- Arrest van 9 februari 2011

09/02/2011 - P.10.1602.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, kan worden afgeleid uit enige omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken; het misdrijf is voltooid wanneer de vermogenstoestand aldus is ingericht dat het bezit van de schuldenaar, in feite of in rechte, aan gedwongen tenuitvoerlegging vanwege de schuldeisers wordt onttrokken (1). (1) Zie Cass., 5 dec. 2000, AR P.99.0189.N, A.C., 2000, nr. 667.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1602.F

A. V.,

beklaagde,

eiser,

mrs. Philippe Destrée, advocaat bij de balie te Verviers, en Anne-Thérèse Desfosses-de Favereau, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

Dominique LEGRAND, advocaat, optredend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van A.V.,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 15 september 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

Eerste middel

Het middel dat aanvoert dat de aankoop van een pand, in vruchtgebruik door de eiser en in blote eigendom door zijn echtgenote, die niet wordt vervolgd, met een bankkrediet werd gefinancierd, oefent kritiek uit op de redengeving van het arrest dat de telastlegging bedrieglijk bewerken van de staat van onvermogen, bewezen verklaart.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 14 Grondwet, zonder dat het vermeldt waarom het arrest die bepaling schendt, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 6 Wetboek van Strafvordering, een bepaling die niet bestaat, faalt het naar recht.

Het arrest dat oordeelt dat de aankoop, door de echtgenote van de eiser, van de blote eigendom van het pand gelijkstaat met een schenking die is gedaan om ze aan de daden van tenuitvoerlegging van zijn schuldeiser te onttrekken, omkleedt zijn beslissing regelmatig met redenen.

Het middel mist wat dat betreft feitelijke grondslag.

Het tweede middel in zijn geheel

Het middel verwijt het arrest dat het de draagwijdte miskent van het beding omtrent de gesplitste aankoop van een pand, in vruchtgebruik voor de eiser en in blote eigendom voor zijn echtgenote. Het voert aan dat die akte niet als een schenking kan worden omschreven en dat die akte de eiser niet heeft kunnen verarmen aangezien het saldo door een lening werd gefinancierd.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, zonder dat het daarbij aangeeft waarom het arrest die bepaling schendt, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling van de appelrechters of een onderzoek van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het eveneens niet ontvankelijk.

Volgens artikel 490bis, tweede lid, Strafwetboek, kan het feit dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, worden afgeleid uit elke omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken. Het misdrijf is voltooid wanneer de vermogenstoestand aldus wordt georganiseerd dat het bezit van de schuldenaar, in feite of in rechte, aan de gedwongen tenuitvoerlegging van de schuldeisers wordt onttrokken.

Het arrest vermeldt eerst dat de eiser op het ogenblik van de feiten een groot bedrag verschuldigd was aan de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, die tevergeefs gepoogd heeft betaling te verkrijgen van de verschuldigde bedragen. Het oordeelt vervolgens, op grond van een feitelijke beoordeling, dat de aankoop door de echtgenote van de eiser, van de blote eigendom van een pand, in werkelijkheid een verdoken schenking is aan haar, zodat hij opzettelijk zijn vermogen aldus heeft georganiseerd dat het aan de daden van tenuitvoerlegging van zijn schuldeiser wordt onttrokken.

Met die overwegingen die, noch het voormelde artikel 490bis, noch artikel 1134 Burgerlijk Wetboek schenden, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die op de burgerlijke rechtsvordering, uitspraak doen over

1. het beginsel van de aansprakelijkheid

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

2. de omvang van de schade

Het arrest kent de verweerder een provisonele vergoeding toe en verwijst de zaak naar de eerste rechter.

Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en houdt geen verband met de gevallen die in het tweede lid van dat artikel zijn bepaald.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bedrieglijk onvermogen