het beroepen vonnis; het hoger beroep dat uitsluitend door de verweerders werd ingesteld, wordt aldus ongegrond verklaard en de verweerders worden in het ongelijk gesteld; de appelrechters veroordelen dan ook de eiser ten onrechte tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, minstens van de kosten in hoger beroep.

2. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet zonder te preciseren op welk verweer, exceptie of conclusie het arrest niet antwoordt, is het niet ontvankelijk.

3. Krachtens de artikelen 162, tweede lid, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, kan de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de volledige of in een gedeelte van de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde; zij wordt veroordeeld in alle kosten die door de Staat of door de beklaagde zijn gemaakt, in het geval van rechtstreekse dagvaarding of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van de burgerlijkepartijstelling.

Uit die bepaling volgt dat de feitenrechter, buiten het geval van rechtstreekse dagvaarding of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van een burgerlijkepartijstelling, wat te dezen niet het geval is, op onaantastbare wijze oordeelt of de burgerlijke partij die in het ongelijk is gesteld, kan worden veroordeeld in alle of in een deel van de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde.

4. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de rechter, is het niet ontvankelijk.

5. De eiser werd door het beroepen vonnis veroordeeld om aan de verweerders schadevergoeding te betalen, beslissing waartegen deze laatsten hoger beroep instelden.

Het arrest dat het beroepen vonnis bevestigt, heeft de eiser wettig kunnen veroordelen in de kosten van de beide aanleggen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 162bis, eerste lid, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verklaren de eis van de verweerders, burgerlijke partijen, tot het verkrijgen van een hogere schadevergoeding ongegrond en bevestigen het beroepen vonnis; aldus is er geen sprake van een veroordelend arrest maar van een afwijzend arrest zodat de eiser ten onrechte tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld.

7. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet zonder te preciseren op welk verweer, exceptie of conclusie het arrest niet antwoordt, is het niet ontvankelijk.

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerders voor de appelrechters de veroordeling van de eiser tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding hebben gevorderd en dat de eiser daarover geen verweer heeft gevoerd.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien evenmin ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,12 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 25 januari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Vordering voor de appelrechters van de burgerlijke partijen tegen de beklaagde

  • Geen verweer

  • Veroordeling van de beklaagde tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding

  • Cassatieberoep

  • Cassatiemiddel dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding bekritiseert

  • Nieuw middel