- Arrest van 21 februari 2011

21/02/2011 - C.10.0520.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 47 Arbeidsongevallenwet houdt in dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die de getroffene had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0520.N

AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

MENSURA Gemeenschappelijke Verzekeringskas, onderlinge verzekeringsmaatschappij, met zetel te 1000 Brussel, Zaterdagplein 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 december 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 13 januari 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

1. Op grond van artikel 47 Arbeidsongevallenwet treedt de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijk bepaalde vergoedingen heeft betaald, tot beloop van het betaalde bedrag in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke op grond van het gemene recht.

Dit houdt in dat de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene de wettelijke vergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, van de aansprakelijke de betaling kan vorderen van het bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de daarop rustende lasten, tot beloop van de gemeenrechtelijke vergoeding die de getroffene had kunnen verkrijgen voor dezelfde schade. Die gemeenrechtelijke vergoeding mag alleen op basis van het brutoloon berekend worden indien de rechter vaststelt dat de lasten die erop zouden rusten, overeenstemmen met de lasten op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven.

2. De appelrechters oordelen dat:

- in de hypothese dat het slachtoffer rechtstreeks van de aansprakelijke vergoeding had gevorderd, met name een volledig brutoloon, het ook op deze vergoeding belastingen en lasten had dienen te betalen;

- het slachtoffer ook op de vergoedingen ontvangen van de arbeidsongevallenverzekeraar gelijkwaardige sociale en fiscale lasten betaalt.

3. Door op deze gronden aan de verweerster een vergoeding toe te kennen berekend op basis van het brutoloon, zonder vast te stellen dat de fiscale en sociale lasten op de gemeenrechtelijke vergoeding overeenstemmen met de lasten, niet op de arbeidsongevallenvergoeding, maar op het loon dat het slachtoffer ingevolge het ongeval heeft moeten derven, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

4. Het middel voert aan dat de appelrechters op de vergoeding voor de schade in de periode van 16 september 1999 tot 31 december 2009 vergoedende interest toekenden vanaf 6 december 2000 terwijl de verweerster slechts vergoedende interest vorderde vanaf 6 november 2004.

5. In "aanvullende en vervangende beroepsbesluiten" neergelegd op 19 september 2008, vorderde de verweerster vergoedende interest vanaf 6 november 2004 op de vergoeding blijvende arbeidsongeschiktheid voor het verleden en herleidde hierdoor haar vordering zoals voorheen gesteld in appelconclusie neergelegd op 18 april 2008, waarin zij op deze schade vergoedende interest vanaf 6 december 2000 had gevorderd.

6. Door op de vergoeding blijvende arbeidsongeschiktheid voor het verleden vergoedende interest toe te kennen vanaf 6 december 2000, kennen de appelrechters aan de verweerster een grotere vergoeding toe dan zij heeft gevorderd.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de verweerster tot vergoeding van de tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid, de vergoedende interest op de vergoeding blijvende arbeidsongeschiktheid voor het verleden en de kosten.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 21 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Arbeidsongevallenverzekeraar

  • Vordering tegen de aansprakelijke

  • Indeplaatsstelling