- Arrest van 4 februari 2011

04/02/2011 - C.10.0459.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de devolutieve werking van het hoger beroep volgt dat de rechter die in hoger beroep kennisneemt van het hoger beroep tegen een beslissing die de maatregelen in kort geding heeft gewezen, de wettigheid van de beroepen kortgedingmaatregelen moet onderzoeken (1) (2). (1) Zie Cass. 17 april 2009, AR C.08.0329.N, AC 2009, nr. 255. (2) Het O.M. concludeerde tot verwerping; het was o.m. van mening dat het eerste onderdeel niet ontvankelijk was nu het ter zake ging om een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding, en artikel 584, eerste lid, Ger.W. niet als geschonden was aangewezen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0459.N

GRONDINVEST nv, met zetel te 2400 Mol, Gasthuisstraat 2, bus 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. GEMACHTIGDE AMBTENAAR ONROEREND ERFGOED, namens het Vlaams Gewest, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Koning Albert II-laan 19, bus 22,

2. STAD GENT, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met zetel te 9000 Gent, Stadhuis, Botermarkt 1,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen,

3. OCMW GENT, vertegenwoordigd door de raad, met zetel te 9000 Gent, Onderbergen 86,

verweerder, minstens opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 februari 2010.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het middel

1. De eerste en tweede verweerder voeren een grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel aan: het onderdeel voert schending aan van artikel 584, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; nochtans heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de beroepen beslissing gewezen en niet de voorzitter van de rechtbank van koophandel of van de arbeidsrechtbank, zodat het onderdeel artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek als geschonden had moeten vermelden.

2. De betwisting tussen de partijen heeft geen betrekking op een bevoegdheidsgeschil tussen voorzitters van verschillende rechtbanken, maar uitsluitend op het al dan niet spoedeisend karakter van de vordering en de gevolgen van het ophouden van dat spoedeisend karakter.

3. Zowel artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek als artikel 584, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek vereisen eenzelfde spoedeisend karakter. De manifest per vergissing vermelde verwijzing naar het tweede lid van dit artikel, heeft dan ook geen enkel inhoudelijk gevolg.

Het onderdeel voldoet aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat het verzoekschrift de vermelding moet bevatten van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd.

De grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel moet worden verworpen.

Eerste onderdeel

4. Artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

De voorzitter die in kort geding zetelt, dient om een maatregel bij voorraad op te leggen in de zin van dit artikel, uit te maken of de vordering op het ogenblik van hun uitspraak nog een spoedeisend karakter heeft.

5. Artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep.

6. Uit die devolutieve werking van het hoger beroep volgt dat de rechter die in hoger beroep kennisneemt van het hoger beroep tegen een beslissing die de maatregelen in kort geding heeft gewezen, de wettigheid van de beroepen kortgedingmaatregelen moet onderzoeken.

7. De appelrechter oordeelt dat hij de wettigheid van de door de eerste rechter bevolen kortgedingmaatregelen met de daaraan verbonden dwangsom niet meer dient te onderzoeken, omdat deze maatregelen inmiddels werden uitgevoerd en de vordering van de eiseres aldus geen voorwerp meer heeft. Hij verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet ten aanzien van de in cassatie betrokken partijen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 4 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Kort geding

  • Voorlopige maatregelen

  • Devolutieve werking

  • Taak van de rechter in hoger beroep

  • Voorwerp van het hoger beroep