- Arrest van 17 februari 2011

17/02/2011 - C.09.0646.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 19 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995 geldt eveneens wanneer een bij artikel 17bis van de wet verboden ingreep in het buitenland is verricht (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0646.F

BELGISCHE STAAT, minister van Sociale Zaken en van Volksgezondheid,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

STUDBOOK ZANGERSHEIDE, vzw.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 september 2008.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert vier middelen aan.

(...)

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17bis, 19 en 41 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de eerste bepalingen zoals ze werden ingevoegd of gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995;

- artikel 2 van het Strafwetboek;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de bewijslast in strafzaken.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst vast dat de verweerster haar rechtsvordering tegen de eiser grondt "op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek" en betwijfelt of "de artikelen 17bis en 19 die bij de wet van 4 mei 1995 zijn ingevoegd in de wet van 14 augustus 1986 in overeenstemming zijn met het EG-verdrag". Het zegt vervolgens voor recht "dat de Belgische Staat ten onrechte artikel 19 van de wet van 14 augustus 1986 op uitbreidende wijze wil uitleggen, in weerwil van de duidelijke bewoordingen ervan" en beveelt de heropening van het debat zodat de partijen conclusie kunnen nemen over de bestanddelen van verweersters schade.

Het arrest grondt zijn beslissing op onderstaande redenen:

"(De) tekst (van artikel 19) is duidelijk. Hij verbiedt de deelname aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met een dier waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht, dat wil, volgens de evenzeer duidelijke tekst van laatstgenoemde bepaling, zeggen, waarbij een dergelijke ingreep verricht is op het Belgisch grondgebied vóór (lees: na) de inwerkingtreding ervan.

Met betrekking tot die duidelijkheid maakt het niets uit dat artikel 19 niet uitdrukkelijk vermeldt dat het verbod om deel te nemen aan tentoonstellingen, wedstrijden en keuringen slechts geldt voor dieren waarbij een dergelijke verboden ingreep in België is verricht,

De parlementaire voorbereiding van de wet laat weliswaar uitschijnen dat hetzelfde verbod geldt voor alle gebrandmerkte paardachtigen, ongeacht of dat brandmerken in België of in het buitenland is gebeurd.

De parlementaire voorbereiding van een wet heeft echter geen eigen juridische waarde en kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst van die wet (Cass., 22 december 1994, A.C., 1194). Uit die beschouwingen volgt dat de Belgische Staat ten onrechte artikel 19 van de wet van 14 augustus 1986 wil uitleggen op een wijze die indruist tegen de duidelijke tekst ervan, terwijl het voor de beslechting van het geschil nutteloos is na te gaan of die uitbreidende uitlegging al dan niet indruist tegen het gemeenschapsrecht".

Grieven

De wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995, bevat, sinds die laatste wijziging, de volgende bepalingen:

Artikel 17bis. "§ 1. Het is verboden één of meer ingrepen bij een gewerveld dier te verrichten, waarbij één of meerdere gevoelige delen van het lichaam worden verwijderd of beschadigd.

§ 2. Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op :

1° ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;

2° ingrepen die op grond van de wetgeving inzake de dierenziektenbestrijding verplicht zijn;

3° ingrepen met het oog op het nutsgebruik van het dier of op de beperking van de voortplanting van de diersoort. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van deze ingrepen vast en bepaalt de gevallen waarin en de wijze waarop die ingrepen mogen worden uitgevoerd".

Artikel 19. "§ 1. Vanaf 1 januari 2000 is het verboden om deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht.

§ 2. Het is verboden een dier dat een bij artikel 17bis verboden ingreep heeft ondergaan tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten.

§ 3. Het verhandelen van dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht, is verboden.

§ 4. De bepalingen van de voorafgaande paragrafen zijn niet van toepassing indien bewijzen kunnen worden voorgelegd dat de ingreep is verricht voor het van kracht worden van het in artikel 17bis bedoelde verbod".

Overtreding van zowel artikel 17 als van artikel 19 wordt krachtens artikel 41 van die wet met een geldboete bestraft.

Het koninklijk besluit van 17 mei 2001 betreffende de toegestane ingrepen bij gewervelde dieren, met het oog op het nutsgebruik van de dieren of op de beperking van de voortplanting van de diersoort somt de in artikel 17bis, § 2, 3°, van de wet bedoelde ingrepen op.

Uit dat besluit volgt dat het brandmerken van paarden, ezels, muilezels en muildieren verboden is vanaf 1 januari 2002.

Uit de duidelijke bewoordingen van voornoemd artikel 19, § 4, blijkt dat degene die zinnens is een van in de paragrafen 1, 2 of 3 bedoelde activiteiten te ondernemen met dieren waarbij een in artikel 17bis verboden ingreep is verricht, dient te bewijzen dat de ingreep verricht is vóór de inwerkingtreding van het in artikel 17bis bedoelde verbod.

Krachtens het beginsel dat strafwetten niet terugwerken, in onderling verband met de regels betreffende de bewijslast in strafzaken, kan een in voornoemd artikel 17bis bedoelde ingreep echter enkel leiden tot een veroordeling van degene die ze verricht heeft op grond van de strafrechtelijke bepalingen van artikel 41 van de wet, indien de vervolgende partij, met uitsluiting van elke redelijke twijfel, bewijst dat de ingreep verricht is na de inwerkingtreding van de wet. Krachtens het beginsel dat strafwetten niet terugwerken en de regels betreffende de bewijslast in strafzaken, moet twijfel omtrent het tijdstip van de ingreep de vrijspraak van de beklaagde tot gevolg hebben.

Anders gezegd, een dier dat op een onbekende datum een ingreep heeft ondergaan in de zin van artikel 17bis van de wet, kan niet op wettige wijze deelnemen aan een keuring, een tentoonstelling of een wedstrijd, ook al kan de ingreep voor degene die ze heeft verricht geen strafsancties tot gevolg hebben. In een dergelijk geval kan de fokker, de eigenaar of de bewaarder van het dier zich niet beroepen op de uitzondering waarin voornoemd artikel 19, § 4, voorziet, aangezien geen "bewijzen kunnen worden voorgelegd dat de ingreep is verricht voor het van kracht worden van het in artikel 17bis bedoelde verbod".

Kortom, het toepassingsgebeid van artikel 19 is niet beperkt tot het gebruik met het oog op tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden of tot het verhandelen van dieren waarbij een ingreep is verricht die voor de Belgische strafgerechten kan worden vervolgd.

Die interpretatie wordt bevestigd door de memorie van toelichting bij de wet van 4 mei 1995, die met betrekking tot artikel 19 de volgende passage bevat:

"Ingrepen waarbij één of meerdere lichaamsdelen van het dier worden verwijderd of beschadigd, worden verboden tenzij er voldaan is aan strikte voorwaarden zoals bv. diergeneeskundige noodzaak of een beperking van de voortplanting, ....

Om deze verbodsbeperking kracht bij te zetten wordt het eveneens verboden om dieren die een verboden ingreep ondergaan hebben toe te laten en te laten deelnemen aan wedstrijden ... of om ze te verhandelen ook als de verboden ingreep in het buitenland zou zijn verricht. Een ontheffing op dit verbod wordt evenwel voorzien voor binnenlandse en buitenlandse dieren waarop deze ingreep is verricht vóór het van kracht worden van het verbod (...).

Het louter verbieden van bepaalde ingrepen is, blijkens ervaringen in het buitenland, onvoldoende om deze praktijken echt te doen ophouden. Daarom wordt in dit artikel verboden om dieren die een in artikel 17bis van de wet verboden ingreep hebben ondergaan:

1° Te laten deelnemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden.

2° Te commercialiseren" (Gedr.St., Senaat, zitt. 1993-1994, nr. 972-1, p. 4 en 9).

De wil van de wetgever bestond er dus in elke deelname aan tentoonstellingen wedstrijden of andere evenementen te verbieden met elk dier waarbij een verboden ingreep was verricht, zelfs in het geval waarin die ingreep in het buitenland werd verricht en bijgevolg niet op het Belgisch grondgebied vervolgd kan worden.

Daaruit volgt dat het arrest de draagwijdte van artikel 19 van de wet miskent door te beslissen dat die tekst de deelname een een tentoonstelling, een keuring of een wedstrijd uitsluitend verbiedt met dieren waarbij op het Belgisch grondgebied een ingreep is verricht (schending alle wetsbepalingen en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, die in het middel zijn aangewezen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Derde middel

Krachtens artikel 19, § 1 tot 3, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995, is het vanaf 1 januari 2000 verboden om deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht, een dier dat een dergelijke ingreep heeft ondergaan tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten of het te verhandelen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 mei 1995 volgt dat, volgens de bedoeling van de wetgever, voornoemd artikel 19 eveneens geldt wanneer een bij artikel 17bis verboden ingreep in het buitenland is verricht.

Het arrest dat beslist dat die bepaling uitsluitend geldt voor dieren die op het Belgisch grondgebied een bij artikel 17bis verboden ingreep hebben ondergaan, schendt artikel 19.

In zoverre is het middel gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart, beslist dat de verweerster het vereiste belang heeft om de rechtsvordering in te stellen, dat de gerechten van de rechterlijke orde bevoegd zijn om van die rechtsvordering kennis te nemen en dat zij niet verjaard is.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 17 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bescherming en welzijn

  • Wet 14 augustus 1986

  • Artikel 19

  • In het buitenland verrichte verboden ingreep

  • Toepassing