- Arrest van 15 februari 2011

15/02/2011 - P.10.0547.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een aan een zijgevel bevestigd reclamebord is een publiciteitsinrichting of uithangbord 'in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit' in de zin van artikel 4.1.1.3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en voor het plaatsen ervan moet, behoudens vrijstelling, bij toepassing van artikel 4.2.1.1°.a, van dezelfde codex een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning worden verleend (1). (1) Cass., 12 jan. 1994, AR P.93.1017.F, A.C., 1994, nr. 13; Cass., 8 okt. 1996, AR P.95.0773.N, A.C., 1996, nr. 364 en R.W., 1996-97, 1229 met noot VANDEPLAS, A.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0547.N

I

THINK MEDIA OUTDOOR nv (voorheen BUSINESS PANEL), met zetel te 2000 Antwerpen, Oude Leeuwenrui 8/12, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc mr. Jan Ghysels, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 187,

beklaagde,

eiseres.

II

S F M-L B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Dominique Blommaert, advocaat bij de balie te Brussel.

III

KOLUTSI bvba, met zetel te 2520 Ranst, Vaarstraat 108, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc mr. Erik Vanden Brande, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1040 Etterbeek, Sint-Michielslaan 55/10,

beklaagde,

eiseres.

IV

A H P N,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Dominique Blommaert, advocaat bij de balie te Brussel.

V

STION bvba, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Prins Filiplaan 49, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc mr. Veronique Feryn, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem), Maurice Dewulflaan 3,

beklaagde,

eiseres.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 februari 2010.

De eisers I, II en III voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens twee gelijkluidende middelen aan.

De eiseressen IV en V voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens een gelijkluidend middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis waar het de eisers I tot en met IV en de eiseres V ontslaat van rechtsvervolging voor respectievelijk de telastlegging C.1 en C.2.

De tegen die beslissingen gerichte cassatieberoepen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eisers I tot en met V

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen (hierna WDRT): het arrest heeft ten onrechte drie door de eisers in conclusies voorgestelde prejudiciële vragen in verband met de verenigbaarheid van artikel 200 WDRT, met de artikelen 10, 11, 12 en 14 Grondwet en met artikel 1 Aanvullend Protocol EVRM niet gesteld.

3. Indien voor een rechtscollege een prejudiciële vraag in de zin van artikel 26, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof wordt opgeworpen, moet dit rechtscollege overeenkomstig artikel 26, § 2, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof deze prejudiciële vraag stellen.

Bij toepassing van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor een voorziening in cassatie, evenwel niet ertoe gehouden om de prejudiciële vraag te stellen wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 van dit artikel klaarblijkelijk niet schendt.

4. De eisers hebben voor de appelrechters opgeworpen dat zij het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen dienden te stellen:

- "Schendt artikel 200 WDRT in de interpretatie dat daarmee ook het behouden van de aanplakking wordt bedoeld, het wettigheidsbeginsel zoals opgenomen in de artikelen 12 en 14 Grondwet?"

- "Schendt artikel 200 WDRT in de interpretatie dat niet alleen plakbrieven maar ook reclame- en publiciteitsmiddelen worden bedoeld, het wettigheidsbeginsel zoals opgenomen in de artikelen 12 en 14 Grondwet?"

5. Het arrest (ro 8.2) beslist deze twee prejudiciële vragen niet te stellen op eigen gronden en met overname van de redenen van het beroepen vonnis.

Deze afwijzing is niet alleen gesteund op de klaarblijkelijke niet-schending van de vermelde grondwetsbepalingen maar ook op het door de appelrechters overgenomen oordeel van de eerste rechter (ro 29 en 30) dat deze aangevoerde miskenningen van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel in wezen tegen het uitvoeringsbesluit aangevoerde excepties van onwettigheid zijn en bijgevolg ontsnappen aan de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof.

In zoverre het middel nalaat deze redenen van het arrest in zijn kritiek te betrekken, berust het op een onvolledige lezing van dit arrest en mist het feitelijke grondslag.

6. Het arrest beslist dat artikel 200 WDRT het in artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en artikel 12 Grondwet uitgedrukte legaliteitsbeginsel klaarblijkelijk niet miskent en bijgevolg de voorgestelde prejudiciële vragen overeenkomstig artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet worden gesteld op de volgende gronden:

- in de ter zake geldende gebruikelijke zin van de woorden en in de context van de overige bepalingen van het WDRT betekenen de woorden "het aanplakken van alle hoe ook genaamde plakbrieven" in artikel 200 WDRT het aanbrengen maar ook het behouden van aanplakbrieven of enig ander reclame- of publiciteitsmiddel of nog het aanbrengen van en behouden van elk vast of beweeglijk, al dan niet duurzaam visueel reclame- of publiciteitsmiddel;

- taalkundig zijn in Vlaanderen "aanplakbrief" en "reclamebord" even aanvaardbaar als "aanplakbiljet" en "aanplakbord"; de eisers hebben geen oog voor de dynamiek van de woordenschat; het standaard woordenboek waarnaar de eisers verwijzen bevat geen complexe beschrijvingen van alle taalvormen die kortere of langere tijd in de marge van de kernwoordenschat gangbaar zijn;

- artikel 200 WDRT heeft, gelet op de formulering ervan en gelezen in de specifieke context van de wet, betrekking op een weliswaar voor interpretatie vatbare, uiterlijk waarneembare en voldoende precies omschreven gedraging, waartegen ten tijde van het handelen of het nalaten van de eisers I tot en met V en ook nu nog met een straf wordt gedreigd; het laat toe voor hen op wie de strafbepaling van toepassing is de feiten en nalatigheden te kennen die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen, zelfs als een nadere omschrijving hiervan aan de rechter wordt overgelaten; de verplichting erin omschreven is geen vage of onduidelijke uitdrukking die niet toelaat op voorhand te weten welke precieze gedragingen worden bedoeld of welk handelen strafbaar is gesteld.

Op deze gronden vermocht het arrest te oordelen dat artikel 200 WDRT klaarblijkelijk de ingeroepen grondwetsbepalingen niet schendt en is de beslissing om de voorgestelde prejudiciële vragen niet te stellen naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

7. De eisers hebben voor de appelrechters ook opgeworpen dat zij het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag dienden te stellen:

"Is het verbod op aanplakking zoals omschreven in artikel 200 [WDRT] waarbij de regering de aanplakking in gebieden die zij bepaalt, buitensporig ten aanzien van het doel waarvoor dit verbod werd ingesteld — namelijk om de schoonheid der gebouwen, monumenten, zichten en landschappen te vrijwaren — nu hierin zelfs geen enkel advies dient te worden ingewonnen, ook niet van de administratie monumenten en landschappen, zodat het verbod in strijd is met artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en is dat verbod niet willekeurig en in strijd met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM omdat het te algemeen geformuleerd is, er geen limieten of criteria zijn opgelegd en er niet in waarborgen is voorzien?"

8. Het arrest (ro 8.6) beslist met overname van de redengeving van de eerste rechter (ro 32) dat gelet op de gebruikte bewoordingen artikel 200 WDRT geen algemeen verbod inhoudt, zodat de in de voorgestelde prejudiciële vraag aangevoerde schending klaarblijkelijk niet bestaat en de vraag niet wordt gesteld.

Op deze gronden vermocht het arrest te oordelen dat artikel 200 WDRT klaarblijkelijk de ingeroepen bepalingen niet schendt, is de beslissing om de voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen naar recht verantwoord en beantwoordt het arrest het verweer van de eisers I tot en met V.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

9. De eisers voeren aan dat het Hof de drie voormelde prejudiciële vragen, die verband houden met het geschil waarover de rechter uitspraak diende te doen en die de draagwijdte betreffen van artikel 200 WDRT op grond waarvan de eisers zijn veroordeeld, aan het Grondwettelijk Hof dient te stellen.

10. De eisers voeren niet aan dat het arrest artikel 200 WDRT als dusdanig schendt.

De prejudiciële vragen zijn bijgevolg vreemd aan enig door de eisers I tot en met V aangevoerd afzonderlijk middel. Zij moeten dan ook niet worden gesteld.

Tweede middel van de eisers I, II, III

11. Het middel voert schending aan van artikel 15.1 IVBPR, artikel 2 Strafwetboek, de artikelen 4.1.1.3°, 4.2.1 en 6.1.1.1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 36 Aanpassingsdecreet 2009: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers door het plaatsen van een niet rechtstreeks in de grond ingebouwd of aan de grond bevestigd reclamebord verder strafbaar zijn op grond van de artikelen 4.2.1 en 6.1.1.1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; een aan een muur bevestigd reclamebord valt niet onder het begrip constructie zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1.3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; de appelrechters dienden de artikelen 4.1.1.3°, 4.2.1 en 6.1.1.1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening als mildere strafwet toe te passen.

12. Artikel 99, § 1, eerste lid, 1° en 8°, Stedenbouwdecreet 1999, bepaalde:

"Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning:

1° bouwen, op een grond één of meer vaste inrichtingen plaatsen, een bestaande vaste inrichting of bestaand bouwwerk afbreken, herbouwen, verbouwen of uitbreiden, met uitzondering van instandhoudings- of onderhoudswerken die geen betrekking hebben op de stabiliteit; (...)

8° publiciteitsinrichtingen of uithangborden plaatsen of wijzigen."

Artikel 36 Aanpassingsdecreet 2009, in werking getreden op 1 september 2009, heeft artikel 99 Stedenbouwdecreet 1999 vervangen door het nieuwe artikel 93.

Het nieuwe artikel 93, eerste lid, 1°, Stedenbouwdecreet 1999, bepaalt:

"Niemand mag zonder voorafgaande Stedenbouwkundige vergunning:

1° de hiernavolgende bouwwerken verrichten, met uitzondering van onderhoudswerken:

a) het optrekken of plaatsen van een constructie;

b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat;

c) het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie."

Het nieuwe artikel 93 bevat niet langer de bepaling die was opgenomen in artikel 99, § 1, eerste lid, 8°, Stedenbouwdecreet 1999 ("publiciteitsinrichtingen of uithangborden plaatsen of wijzigingen").

Het nieuwe artikel 92, eerste lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999, zoals vervangen door artikel 36 Aanpassingsdecreet 2009, bepaalt dat voor de toepassing van de titel III Vergunningsbeleid onder constructie wordt verstaan: "een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, een publiciteitsinrichting of uithangbord, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of te liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het volledig ondergronds."

Na het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening is de inhoud van het nieuwe artikel 93, eerste lid, 1° en van het nieuwe artikel 92, eerste lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999, zoals vervangen door het Aanpassingsdecreet 2009, opgenomen in respectievelijk artikel 4.2.1 en in artikel 4.1.1.3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

13. Uit de parlementaire voorbereiding bij het Aanpassingsdecreet 2009 blijkt dat de decreetgever in het nieuwe artikel 93 Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 4.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geen expliciete vergunningsplicht heeft opgenomen voor publiciteitsinrichtingen of reclamepanelen, omdat die vallen onder het begrip constructie zoals omschreven in het nieuwe artikel 92, eerste lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 4.1.1.3° Vlaamse Code Ruimtelijke Ordening. Het begrip constructie is ingevoerd als een generieke term voor gebouwen, bouwwerken, vaste inrichtingen, verhardingen en publiciteitsinrichtingen of uithangborden..

Een aan een zijgevel bevestigd reclamebord is een publiciteitsinrichting of uithangbord "in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit" in de zin van artikel 4.1.1.3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en voor het plaatsen ervan moet, behoudens vrijstelling, bij toepassing van artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning worden verleend.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Het arrest (ro 4 en 9.1) stelt vast dat de met de telastlegging B beoogde publiciteitsinrichting een aan een zijgevel bevestigde vaste reclame-inrichting betreft bestaande uit een gegalvaniseerde plaat en gemoffelde alu-profielen.

Het arrest (ro 9.2) oordeelt dat het plaatsen van een dergelijke publiciteitsinrichting zowel onder de toepassing valt van artikel 99, § 1, 8°, Stedenbouwdecreet 1999 als onder de toepassing van artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het verantwoordt zodoende zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 248,68 euro, waarvan de eisers I, II, III elk 49,74 euro verschuldigd zijn en de eiseressen IV en V elk 49,73 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 15 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

  • Publiciteitsinrichting

  • Aan een zijgevel bevestigd reclamebord

  • Vergunningsplicht

  • Toepassing