- Arrest van 9 februari 2011

09/02/2011 - P.10.1344.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een feit een misdrijf opleverde op het tijdstip dat het werd gepleegd, maar een nieuwe wet op de dag van de uitspraak van het vonnis de omschrijving van dat misdrijf en de straf heeft gewijzigd, kan de rechter die het voormelde misdrijf bewezen verklaart alleen maar een straf opleggen met toepassing van de nieuwe wet die in minder zware straffen voorziet, nadat hij heeft vastgesteld dat de nieuwe wet op de dag van de uitspraak nog steeds het feit straft dat dit misdrijf oplevert (1). (1) Zie Cass., 30 jan. 2001, AR P.01.1440.F, A.C., 2002, nr. 64.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1344.F

H. K.,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 29 juni 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser werd vervolgd wegens het feit dat hij tussen 1 januari 2002 en 2 maart 2006, met overtreding van artikel 77bis, § 1bis, Vreemdelingenwet, rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik heeft gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie van een vreemdeling ten gevolge van diens onwettige of precaire administratieve toestand, door kamers of andere ruimten te verkopen, te verhuren of ter beschikking te stellen, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren. Die telastlegging werd aangevuld met twee verzwarende omstandigheden, onder meer de omstandigheid dat hij van de ten laste gelegde activiteit een gewoonte heeft gemaakt.

Nadat de appelrechters, gelet op de nieuwe toepasselijke wetsbepalingen, de kwalificatie hebben gewijzigd, de eiser hebben verzocht zich daartegen te verweren en hebben vastgesteld dat de feiten identiek zijn, hebben zij het misdrijf bewezen verklaard in de zin van de artikelen 433decies en 433undecies Strafwetboek, die zijn ingevoegd door de artikelen 16 en 17 van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, die in werking is getreden op 12 september 2005.

Het middel voert aan dat de appelrechters aldus retroactief een strengere straf hebben opgelegd waardoor zij artikel 2 Strafwetboek schenden.

De grief voert met name de omstandigheid aan dat het misbruiken van andermans kwetsbare positie, waarop in de nieuwe bepalingen een straf is gesteld, niet alleen betrekking heeft op de illegaal verblijvende vreemdelingen maar op eenieder die zich in een precaire maatschappelijke situatie bevindt, wat een verruiming van het toepassingsgebied van de oorspronkelijke strafbaarstelling betekent.

Wanneer een feit een misdrijf opleverde op het tijdstip dat het werd gepleegd, maar dat op de dag van de uitspraak van het vonnis een nieuwe wet de kwalificatie van dat misdrijf en de straf heeft gewijzigd, kan de rechter die het voormelde misdrijf bewezen verklaart alleen maar een straf opleggen met toepassing van de nieuwe wet die in minder zware straffen voorziet, nadat hij heeft vastgesteld dat de nieuwe wet op de dag van de uitspraak nog steeds het feit straft dat dit misdrijf oplevert.

Het arrest preciseert, op pagina 4, in de op twee na laatste alinea, en pagina 5, derde alinea, dat de eiser misbruik heeft gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie van vreemdelingen ten gevolge van hun onwettige of precaire administratieve toestand, door kamers of andere ruimten te verhuren of ter beschikking te stellen, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, en dat hij daarvan een gewoonte had gemaakt.

Die ten aanzien van de eiser bewezen verklaarde feiten zijn dezelfde als die welke reeds strafbaar zijn gesteld in de oorspronkelijke kwalificatie die op pagina 2 van het arrest is overgenomen, en verschillen van die welke de wet van 10 augustus 2005 daaraan heeft toegevoegd door zich te richten op de misbruiken die zijn gepleegd ten nadele van eenieder die zich in een kwetsbare positie bevindt ten gevolge van zijn sociale toestand.

De verzwarende omstandigheid die voortvloeit uit het feit dat hij van die activiteit een gewoonte heeft gemaakt, is zowel in artikel 77bis § 2, Vreemdelingenwet als in artikel 433undecies, 1°, Strafwetboek bepaald. Eerstgenoemde bepaling legde een straf van vijf tot tien jaar opsluiting op en een geldboete van vijfhonderd tot vijfentwintigduizend euro, terwijl de tweede voorziet in een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van duizend tot honderdduizend euro, die zoveel keer wordt toegepast als er slachtoffers zijn.

Wanneer twee wetten verschillende straffen opleggen, wordt de vraag welke straf de zwaarste is opgelost door eerst te onderzoeken wat de aard is van de uitgesproken straffen en vervolgens door de duur ervan en de maat van hun respectievelijke maxima en minima te vergelijken.

Volgens de classificatie in artikel 7 Strafwetboek, worden de straffen onderverdeeld in criminele, correctionele en politiestraffen.

De correctionele straffen zijn steeds lager dan de criminele straffen.

Aangezien de nieuwe wet minder streng is wat de straf betreft en de eiser niet schuldig werd verklaard aan feiten die wel in deze wet maar niet in de oude wet zijn bepaald, kan de appelrechters niet worden verweten dat zij de artikelen 2 en 433decies en undecies Strafwetboek hebben geschonden.

Bij arrest nr. 27/2010 van 17 maart 2010 heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat de voormelde artikelen 433decies en undecies de artikelen 10 en 11 Grondwet schonden, in zoverre zij tot gevolg hebben dat de misdrijven die onder de oude wet zijn gepleegd, met zwaardere dan de daarin voorziene boeten worden bestraft.

Het bestreden arrest vermenigvuldigt de geldboete evenwel niet met het aantal vreemdelingen die het slachtoffer zijn van de aan de eiser toegeschreven misbruiken, en de geldboete van duizend euro die hem was opgelegd is zowel volgens de oude als de nieuwe wet verantwoord, zodat het arrest wat dat betreft de artikelen 10 en 11 Grondwet niet kan schenden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel gaat ervan uit dat het arrest kan gelezen worden alsof het alleen de feiten bestraft die na 12 september 2005 zijn gepleegd.

Het arrest vermeldt evenwel dat het tijdvak van de strafbaarstelling tussen 1 januari 2002 en 2 maart 2006 ligt. Om het bedrag van de verbeurd te verklaren som te berekenen, baseert het zich op de huurgelden die voor dat volledige tijdvak zijn ontvangen.

Het middel dat op een onjuiste lezing van de beslissing berust, mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Het arrest zegt niet dat het deskundigenverslag bevestigt dat de eiser misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van zijn huurders. Het arrest leidt het misbruik af uit het geheel van de gedane onderzoeksverrichtingen en in het bijzonder uit de vaststellingen van de deskundige. Uit het arrest blijkt dat de voormelde vaststellingen, die niet de enige grondslag van de beslissing vormen, betrekking hebben op de veiligheid, de bewoonbaarheid en de salubriteit van de gebouwen alsook op het als abnormaal beschouwde maandelijkse inkomen dat ermee was verkregen.

Het middel dat van een onvolledige lezing van het arrest uitgaat, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep,

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Opeenvolgende wetten

  • Strafwet

  • Nieuwe strafwet

  • Strafrechtelijke bepalingen