- Arrest van 17 februari 2011

17/02/2011 - F.10.0018.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een cliënt kan de overeenkomst met zijn advocaat te allen tijde en zonder vergoeding voor de gederfde inkomsten voor latere diensten beëindigen, onder voorbehoud van het misbruik van recht en van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, aangezien het vertrouwen de noodzakelijke grondslag van die overeenkomst is en de mogelijkheid om ze te beëindigen behoort tot de vrijheid van keuze van de advocaat, d.w.z. de uitoefening van het recht van verdediging; onder die voorwaarden kan hij niet alleen een einde maken aan de overeenkomst waarbij hij zijn verdediging in een welbepaald geschil aan een advocaat toevertrouwt, maar ook aan zijn verbintenis om hem die verdediging in latere geschillen toe te vertrouwen, tegen betaling van een welbepaald honorarium, in het kader van een abonnement, aangezien een dergelijke verbintenis op hetzelfde vertrouwen berust (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0018.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. M.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 27 oktober 2009.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan waarvan het tweede als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6 , 1131, 1134, 1135, 1160, 1185, 1186, 1780 en 2004 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 1919 betreffende de advocaten van het ministerie van Financiën;

- artikel 6. 1 en 3. c) van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk elke partij een overeenkomst van onbepaalde duur te allen tijde kan beëindigen;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest "bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en ten dele gegrond heeft verklaard ; het wijzigt het, trekt de zaak voor het overige aan zich en veroordeelt [de eiser] tot betaling [aan de verweerder] van 91.663 euro te vermeerderen met de interest vanaf 1 januari 2007 tot de algehele betaling (...); veroordeelt [de eiser] in de kosten van de aanleggen die volgens de vastgelegde beginselen begroot zijn op 6.374,60 euro ten voordele [van de verweerder]".

Het arrest grondt die beslissingen op de onderstaande redenen:

"Volgens de klassieke visie gaan de juristen ervan uit dat de verhouding tussen een advocaat en zijn cliënt is gebaseerd op de opdracht die laatstgenoemde doorgaans aan zijn advocaat toevertrouwt, namelijk in hoofdzaak, hem voor de rechterlijke instanties te vertegenwoordigen en aldaar de belangen van zijn zaak te verdedigen. Die opdracht impliceert een heel bijzondere vertrouwensband.

In dat opzicht en in die figuur wordt aanvaard dat de cliënt, indien het vertrouwen tussen hem en zijn advocaat verdwijnt, terstond hun relatie mag beëindigen en een nieuwe raadsman mag kiezen.

Nog altijd in die klassieke visie gaan de juristen ervan uit dat de advocaat in wezen de lasthebber van zijn cliënt is en dat de omstandigheid dat hij materiële prestaties levert of alleen maar advies geeft, de essentie van de verhouding tussen hem en zijn cliënt niet wijzigt.

Aldus heeft de vraag of er, nog altijd volgens die klassieke visie, sprake kan zijn van een gemengd contract, geen enkel belang daar de verhouding altijd onder de regels van de overeenkomst van lastgeving valt, die ad nutum kan worden herroepen en, wegens de kenmerken ervan, niet onder toepassing valt van artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek, dat de opdrachtgever weliswaar eveneens het recht geeft om de aanneming door zijn enkele wil te verbreken mits hij de aannemer schadeloos stelt niet alleen voor al zijn uitgaven maar ook voor alles wat hij bij die aanneming had kunnen verdienen.

Het hof [van beroep] is van oordeel dat het hier niet de bedoeling is die klassieke redenering waarbij het zich aansluit, ter discussie te stellen, maar wel om na te gaan of de te onderzoeken figuur, in deze zaak, gelet op de specifieke aard van de verhouding tussen de betrokken partijen, nog steeds overeenstemt met de klassieke figuur van de verhouding tussen een cliënt en zijn advocaat. De vraag rijst dus of het hof [van beroep] die klassieke redenering niet ter discussie stelt.

Specifiek onderzoek van de verhouding tussen de partijen in deze zaak

Vast staat dat de verhouding tussen de partijen in deze zaak nog erg weinig gemeen heeft met de traditionele verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt.

Aldus, met betrekking tot de feiten van het geschil van de betrokken [eiser]: blijkens de niet-betwiste, door de partijen uiteengezette gegevens is de [eiser] betrokken bij een zeer aanzienlijk aantal fiscale juridische geschillen, aangezien hij hiervoor doorlopend een zestigtal advocaten als raadslieden tewerkstelt; dat grote aantal uit zich ook op financieel vlak: zo heeft [de verweerder], voor die geschillen, in het jaar 2006, 26.000 euro ontvangen als basisabonnement en 29.000 euro als bijkomend abonnement; de geschillen die hem in het geschetste kader worden toegewezen zijn juridisch gezien heel specifieke geschillen.

De wijze waarop sommige advocaten die geschillen toebedeeld krijgen, en de logica van de verhouding tussen de partijen vertonen bovendien heel bijzondere kenmerken: oorspronkelijk bestaat er tussen de partijen geen besproken en ondertekend contract maar wel de aanstelling bij ministerieel besluit van een ‘advocaat van het ministerie van Financiën' in een welbepaald gebied; die aanstelling gebeurt op grond van een koninklijk besluit van 22 december 1919 dat met name bepaalt dat de aangestelde advocaten de titel dragen van advocaat van het departement Financiën, dat die advocaten bezoldigd worden op basis van een jaarabonnement waarvan de minister het bedrag vaststelt en dat de opdracht van die advocaten eindigt op de eerste dag van de maand na die waarop zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt; de bedragen die de [eiser] aan die advocaten betaalt, stemmen helemaal niet overeen met het traditionele ereloon, aangezien ze niet afhangen van de concrete prestaties die de advocaat in elk dossier levert, maar veel gelijkenis vertonen met een gezamenlijke forfaitaire vergoeding, daar het abonnement naast een vast gedeelte ook een variabel gedeelte bevat dat hoofdzakelijk afhangt van het aantal dossiers die in het refertejaar zijn afgewerkt.

Die specifieke gegevens wettigen het standpunt van [de verweerder], namelijk dat er een raamovereenkomst tussen de partijen bestaat, op grond waarvan latere overeenkomsten worden gesloten, en meer bepaald, overeenkomsten van lastgeving in elk dossier dat aan de advocaat van het departement Financiën wordt overhandigd.

Zowel de bewoordingen van het koninklijk besluit van 22 december 1919 als de wijze waarop de partijen in de praktijk te werk gaan, zijn immers op die logica gebaseerd, zoals: de bijzondere benaming die de advocaat in dat soort overeenkomst krijgt; de aanvaarding door die advocaat van een berekeningswijze van zijn ereloon die niet de gebruikelijke berekeningswijze is.

Het spreekt bovendien voor zich dat die raamovereenkomst een wederzijdse overeenkomst is die voor beide partijen voordelen en verplichtingen inhoudt.

Aldus verplicht de advocaat van het departement Financiën zich impliciet ertoe zich te blijven specialiseren in de hem toevertrouwde aangelegenheden en om zijn beroep zodanig te organiseren dat hij de geschillen die de [eiser] hem toevertrouwt kan behandelen in ruil voor een aannemelijke stroom zaken waarvan het tarief vooraf bepaald is.

De [eiser] van zijn kant heeft het voordeel te beschikken over een korps gespecialiseerde advocaten die zich ertoe verbonden hebben zijn belangen te verdedigen in een vooraf omschreven context, waaronder die betreffende de bedragen, die zij zullen ontvangen, maar hij verbindt zich dan ertoe die advocaten te vergoeden zoals afgesproken.

Met betrekking tot de duur van de overeenkomst blijkt uit de bewoordingen ervan dat het koninklijk besluit van 22 december 1919, dat de reglementaire basis van het systeem is, wel degelijk bepaalt dat de overeenkomst, in beginsel, loopt tot de advocaat van Financiën de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

Dat beginsel past trouwens perfect in de logica van het bewuste systeem: het komt erop neer aan advocaten een takenpakket toe te vertrouwen en hun een titel te geven teneinde over een duurzaam korps gespecialiseerde advocaten te beschikken waarop de [eiser] een beroep kan doen.

Uit de hierboven omschreven gegevens kan in die fase worden afgeleid dat er een raamovereenkomst bestaat tussen [de eiser] en de advocaten die zijn aangesteld als advocaat [van het departement Financiën] en dat die raamoverkomst moet worden aangemerkt als een aannemingscontract met een welbepaalde duur.

Ontbinding van de voornoemde raamovereenkomst

Voor de mogelijkheid om de voornoemde raamovereenkomst te ontbinden, moet worden verwezen naar de principes die de ontbinding van het contract van aanneming regelen.

Aldus kon [de eiser] op grond van artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek weliswaar de raamovereenkomst te allen tijde beëindigen, maar dan diende hij wel de advocaat van het departement Financiën een vergoeding te betalen voor de verhoopte winst uit die raamovereenkomst."; voorts beslist het arrest dat "het recht om een einde te maken aan de last die aan een advocaat wordt gegeven voor de verdediging van zijn belangen, voortvloeit uit de vrije keuze van de advocaat en van het recht van verdediging dat een wezenlijk recht is, vastgelegd in onder meer het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden."

Aldus beslist het arrest dat de eiser elk dossier dat hij aan de verweerder had toevertrouwd ad nutum van hem kon afnemen, terwijl het voorts beslist dat de eiser de raamovereenkomst, op grond waarvan hij die dossiers aan de verweerder toevertrouwde, slechts kon beëindigen met inachtneming van het bepaalde in artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek.

Grieven

Eerste onderdeel

De verhouding tussen een advocaat en zijn cliënt vloeit voort uit een overeenkomst intuitu personae, aangezien de vrijheid van keuze van de advocaat fundamenteel behoort tot de uitoefening van het recht van verdediging (in het middel aangevoerd algemeen rechtsbeginsel), tot het recht op een eerlijk proces (artikel 6.1 en 3. c), van het in het middel aangewezen Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950) en bijgevolg tot de openbare orde (de artikelen 6 en 1131 van het Burgerlijk Wetboek).

Het noodzakelijke vertrouwen dat aan die verhouding ten grondslag ligt, impliceert dat de cliënt te allen tijde kan beslissen ze te beëindigen zonder dat hij dat hoeft te rechtvaardigen of enige fout te begaan, ook al zijn de redenen die hem daartoe drijven verkeerd; die oplossing wordt voor het overige gerechtvaardigd door de analoge toepassing van de traditionele regel van de lastgeving (artikel 2004 van het Burgerlijk Wetboek).

Dat recht van de cliënt kan niet worden belemmerd door de verplichting voor de cliënt om een opzeggingstermijn na te leven of een vergoeding te betalen aan de advocaat op wie hij niet langer een beroep doet om hem bij te staan en te vertegenwoordigen.

Daaruit volgt dat het arrest, dat eisers recht om de raamovereenkomst te ontbinden krachtens welke hij dossiers aan de verweerder moest toevertrouwen en hem een ereloon moest betalen, doet afhangen van de naleving van de voorwaarden van artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek, 1°, artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek schendt door het toe te passen op een overeenkomst waarop het wegens de aard ervan niet toepasselijk was; 2° de dwingende kracht van de raamovereenkomst tussen de partijen miskent (schending van de artikelen 1134 en 1135 en, voor zoveel als nodig, 2004 van het Burgerlijk Wetboek) doordat het weigert toepassing te maken van het gebruikelijke beding, dat in de overeenkomst was opgenomen en de eiser de mogelijkheid bood die overeenkomst zonder opzeggingstermijn en zonder vergoeding te beëindigen (schending van artikel 1160 van het Burgerlijk Wetboek); 3° eisers recht om die raamovereenkomst ad nutum te beëindigen aantast door het te beperken en, zodoende, eisers recht van verdediging miskent (miskenning van het in het middel aangewezen beginsel van het recht van verdediging) en zijn recht op een eerlijk proces miskent (schending van artikel 6. 1. en 3. c), van het in het middel aangewezen Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 en, voor zoveel als nodig, van de wet van du 13 mei 1955 tot goedkeuring van die overeenkomst) en, bijgevolg, de uitoefening van eisers recht aantast door daaraan beperkingen op te leggen die strijdig zijn met de openbare orde (schending van de artikelen 6 en 1131 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Het arrest beslist als volgt: "Met betrekking tot de duur van de (tussen de partijen gesloten raamovereenkomst) blijkt uit de bewoordingen ervan dat het koninklijk besluit van 22 december 1919, dat de reglementaire basis van het systeem is, wel degelijk bepaalt dat de overeenkomst, in beginsel, loopt tot de advocaat van Financiën de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. (...). Uit de hierboven omschreven gegevens kan in die fase worden afgeleid dat er een raamovereenkomst bestaat tussen [de eiser] en de advocaten die zijn aangesteld als advocaat [van het departement Financiën] en dat die raamoverkomst moet worden aangemerkt als een aannemingscontract met een welbepaalde duur.

Ontbinding van de voornoemde raamovereenkomst

Voor de mogelijkheid om de voornoemde raamovereenkomst te ontbinden, moet worden verwezen naar de principes die de ontbinding van het contract van aanneming regelen.

Aldus kon [de eiser] op grond van artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek weliswaar de raamovereenkomst te allen tijde beëindigen, maar dan diende hij wel de advocaat van het departement Financiën een vergoeding te betalen voor de verhoopte winst uit die raamovereenkomst."

Het arrest beslist aldus dat de eiser de raamovereenkomst met de verweerder slechts kon beëindigen met inachtneming van de voorwaarden van artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek.

Dat artikel 1794 is echter slechts toepasselijk op overeenkomsten van bepaalde duur die betrekking hebben op een aanneming van een werk dat door het voorwerp ervan of door een uitdrukkelijke looptijd wordt omschreven.

In deze zaak stelt het arrest weliswaar vast dat de raamovereenkomst tussen de partijen, met toepassing van artikel 4, eerste lid, van het in het middel aangewezen koninklijk besluit van 22 december 1919, voorzag in een vervaltermijn, meer bepaald het tijdstip waarop de verweerder 65 jaar zou worden.

Een vervaltermijn vormt echter slechts een van de wijzen waarop verbintenissen tenietgaan maar maakt van een overeenkomst waarin die termijn voorkomt, daarom nog geen overeenkomst van bepaalde duur (artikelen 1134, 1135, 1185 en 1186 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor het overige kan een overeenkomst van onbepaalde duur door elk van de partijen eenzijdig worden beëindigd krachtens een algemeen rechtsbeginsel dat in artikel 1780 van het Burgerlijk Wetboek wordt verwoord en dat, aangezien het ertoe strekt de individuele vrijheid te vrijwaren, van openbare orde is (algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk elke partij een overeenkomst van onbepaalde duur te allen tijde kan beëindigen).

Tot slot verleent het bedingen van een termijn dat de uiterste datum vastlegt waarop een overeenkomst van onbepaalde duur zal eindigen, als die tot dan in stand gehouden wordt, aan die overeenkomst niet noodzakelijkerwijs de kenmerken van een overeenkomst van bepaalde duur.

Daaruit volgt dat het arrest op onwettige wijze beslist dat de raamovereenkomst tussen de partijen de kenmerken vertoonde van een overeenkomst van bepaalde duur, door die kenmerken enkel af te leiden uit de vaststaande vervaltermijn die zij bevat op grond van het koninklijk besluit van 22 december 1919 en aldus aan die termijn een gevolg verbindt die hij niet noodzakelijkerwijs heeft (schending van de artikelen 1134, 1135, 1185 en 1186 van het Burgerlijk Wetboek en 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 1919) en dat het arrest bijgevolg artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek schendt, dat enkel van toepassing is op overeenkomsten van bepaalde duur, door het toe te passen op een overeenkomst waarvan het niet naar recht had vastgesteld dat zij die kenmerken vertoonde.

Doordat het arrest niet concreet nagaat of de partijen, in deze zaak, de wil hadden om een raamovereenkomst van bepaalde duur te sluiten, hoewel de eiser staande hield dat artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek slechts gold voor de aannemingsovereenkomst van bepaalde duur (met verwijzing naar het arrest van het Hof van 4 september 1980), bevat het op zijn minst niet de feitelijke vaststellingen op grond waarvan het Hof zijn wettigheidstoetsing moet verrichten en is het, bijgevolg, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Indien het arrest aldus moet worden uitgelegd dat artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek geldt voor aannemingsovereenkomsten van onbepaalde duur, terwijl het enkel voor dergelijke overeenkomsten geldt als zij van bepaalde duur zijn, schendt het, in een dergelijke uitlegging, voornoemd artikel 1794.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Vertrouwen is de noodzakelijke grondslag van een overeenkomst tussen een advocaat en zijn cliënt. Deze kan bijgevolg de overeenkomst te allen tijde en zonder vergoeding voor de gederfde inkomsten voor latere diensten beëindigen, onder voorbehoud van het misbruik van recht en van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd. Die mogelijkheid behoort tot de vrijheid van keuze van de advocaat, d.w.z. de uitoefening van het recht van verdediging.

Onder die voorwaarden kan de cliënt een einde maken niet alleen aan de overeenkomst waarbij hij zijn verdediging in een welbepaald geschil aan een advocaat toevertrouwt, maar ook aan zijn verbintenis om hem die verdediging in latere geschillen toe te vertrouwen tegen betaling van een welbepaald honorarium in het kader van een abonnement. Een dergelijke verbintenis berust immers op hetzelfde vertrouwen.

Het arrest oordeelt dat de verhouding tussen de partijen voortvloeide uit een raamovereenkomst waarbij de eiser zich ertoe verbonden had zijn verdediging toe te vertrouwen aan de verweerder, die advocaat is, in latere geschillen, tegen betaling van een vooraf vastgelegd jaarlijks honorarium en dat eiser die overeenkomst heeft beëindigd voordat zij verviel.

Het arrest dat de eiser veroordeelt om aan de verweerder een vergoeding te betalen voor de inkomsten die laatstgenoemde kon verwachten uit de voorzetting van het contract tot de einddatum ervan, miskent eisers recht van verdediging.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Alain Simon, Mireille Delange en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 17 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Cliënt

  • Overeenkomst

  • Grondslag

  • Doel

  • Mogelijkheid voor de cliënt

  • Vrijheid van keuze van advocaat

  • Recht van verdediging

  • Uitoefening

  • Voorwaarden

  • Verdediging in de toekomst

  • Abonnement