- Arrest van 28 januari 2011

28/01/2011 - C.08.0607.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer in het kader van een oppositieprocedure het Benelux-Bureau voor intellectuele eigendom, dat overeenkomstig artikel 1.2.2.c van het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom een orgaan is van de Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom, een beslissing neemt overeenkomstig artikel 2.16 van voormeld verdrag, kadert dergelijke beslissing in de officiële werkzaamheden van de Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom, ondermeer, de bescherming van merken en tekeningen of modellen in Benelux-landen; wanneer dergelijke beslissing het voorwerp uitmaakt van een beroep op grond van artikel 2.17 van het verdrag, geniet de Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom derhalve de in artikel 3.1 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom bepaalde immuniteit van rechtsmacht en kan zij op grond hiervan niet in de beroepsprocedure betrokken worden, in welke hoedanigheid ook (1). (1) Het O.M. had dezelfde opvatting over de immuniteit van de BOIE, doch was van mening dat het onderdeel feitelijke grondslag mistte, daar het verkeerdelijk ervan uitging dat het bestreden arrest de exceptie van de eiseres in het kader van de oppositieprocedure verwierp, terwijl het de beslissing schorst in afwachting van het antwoord van het Benelux-Gerechtshof dat inmiddels zijn (in voetnoot 1 vermeld) arrest had uitgesproken, waarbij het O.M. zich uiteraard aansloot. BenGH, 26 juni 2009, zaak A 2008/1, www.courbeneluxhof.be, met concl. van advocaat-generaal LECLERCQ.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0607.N

BENELUX-ORGANISATIE VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM, ingesteld krachtens het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom, met rechtspersoonlijkheid naar internationaal recht, met kantoor te 2591 XR Den Haag (Nederland), Bordewijklaan 15, vertegenwoordigd door de directeur-generaal van het Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom, hierna het Benelux-Bureau,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. JTEKT CORPORATION Ltd., vennootschap naar Japans recht, met kantoor te Chuo-Ku, Osaka-Shi Osaka (Japan), Minamisemba 3-5-8,

2. JACOBS TRADING, naamloze vennootschap, met zetel te 2480 Dessel, Zandbergen 18,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 mei 2008.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet, gecoördineerd op 17 februari 1994;

- de artikelen 1.1 en 3 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Beneluxorganisatie inzake Intellectuele Eigendom, dat een wezenlijk onderdeel vormt van het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom, (BVIE), verdrag gedaan te Den Haag op 25 februari 2005, in België bekrachtigd bij wet van 22 maart 2006 (B.S. 26 april 2006, (21866) 21895);

- de artikelen 1.1, 1.2 lid 2c, 1.3, 1.6, lid 1, 2.16, 2.17, 5.5, 6.4 en 6.5 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (BVIE), gedaan te Den Haag op 25 februari 2005, in België bekrachtigd bij wet van 22 maart 2006 (B.S. 26 april 2006, 21866);

- regel 1.17.1.c van het uitvoeringsreglement van het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), opgesteld op 1 juni 2006 (B.S. 19 juli 2006, 36036);

- de artikelen 774 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek;

- het beschikkingsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), de verplichte eerbieding van de rechten van de verdediging (algemeen rechtsbeginsel) en het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van internationale verdragsregels op daarmee strijdige regels van nationaal recht.

Aangevochten beslissing

1. Het bestreden arrest (p. 7, nr. 14) verwerpt de "exceptie", ingeroepen door de eiseres op grond van de haar krachtens artikel 3 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten toegekende immuniteit van rechtsmacht.

2. Deze "verwerping" is als volgt gemotiveerd (arrest, p. 6-7, nr. 12-13-14):

"(...) (De eiseres) stelt dat zij niet in een geding kan worden betrokken en beroept zich hiervoor op het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten.

Het Protocol is gesloten ter uitvoering van artikel 1.6, eerste lid, van het BVIE en beoogt luidens dit artikel het instellen van voorrechten en immuniteiten ‘welke nodig zijn voor de uitoefening van de taken en het bereiken van de doelstellingen van de organisatie'.

Artikel 3 van het Protocol bepaalt dat in het kader van haar officiële werkzaamheden, (de eiseres) geniet van immuniteit van rechtsmacht en executie, behoudens in drie opgesomde gevallen, die zich ten deze overigens niet voordoen.

Artikel 1.15 van het BVIE bepaalt dat het Benelux-Gerechtshof geen kennis kan nemen van vragen van uitlegging betreffende het in artikel 1.6 bedoelde protocol.

Dat hof kan derhalve niet worden bevraagd over de uitlegging van de draagwijdte van de aangevoerde immuniteit.

(...) Krachtens artikel 1, eerste lid, van het Protocol wordt onder de officiële werkzaamheden van de Organisatie verstaan, deze welke strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak zoals die is vastgesteld in artikel 1.3 van het Verdrag.

Artikel 2, derde lid, bepaalt dat het betekenen ten kantore van (de eiseres) van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de (de eiseres) gerichte rechtsvordering geen inbreuk vormt op de onschendbaarheid.

Verder bepaalt artikel 1.4, tweede lid, BVIE dat (de eiseres) in rechte kan optreden en artikel 2.12 BVIE bepaalt dat in een procedure van beroep tegen een weigering tot inschrijving van een merk, het Bureau kan vertegenwoordigd worden door een daartoe aangewezen personeelslid.

(...) Uit het geheel van deze voorschriften moet minstens worden afgeleid dat (de eiseres) kan deelnemen aan een rechtspleging in een geval waarin een beslissing van het Bureau ter discussie staat.

Artikel 1.6, eerste lid, BVIE en het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten staan er dan ook niet aan in de weg dat (de eiseres) genoopt wordt om als procespartij deel te nemen aan een geding.

In het voorliggende geval werd (de eiseres) mee gedagvaard opdat de beslissing van het hof over een beslissing die het Bureau heeft getroffen haar gemeen zou zijn".

3. Daarboven overweegt het arrest (p. 7 en 8, nr. 15):

"(...) (De eiseres) werpt verder tegen dat anders dan in het geval waarin artikel 2.12 BVIE wordt toegepast, de verdragsbepalingen in geval van oppositie niet voorzien in haar aanwezigheid in de beroepsprocedure.

Ze verwijst in dit verband ook naar de officiële toelichting die het BBIE zelf bij artikel 2.17 BVIE heeft verstrekt.

(...) Hieromtrent overweegt het hof dat de enkele omstandigheid dat in het geval van een oppositieprocedure minstens twee partijen tegenover elkaar staan betreffende de voorgenomen inschrijving van een merk, niet hoeft te betekenen dat de merkenautoriteit niet kan worden betrokken in de rechtspleging waarbij de rechtsgeldigheid van haar beslissing wordt betwist.

Bij de oppositieprocedure, die overigens geïnspireerd is aan de procedure die op gemeenschapsniveau is ingesteld binnen het Bureau voor de harmonisering van de interne markt (BHIM), treedt het Bureau niet op als een rechtscollege, maar vervult ze een functie als conflictoplosser op administratief niveau.

De omstandigheid dat het Bureau zich erbij onafhankelijk en onpartijdig dient op te stellen, impliceert niet dat het zijn beslissing over een oppositie niet zou kunnen verdedigen tijdens de rechtspleging voor het hof.

In dit verband kan overigens worden aangehaald dat het BHIM deelneemt aan de rechtspleging voor het Gerecht van Eerste Aanleg telkens de beslissing van één van haar beroepskamers wordt bestreden.

(...) Het is juist dat het verschil tussen de voorschriften in artikel 2.12 en 2.17 BVIE inzake de vertegenwoordiging van het Bureau zou kunnen doen veronderstellen dat al naargelang die procedures een onderscheiden benadering ook nagestreefd werd.

Toch hoeft aan dit tekstverschil niet noodzakelijk een decisieve betekenis te worden gegeven.

Bij ontstentenis van expliciete overeenstemmende aanwijzingen in een bepaalde zin, dient het Benelux-Gerechtshof hieromtrent prejudicieel te worden geadieerd".

Grieven

Eerste onderdeel

Schending van artikel 149 van de Grondwet.

1.1. In haar aanvullende en syntheseconclusie voor het hof van beroep (pp. 4 en 5) had de eiseres gesteld dat zij krachtens artikel 3 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten de "immuniteit" van rechtsmacht (genoot) in het kader van haar "officiële werkzaamheden" en dat "volgens artikel 1.1 van het Protocol onder "officiële werkzaamheden" (diende) te worden verstaan de werkzaamheden "welke strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak".

1.2. De eiseres toonde daarenboven aan waarom er "geen enkel twijfel mogelijk (was) dat huidig geschil rechtstreeks op de officiële werkzaamheden van (de eiseres) betrekking (had)" (zelfde beroepsconclusie, p. 5, lid 3 en 4):

"(De eerste verweerster) heeft met name beroep ingesteld tegen de beslissing van het Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom (BBIE), een van de organen van de Organisatie, waarbij de oppositie ingesteld tegen het merk van (de tweede verweerster) buiten behandeling gelaten werd. Het hoeft geen betoog dat een dergelijke beslissing rechtstreeks verband houdt met de officiële werkzaamheden van (de eiseres).

De eerste taak van (de eiseres) bestaat er immers in om het uitsluitend recht op een merk toe te kennen nadat de aanvrager de procedure van de inschrijving van het merk doorlopen heeft (art. 2.2. Verdrag).

Het verdrag zelf voorziet in de artikelen 2.14 en volgende in een procedure van oppositie tegen het inschrijven van een merk. Het is in het kader van deze procedure tussen een ‘opposant' (de eerste verweerster) en diegene die de inschrijving van het verzoek heeft bekomen (de tweede verweerster) dat huidig geschil ontstaan is".

1.3. Nu de eiseres op omstandige wijze gemotiveerd had waarom het geschil "rechtstreeks betrekking had op haar officiële werkzaamheden" in de zin van de artikelen 1.1 en 3 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten zodat zij de daarin bepaalde immuniteit genoot, kon het arrest zich niet beperken tot het vermelden van hetgeen bepaald is in de artikelen 1, eerste lid, en 3 van het vermelde Protocol.

Door niet te antwoorden op de bovenvermelde middelen die door de eiseres waren ingeroepen tot staving van de stelling dat "geen enkele twijfel mogelijk was dat huidig geschil rechtstreeks op de officiële werkzaamheden van (de eiseres) betrekking (had)" en dat (zij) zich bijgevolg terecht beriep op de immuniteit, bepaald in artikel 1, eerste lid, en artikel 3 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter verplicht te antwoorden op middelen die door de partijen op regelmatige wijze zijn ingeroepen.

Tweede onderdeel

Schending van artikel 149 van de Grondwet, van het beschikkingsbeginsel, van de artikelen 774 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging.

2.1. In zover het arrest (p. 6-7, nr. 13 en nr. 14) de door eiseres ingeroepen immuniteit van rechtsmacht en executie verwerpt op grond dat:

- het optreden van de eiseres in het kader van een oppositieprocedure (artikelen 2.14 t/m 2.17 BVIE) geen officiële werkzaamheden van de eiseres betreft die strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak;

- krachtens artikel 2, derde lid, van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de BOIE het betekenen ten kantore van de eiseres van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de Organisatie gerichte rechtsvordering, geen inbreuk vormt op de onschendbaarheid;

- krachtens artikel 1.4, tweede lid, BVIE, de eiseres "in rechte kan optreden" en krachtens artikel 2.12 BVIE, in een procedure van beroep tegen een weigering tot inschrijving van een merk, het Bureau kan vertegenwoordigd worden door een daartoe aangewezen personeelslid, heeft het hof van beroep ambtshalve gronden voor "verwerping" van de ingeroepen immuniteit ingeroepen die door de partijen niet waren ingeroepen.

Het arrest heeft aldus het beschikkingsbeginsel en artikel 1138, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat dit beginsel bekrachtigt, geschonden.

Het komt de rechter inderdaad niet toe, in burgerlijke zaken die de openbare orde niet raken, zijn beslissing te steunen op gronden die niet door partijen werden ingeroepen.

2.2. Minstens had het hof van beroep, desgevallend door een heropening van de debatten overeenkomstig artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek, de eiseres in de gelegenheid moeten stellen zich op bovenvermelde punten te verdedigen.

Door dit na te laten en niettemin de verwerping te steunen op bovenvermelde ambtshalve ingeroepen gronden, hebben de beroepsrechters het algemeen rechtsbeginsel houdende het verplicht eerbiedigen van de rechten van de verdediging en artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.

2.3. Afgezien van het in het eerste onderdeel gekritiseerde gebrek aan antwoord op eiseres' conclusie, houdt het aangevochten arrest dat ook steunt op de bewoordingen van artikel 2.12 BVIE (arrest: p. 7, lid 3) geen antwoord in op het door de eiseres in conclusie (p. 4, laatste lid, p. 5, laatste lid en p. 6, eerste lid) ingeroepen middel dat krachtens artikel 3.1. van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten, in een uitzondering op de immuniteit wordt voorzien o.m. in geval van uitdrukkelijke afstand door de BOIE (de eiseres) van de immuniteit en dat in het geval van een beroep tegen een weigering van inschrijving, het verdrag inderdaad een specifieke regeling heeft bepaald in artikel 2.12 krachtens hetwelk (art. 2.12.2) "in het kader van deze procedure het Bureau kan vertegenwoordigd worden door een daartoe aangewezen personeelslid".

Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de conclusie, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter verplicht tot het beantwoorden van de door partijen regelmatig ingeroepen middelen.

2.4. In zover het arrest (p. 7, nr. 13, derde lid en nr. 14) in de bewoordingen van artikel 2.12 (lid 2) BVIE een voldoende reden ziet om te besluiten tot de verwerping van de exceptie van immuniteit, is het door tegenstrijdigheid in de motivering aangetast nu het precies meent het Benelux-Gerechtshof te moeten adiëren om "uitleg" te krijgen over de draagwijdte van de bewoordingen van dit artikel 2.12 in vergelijking met deze van artikel 2.17 BVIE (arrest, p. 8, nr. 17).

Gezien deze tegenstrijdigheid is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het derhalve artikel 149 van de Grondwet.

Derde onderdeel

Motiveringsgebrek

3.1. In zover het arrest (p. 7, nr. 14, derde lid) de verwerping van de immuniteit van de eiseres mede steunt op het feit dat de eiseres "mee gedagvaard werd opdat de beslissing van het hof over een beslissing die het Bureau heeft getroffen haar gemeen zou zijn", laat het eveneens na te antwoorden op eiseres' conclusie waarin (p. 5, lid 6-7-8) de eiseres liet gelden dat het feit dat zij "blijkbaar slechts in gemeenverklaring (werd) gedagvaard, niet belet dat zij zich op haar immuniteit van jurisdictie kan beroepen nu deze immuniteit niet alleen bedoeld is om een internationale organisatie te beschermen tegen eventuele veroordelingen door rechtbanken doch ook "relevant is om de organisatie te beschermen tegen het voeren op zich van een procedure voor een rechtbank".

De eiseres liet gelden dat "door de BOIE (de eiseres) in gemeenverklaring te dagvaarden, (de eerste verweerster) probeert te bekomen dat (de eiseres) in een conflict tussen twee merkhouders tussenkomt om haar middelen te doen gelden".

De eiseres wees er ook op dat "een vordering tot gemeenverklaring evenwel niet zonder gevolgen (is): de uiteindelijke beslissing zal aan (de eiseres) tegenstelbaar zijn" en "bovendien is de gemeenverklaring een vorm van gedwongen tussenkomst, ook al heeft de tussenkomst een louter bewarend karakter".

De eiseres besloot dat "in die zin: (...) een dagvaarding in gemeenverklaring een inbreuk vormt op de immuniteit van jurisdictie waarvan (de eiseres) geniet".

3.2. Aldus voerde de eiseres op omstandige wijze aan waarom het feit dat zij (slechts) "in gemeenverklaring" was opgeroepen geen afbreuk kon doen aan de "immuniteit van rechtsmacht" die haar door het Protocol was toegekend.

3.3. Het arrest beantwoordt dit middel niet en is derhalve niet regelmatig gemotiveerd.

Het schendt aldus artikel 149 van de Grondwet dat de rechter ertoe verplicht, de door partijen ingeroepen middelen te beantwoorden.

Vierde onderdeel

Schending van de in het cassatiemiddel ingeroepen bepalingen uit het Benelux-verdrag intellectuele eigendom (BVIE), het uitvoeringsreglement van dit Verdrag en het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten.

4.1. Krachtens artikel 3 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de BOIE, dat overeenkomstig artikel 6.4 BVIE een wezenlijk deel uitmaakt van het Benelux-verdrag intellectuele eigendom, geniet de Benelux-organisatie van de intellectuele eigendom in het kader van haar officiële werkzaamheden, immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:

(a) voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;

(b) met betrekking tot een door derden ingediende rechtsvordering betreffende personen of goederen, voor zover die rechtsvordering niet rechtstreeks samenhangt met het officiële functioneren van de Organisatie;

(c) met betrekking tot een door derden ingediende rechtsvordering betreffende de schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan de Organisatie of namens deze wordt gebruikt, of in geval van een met voormeld voertuig begane verkeersovertreding.

Het aangevochten arrest (p. 6, nr. 12, derde lid) stelt vast dat geen van deze drie uitzonderingsgevallen zich ten deze voordoet.

4.2. De voorrechten en immuniteiten die in bovenvermeld Protocol zijn vastgelegd zijn, overeenkomstig artikel 1.6, eerste lid van het Benelux-verdrag intellectuele eigendom, "nodig voor de uitoefening van de taken en het bereiken van de doelstellingen van de Benelux-organisatie voor de intellectuele eigendom".

4.3. Overeenkomstig artikel 1.1. van hetzelfde Protocol worden onder "officiële werkzaamheden" van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak, zoals die is vastgesteld in artikel 1.3. van het BVIE.

4.4. De taak zoals vastgesteld in laatstvermelde verdragsbepaling omvat onder meer onder a), resp. b): de uitvoering van dit verdrag en het uitvoeringsreglement alsook de beoordeling van de bescherming van merken en tekeningen of modellen in de Benelux-landen.

4.5. Het optreden van het Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom, krachtens artikel 1.2, lid 2c, BVIE, orgaan van bovenvermelde Benelux-Organisatie, in het kader van de oppositieprocedure zoals geregeld in artikel 2.16 BVIE en de regel 1.17 van het uitvoeringsreglement van het BVIE, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 5.5 en 6.5 BVIE, meer bepaald regel 1.17.1.c van het uitvoeringsreglement, inhoudende de mogelijkheid om in de daarin bepaalde voorwaarden de oppositie verder "buiten behandeling te laten", betreft strikt officiële werkzaamheden van de Benelux-organisatie.

4.6. Voor dergelijk optreden dat niet valt onder een der uitzonderingen, bepaald in bovenvermeld artikel 3 van het Protocol, geldt derhalve de in het Protocol voorgeschreven immuniteit.

4.7. Deze verdragsrechtelijk bepaalde immuniteit van rechtsmacht houdt in dat het hof van beroep te Brussel zijn bevoegdheid verloor om kennis te nemen van de vordering in zover zij gericht was tegen de eiseres die in gemeenverklaring van het beroepsarrest werd gedagvaard.

4.8. Deze immuniteit houdt ook in dat de eiseres op generlei wijze betrokken wordt of kan worden in de door artikel 2.17 BVIE voorgeschreven beroepsprocedure tegen een beslissing van het Benelux-Bureau inzake oppositie.

Deze niet-betrokkenheid werd overigens uitdrukkelijk bevestigd in de officiële door de Regeringen van de Benelux opgestelde memorie van toelichting bij het Protocol houdende wijziging van de Eenvormige Beneluxwet op de merken van 11 december 2001 (bijgevoegd stuk 3).

4.9. Zoals hierboven in het eerste onderdeel, werd aangeduid, had de eiseres voor het hof van beroep te Brussel op omstandige wijze uiteengezet dat -en waarom- zij zich kon beroepen op de immuniteit, zoals bepaald in artikel 3 van het Protocol.

Terecht vorderde de eiseres dat het hof van beroep zich bijgevolg "zonder rechtsmacht" tegenover haar zou verklaren (aanvullende en syntheseconclusie, p. 6, tweede lid).

4.10. Het door het arrest verwerpen (p. 7, nr. 14) van de ingeroepen exceptie, gesteund op eiseres' immuniteit is niet naar recht verantwoord door de redenen, hiertoe ingeroepen in het arrest (p. 6-7, nrs. 13 en 14).

De in het arrest voorkomende andere overwegingen (p. 7-8, nr. 15 t/m 17) die het appelgerecht geleid hebben tot het stellen van een -eerste- prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof, maken voor deze verwerping evenmin een wettige grond uit.

4.11. In zover het bestreden arrest de beslissing op dit punt impliciet steunt op regels van intern recht, o.m. inzake de oproeping in gemeenverklaring van een rechterlijke beslissing, diende het arrest voorrang te geven aan de toepasselijke verdragsrechtelijke regels waarvan de schending wordt ingeroepen. Door die voorrang te miskennen heeft het arrest aldus ook het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van regels van internationaal recht miskend.

4.12. Door de immuniteit te verwerpen heeft het arrest aldus al de ingeroepen bepalingen uit het bovenvermelde Protocol, het Benelux-Verdrag (BVIE) en het Uitvoeringsreglement alsook het bovenvermeld (nr. 4.11) algemeen rechtsbeginsel geschonden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Vierde onderdeel

1. Artikel 1.6.1 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom bepaalt dat de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn voor de uitoefening van de taken en het bereiken van de doelstellingen van de Organisatie worden vastgelegd in een tussen de Hoge Verdragssluitende Partijen te sluiten Protocol.

Artikel 3.1 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom, gesloten in uitvoering van voormeld artikel 1.6.1., bepaalt dat in het kader van haar officiële werkzaamheden de Organisatie immuniteit geniet van rechtsmacht en van executie behoudens in drie gevallen die, zoals de appelrechters vaststellen zonder op dit punt te worden bekritiseerd, te dezen niet toepasselijk zijn.

Artikel 1.1. van hetzelfde protocol bepaalt dat onder officiële werkzaamheden van de Organisatie, in de zin van het Protocol, die werkzaamheden worden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taak die is vastgesteld in artikel 1.3. van het Verdrag.

Krachtens voormeld artikel 1.3 van het Verdrag, heeft de organisatie tot taak:

- de uitvoering van het verdrag en het uitvoeringsreglement;

- de bevordering en de bescherming van merken en tekeningen of modellen in Benelux-landen;

- de uitvoering van aanvullende taken op andere gebieden van het recht inzake de intellectuele eigendom, welke de raad van bestuur aanwijst;

- voortdurende evaluatie en, indien nodig, aanpassing van het Benelux-recht inzake merken en tekeningen of modellen, in het licht onder meer van internationale en communautaire ontwikkelingen.

2. Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt dat wanneer in het kader van een oppositieprocedure het Benelux-Bureau voor intellectuele eigendom, dat overeenkomstig artikel 1.2.2.c van het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom een orgaan is van de eiseres, een beslissing neemt overeenkomstig artikel 2.16 van voormeld verdrag, dergelijke beslissing kadert in de officiële werkzaamheden van de eiseres, ondermeer, de bescherming van merken en tekeningen of modellen in Benelux-landen.

Wanneer dergelijke beslissing het voorwerp uitmaakt van een beroep op grond van artikel 2.17 van het verdrag, geniet de eiseres derhalve de in artikel 3.1. van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom bepaalde immuniteit van rechtsmacht en kan zij op grond hiervan niet in de beroepsprocedure betrokken worden, in welke hoedanigheid ook.

3. De appelrechters die oordelen dat de eiseres kan deelnemen aan een rechtspleging in een geval waarin een beslissing van het Bureau ter discussie staat weze het opdat de beslissing van het hof van beroep over dergelijke beslissing haar gemeen zou zijn en vervolgens de exceptie van immuniteit van rechtsmacht van de eiseres verwerpen, schenden de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

4. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de exceptie van immuniteit van rechtsmacht van de eiseres verwerpt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Benelux-Verdrag intellectuele eigendom

  • Merk

  • Depot

  • Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom

  • Beslissing

  • Aard

  • Beroep

  • Benelux-Organisatie voor de intellectuele eigendom

  • Immuniteit

  • Beroepsprocedure