- Arrest van 15 februari 2011

15/02/2011 - P.10.1244.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het overlevingspensioen dat de overlevende echtgenoot geniet ten gevolge van het overlijden van zijn echtgenoot, is een recht dat zijn oorsprong vindt in de tussen het slachtoffer en zijn werkgever gesloten overeenkomst en in de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor de werknemers; het heeft geen vergoedend karakter en beoogt dus niet de vergoeding van de schade die het slachtoffer of zijn rechthebbende lijden ingevolge de fout van de aansprakelijke zodat het dan ook niet mag aangerekend worden op de schadevergoeding die de aansprakelijke verschuldigd is uit hoofde van inkomstenverlies (1). (1) Cass., 7 sept. 2004, AR P.04.0315.N, A.C., 2004, nr. 386; Cass., 16 maart 2006, AR C.05.0299.N, A.C., 2006, nr. 156; Cass., 4 sept. 2007, AR P.07.0426.N, A.C., 2007, nr. 384.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1244.N

1. M C,

burgerlijke partij,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

2. M T,

burgerlijke partij,

3. G T,

burgerlijke partij,

4. E T, in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige zonen P T en S T,

burgerlijke partij,

5. R T, in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen R S, V S en W S,

burgerlijke partij,

6. K S, in eigen naam en vertegenwoordigster van haar minderjarige zonen B L, en M L,

burgerlijke partij,

7. G L, als vertegenwoordiger van zijn minderjarige zonen B L, en M L,

burgerlijke partij,

eisers,

tegen

1. K B,

beklaagde,

2. MALLANTS nv, met zetel te 3970 Leopoldsburg, Wielerbaanstraat 23,

burgerlijk aansprakelijke partij,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Hasselt van 15 maart 2007, 25 oktober 2007 en 3 juni 2010.

De eiseres 1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De overige eisers voeren geen middel aan.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eisers 2 tot 7

1. De eisers 2 tot 7 hebben op 8 november 2007 cassatieberoep aangetekend tegen de vonnissen van 15 maart 2007 en 25 oktober 2007.

Bij arrest van 1 april 2008 werd hun cassatieberoep verworpen.

Het tweede cassatieberoep dat de eisers 2 tot 7 op 16 juni 2010 hebben aangetekend tegen dezelfde vonnissen, is niet ontvankelijk.

2. De eisers 2 tot 7 hebben op 16 juni 2010 cassatieberoep aangetekend tegen het vonnis van 3 juni 2010 waarin zij evenwel geen partij meer waren.

Het cassatieberoep van de eisers 2 tot 7 tegen dit vonnis is niet ontvankelijk.

Middel tegen het vonnis van 15 maart 2007

3. De eiseres 1 voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters rekenen ten onrechte het overlevingspensioen van de eiseres 1 aan op de vergoeding voor haar materiële schade wegens het wegvallen van het rustpensioen van het overleden slachtoffer.

4. Wanneer het slachtoffer overlijdt ingevolge een onrechtmatige daad, bestaat de schade die zijn overlevende echtgenote lijdt, onder meer in het derven van de inkomsten van de overleden echtgenoot die haar persoonlijk ten goede kwamen.

Het is daarbij onverschillig of die inkomsten voortvloeiden uit een beroepsactiviteit dan wel bestonden uit een rustpensioen.

5. De uitkeringen die derden aan het slachtoffer of zijn rechthebbenden betalen, mogen slechts worden aangerekend op de schadevergoeding die de aansprakelijke verschuldigd is, wanneer zij de vergoeding beogen van dezelfde schade als die welke voortvloeit uit de fout van de aansprakelijke.

6. Het overlevingspensioen die de overlevende echtgenoot geniet ten gevolge van het overlijden van zijn echtgenoot, is een recht dat zijn oorsprong vindt in de tussen het slachtoffer en zijn werkgever gesloten overeenkomst en in de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor de werknemers.

Het overlevingspensioen heeft geen vergoedend karakter en beoogt dus niet de vergoeding van de schade die het slachtoffer of zijn rechthebbende lijden ingevolge de fout van de aansprakelijke.

Het overlevingspensioen mag dan ook niet aangerekend worden op de schadevergoeding die de aansprakelijke verschuldigd is uit hoofde van inkomstenverlies.

7. De appelrechters oordelen dat:

- ingevolge het overlijden van A T zijn rustpensioen is weggevallen en de eiseres 1 een overlevingspensioen ontvangt;

- het gegeven dat het overlevingspensioen een eigen rechtsgrond heeft, met name betreffende de socialezekerheidswetgeving, niet relevant is om na te gaan of dit pensioen al dan niet dient aangerekend te worden op de gemeenrechtelijke schadevergoeding toekomende aan de eiseres 1;

- het overlevingspensioen ertoe strekt de materiële schade van de langstlevende ingevolge het wegvallen van het inkomen van het overleden slachtoffer te compenseren;

- het overlevingspensioen dezelfde schade vergoedt als deze waarvoor de eiseres 1 een schadevergoeding wegens inkomstenverlies vordert.

8. Door op deze gronden het overlevingspensioen van de eiseres 1 aan te rekenen op de haar toekomende schadevergoeding wegens het wegvallen van het rustpensioen van haar echtgenoot, schenden de appelrechters de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

9. De vernietiging van het vonnis van 15 maart 2007 heeft eveneens de vernietiging tot gevolg van de vonnissen van 25 oktober 2007 en 3 juni 2010 voor zover zij uitspraak doen over de vergoeding wegens inkomstenverlies toekomende aan de eiseres 1.

Middel tegen het vonnis van 25 oktober 2007

10. Het middel kan niet tot ruimere cassatie leiden en behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden vonnissen voor zover zij uitspraak doen over de vergoeding wegens inkomstenverlies toekomende aan de eiseres 1.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde vonnissen.

Veroordeelt de eisers 2 tot en met 7 tot de kosten van hun cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres 1 tot de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de verweerders.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Tongeren, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 196,22 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 15 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Overlevingspensioen

  • Aanrekening op de schadevergoeding die de aansprakelijke verschuldigd is wegens inkomstenverlies