- Arrest van 15 februari 2011

15/02/2011 - P.09.1566.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door artikel 23, tweede lid, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, voorgeschreven verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de verbeurd te verklaren goederen en evenmin dat de ontduiker bekend is (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.09.1566.N

I

1. P R E H M,

beklaagde,

2. K T bvba, met zetel te 3140 Keerbergen, Stationsstraat 21,

beklaagde en civielrechtelijk aansprakelijke partij,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

II

L H E V B,

beklaagde,

eiser,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45,

vervolgende partij,

verweerder.

III

Mr. Thierry BIELEN, advocaat bij de balie te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Guffenslaan 11, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BRANDSTOFFEN V bvba,

beklaagde, civielrechtelijk aansprakelijke partij

eiser,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45,

vervolgende partij,

verweerder.

IV

1. G I M V,

beklaagde,

2. H P J V,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45,

vervolgende partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 september 2009.

De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eisers II en III voeren geen middel aan.

De eisers IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart de strafvordering onontvankelijk met betrekking tot het feit III van de zaak I en het feit B van de zaak II.

In zoverre de cassatieberoepen tegen die beslissingen zijn gericht, zijn ze niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eisers I

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 14 Grondwet, artikel 23, derde lid, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie (hierna Wet 22 oktober 1997) en artikel 436, derde lid, van de Programmawet van 27 december 2004: het arrest veroordeelt zonder wettelijke grondslag de eisers bovenop de verbeurdverklaring van 417.592 liter gasolie waarop accijns is verschuldigd, tot de straf van de betaling van de tegenwaarde ervan bij niet-wederoverlegging en dit voor een bedrag van 106.485,96 euro.

3. Artikel 23, derde lid, Wet 22 oktober 1997 beveelt de inbeslagname en de verbeurdverklaring van de producten waarop accijns is verschuldigd, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen alsmede de voorwerpen die bij de overtreding hebben gediend of daartoe bestemd waren.

Deze verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de verbeurd te verklaren goederen en evenmin dat de ontduiker bekend is.

Bij de verbeurdverklaring van niet aangehaalde goederen rust de verplichting om deze voor te brengen op de veroordeelde.

4. De veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen vormt een toepassing van het beginsel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser, of wanneer hij, door zijn toedoen, tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren.

Deze veroordeling maakt geen straf uit, maar is het civielrechtelijke gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 44 Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, artikel 23, derde lid, Wet 22 oktober 1997 en artikel 436, derde lid, van de Programmawet van 27 december 2004: het arrest veroordeelt zonder dat artikel 44 Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek een wettelijke grondslag bieden, de eisers bovenop de verbeurdverklaring van 417.592 liter gasolie waarop accijns is verschuldigd, tot de betaling van de tegenwaarde ervan bij niet-wederoverlegging voor een bedrag van 106.485,96 euro; de strafrechter kan enkel oordelen over schade die uitsluitend het gevolg is van een misdrijf en de schade die mogelijkerwijze voortvloeit uit de niet-uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling of van een burgerrechtelijke verbintenis valt daar niet onder.

6. De verplichting om de tegenwaarde te betalen van de bij toepassing van artikel 23, derde lid, Wet 22 oktober 1997 verbeurdverklaarde goederen bij niet-wederoverlegging ervan vormt een toepassing van het beginsel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij, door zijn toedoen, tekort komt aan de verplichting de zaak te leveren.

De strafrechter ontleent zijn bevoegdheid om de betaling te bevelen van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-wederoverlegging ervan, aan dit voormelde algemeen rechtsbeginsel waarvan artikel 44 Strafwetboek een toepassing vormt.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede middel van de eisers I

7. Het middel voert schending aan van artikel 42, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, artikel 439, eerste lid, van de Programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest bepaalt ten onrechte de door de eisers als gevolg van het misdrijf verschuldigde accijnsrechten in totaliteit op het tarief voor motorbrandstoffen, zonder rekening te houden met de door de eisers voor die gasolie reeds betaalde accijnsrechten aan het tarief van de huisbrandolie.

8. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het opkomt tegen een beoordeling van feiten door de rechter of een onderzoek van feiten vraagt waarvoor het Hof niet bevoegd is.

9. De terugbetaling van betaalde accijnsrechten op gasolie gebruikt als huisbrandolie kan enkel worden bekomen door het tijdig instellen van de in de fiscale wet voorziene rechtsmiddelen bij de daarvoor bevoegde instantie en kan niet, zonder het instellen van die rechtsmiddelen, via schuldvergelijking worden bekomen of voor de strafrechter worden gevorderd.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Eerste middel van de eisers IV

10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet of onvoldoende het verweer van de eisers IV dat de strafvordering niet ontvankelijk is wegens een door de vervolgende partij moedwillig onvolledig bijgebracht dossier, omtrent de onregelmatigheid van de visitatiebeslissing van de politierechter en betreffende de afwezigheid van het moreel element in hoofde van de eisers IV.

11. Het arrest beantwoordt wel degelijk het verweer van de eisers IV omtrent de onontvankelijkheid van de strafvordering wegens de voorgehouden onvolledigheid van het strafdossier (p. 18-20), omtrent de beweerde onregelmatige visitatie (p. 16-18) en omtrent de aangevoerde afwezigheid van het moreel element in hoofde van de eisers IV (p. 35-36).

Het arrest diende niet nader te antwoorden op alle argumenten die de eisers IV in appelconclusie naar voor hebben gebracht tot staving van de in het middel aangehaalde verweermiddelen, maar die op zichzelf geen afzonderlijk verweer vormden.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel van de eisers IV

12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR: het arrest besluit ten onrechte tot de ontvankelijkheid van de strafvordering; de appelrechters hadden, gelet op de onvolledigheid van het dossier en het hen en de eisers IV onthouden van relevante informatie met betrekking tot de opstart van het onderzoek en de informantenwerking, de strafvordering niet-ontvankelijk moeten verklaren.

13. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter of een onderzoek van feiten vraagt waarvoor het Hof niet bevoegd is.

14. Het arrest (p. 19-20) oordeelt dat:

- het aan de rechter staat te oordelen of de aanvoering door een beklaagde dat de vervolgende partij beschikt over elementen à décharge in zijn voordeel of dat de bewijsgaring niet rechtsgeldig en regelmatig is geschied, al dan niet elke grond van geloofwaardigheid mist en, indien niet, welk rechtsgevolg hieraan moet worden verleend;

- de elementen en de omstandigheden van de zaak niet toelaten vast te stellen of aannemelijk te maken dat de vervolgende partij op enigerlei arbitraire, selec¬tieve of misleidende wijze zou zijn tewerk gegaan, zoals gesuggereerd door de eisers IV;

- de eisers IV op afdoende wijze tegenspraak hebben kunnen voeren omtrent de inhoud, volledigheid en objectiviteit van de door de vervolgende partij gedane vaststellingen en bevindingen.

Aldus verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat het in zijn geheel voorliggende dossier voldoende gegevens bevat ter beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering, dat de voorwaarden van een eerlijk proces voor het geheel van de rechtspleging zijn vervuld en dat de in artikel 6.1 en 6.2 EVRM vervatte waarborgen niet werden miskend (p. 18 en 20).

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Derde middel van de eisers IV

15. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 15 Grondwet: het verlenen van een visitatiebevel door de politierechter is met minder waarborgen bekleed dan het bevelen van een huiszoeking door de onderzoeksrechter; aan het Grondwettelijk Hof moet een prejudiciële vraag worden gesteld over de verenigbaarheid van de artikelen 197 en 198 AWDA met de artikelen 10, 11 en 15 Grondwet.

16. Het middel is niet gericht tegen het arrest.

Het is niet ontvankelijk.

Vermits het middel niet ontvankelijk is om redenen die eigen zijn aan de cassatieprocedure moet de opgeworpen prejudiciële vraag niet worden gesteld.

Vierde middel van de eisers IV

17. Het middel voert schending aan van de artikelen 197 en 198 AWDA: de door de politierechter verleende visitatiemachtiging is onregelmatig; het arrest beantwoordt niet het argument van de eisers IV dat artikel 4, § 1, 1° van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie niet van toepassing is inzake douane en accijnzen; het arrest beantwoordt niet afdoende het verweer over het ontbreken van voorafgaande aanwijzingen.

18. In zoverre het middel niet gericht is tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

19. Met de redenen die het vermeldt, beantwoordt het arrest (p. 16-18) het verweer van de eisers IV omtrent de aangevoerde onregelmatigheid van de visitatiemachtiging. Het arrest diende niet nader te antwoorden op de tot staving van dit verweer aangevoerde argumenten die zelf geen afzonderlijk middel vormden.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Vijfde middel van de eisers IV

20. Het middel voert schending aan van de AWDA: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers handelden met kennis van zaken, terwijl de vervolgende partij die kennis niet bewijst; de appelrechters beperken zich tot de vaststelling dat die kennis blijkt uit het strafdossier en beantwoorden daarmee de conclusies van de eisers IV niet.

21. Het middel geeft niet aan hoe en waardoor het arrest de AWDA schendt.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk wegens onduidelijkheid.

22. Met een geheel van redenen die het arrest vermeldt (p. 34-35), oordelen de appelrechters dat in alle redelijkheid niet kan worden aangenomen dat de eisers IV onwetend zouden geweest zijn van de feiten en dat zij mede gelet op hun mandaat en of hun feitelijke functie en zeggenschap in de eiseres III (bvba Brandstoffen Vandueren) wetens en willens misdrijfscheppend en of -bevorderend hebben gehandeld. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers IV.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

23. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de appelrechters dat het moreel element in hoofde van de eisers IV wel degelijk aanwezig is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 303,48 euro waarvan de eisers I, II, III en IV elk 75,87 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 15 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Petroleumfraude

  • Verbeurdverklaring

  • Aard