- Arrest van 4 februari 2011

04/02/2011 - C.10.0236.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het vermoeden van aansprakelijkheid van de bewaarder van zaken, ingevoerd door artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bieden aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft; het bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden, en kan slechts door hen worden aangevoerd (1). (1) Zie Cass. 4 juni 2007, AR C.06.0112.F, AC 2007, nr. 291.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0236.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister, bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BREMCON nv, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Kruibeeksesteenweg 154,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 juni 2009.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1382 Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.

Krachtens artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is men niet alleen aansprakelijk voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

2. Het vermoeden van aansprakelijkheid ingevoerd door artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bieden aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft. Het bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden, en kan slechts door hen worden aangevoerd.

De omstandigheid dat de bewaarder van een zaak op grond van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek jegens de schadelijder aansprakelijk is voor een gebrek in de zaak, belet niet dat hij tegen de derde die het gebrek foutief heeft veroorzaakt, een verhaal heeft voor het bedrag van de schade die hij moet vergoeden.

3. De appelrechters oordelen dat:

- de eiser aansprakelijk is voor de schade die voortgevloeid is uit de gebrekkige zaak, te weten de met slijk besmeurde weg die hij onder zijn bewaring had;

- het slijk afkomstig was van de terreinen van de verweerster die onvoldoende maatregelen trof om de besmeuring van de weg te verhinderen;

- de verweerster op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de door de slachtoffers geleden schade.

4. Door vervolgens de op het artikel 1382 Burgerlijk Wetboek gegronde vordering in vrijwaring van de eiser tegen de verweerster af te wijzen om reden dat de aansprakelijkheid van de eiser als bewaarder van een gebrekkige zaak op grond van artikel 1384, eerste lid, van dit wetboek een autonome rechtsgrond voor schadevergoeding vormt, verschillend van de aansprakelijkheid van de verweerster op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van de eiser, over de door de eiser tegen de verweerster ingestelde vordering in vrijwaring en over de kosten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 4 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bewaarder van de zaak

  • Aansprakelijkheid

  • Vermoeden

  • Personen die zich daarop kunnen beroepen