- Arrest van 21 februari 2011

21/02/2011 - C.09.0436.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Richtlijn 2005/29 onderscheidt zich door een bijzonder ruime materiële werkingsfeer die zich uitstrekt tot elke handelspraktijk die rechtsreeks verband houdt met de verkoopbevordering, de verkoop of de levering van een product aan consumenten; zoals blijkt uit punt 6 van de considerans van de richtlijn, zijn dus enkel nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die 'alleen' de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren, van de werkingsfeer van deze richtlijn uitgesloten (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0436.N

INNO nv, met zetel te 1000 Brussel, Nieuwstraat 111,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS (UNIZO) vzw, met kantoor te 1000 Brussel, Spastraat 8,

2. ORGANISATIE VOOR DE ZELFSTANDIGE MODEDETAIL-HANDEL (MODE UNIE) vzw, met zetel te 1000 Brussel, Spastraat 8,

3. COUTURE ALBERT bvba, met zetel te 1750 Sint-Kwintens-Lennik, Markt 3,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 mei 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 31 december 2010 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier* heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De feiten kunnen ingevolge het bestreden arrest worden weergegeven als volgt:

a. de eiseres exploiteert de winkelketen Inno, die 15 vestigingen telt in België, en die onder meer confectiemerken voor heren, dames en kinderen, lingerie, textielaccessoires en lederproducten aan consumenten verkoopt;

b. de eiseres heeft in 2005 de getrouwheidskaart "Advantage" op de markt gebracht, die haar klanten toelaat, op voorwaarde dat zij een bijdrage van 5 euro betalen, te genieten van een aantal punctuele of permanente promoties;

c. op 20 december 2007 ontvingen de Advantage klanten van de eiseres die tenminste twee aankopen hadden gedaan in de periode tussen september 2006 en 30 november 2007, een brief waarbij hen werd gemeld dat zij bij aankopen verricht in de periode van 26 december tot 31 december 2007 en op vertoon van het origineel van deze brief, recht hadden op een korting van hetzij 30 pct. voor de producten gemerkt met een geel etiket, hetzij 50 pct. voor de producten gemerkt met een blauw etiket;

d. de verweerders voeren aan dat de eiseres hiermee het verbod om prijsverminderingen aan te kondigen tijdens de sperperiode heeft overtreden en zijn op 12 februari 2008 overgegaan tot de dagvaarding van de eiseres voor de stakingsrechter teneinde deze handelspraktijk te doen verbieden.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1, 2-d, 3.1 en 5 van de EG-Richtlijn nr. 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. L 149, 11 juni 2005, 22), hierna de ‘Richtlijn oneerlijke handelspraktijken' genoemd;

- artikel 53, inzonderheid § 1, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, zoals vervangen door de wet van 5 november 1993 en gewijzigd bij de wet van 13 januari 1999, hierna "WHPC" genoemd.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep bevestigt de beslissing van de eerste rechter dat de door de verweersters bestreden actie van de eiseres een inbreuk vormt op artikel 53, WHPC en beslist op grond o.a. van de volgende overwegingen:

"22. (...)

Naar luid van artikel 1 van de richtlijn 2005/29 bestaat het doel van de richtlijn erin om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.

Verder bepaalt artikel 3.1 van de richtlijn dat zij van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, voor, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

In overweging 6 van de preambule van de richtlijn wordt uitdrukkelijk vermeld dat de richtlijn niet van toepassing of van invloed is op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren.

Daaraan voegt overweging 8 van de preambule nog toe dat er uiteraard andere handelspraktijken zijn waardoor weliswaar niet de consumenten maar wel concurrenten en zakelijke klanten worden benadeeld. Deze handelspraktijken blijven buiten het toepassingsgebied van de richtlijn.

Bijgevolg staat het vast dat de richtlijn 2005/29 enkel de eerlijkheid van handelspraktijken ten aanzien van de consument harmoniseert.

23. De wetgever streeft met de sperperiode een tweeledig doel na. Enerzijds moet de sperperiode de doorzichtigheid en juistheid van de prijzen die onmiddellijk voor en tijdens de soldenperiodes werden toegepast, verzekeren (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 1158/1, 2). Volgens de wetgever geeft het bestaan van de sperperiode aan de consument de mogelijkheid om de omvang van de prijsvermindering tijdens de koopjes ten aanzien van de referentieprijs te beoordelen en doet het een transparantie over de toegestane prijzen ontstaan, wat de bescherming van de consument ten goede komt (Grondwettelijk Hof, 2 maart 1995, www.arbitrage.be, rolnummer 703). Anderzijds beoogt het invoeren van de sperperiode de bescherming van de detailhandel, meer bepaald de kleinhandel. Door de sperperiode wordt getracht de gelijkheid in verkoopkansen tussen de handelaars te waarborgen en de vervalsing van de concurrentievoorwaarden te voorkomen (Gedr. St., Senaat, 1993-94, nr. 862-2, 5 en 6; Grondwettelijk Hof, 2 maart 1995, www.arbitrage.be, rolnummer 703).

Conform de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volstaat het echter niet dat de consumentenbescherming formeel wordt ingeroepen ter rechtvaardiging van een regel. Er moet worden nagegaan of de maatregel ook daadwerkelijk kan bijdragen tot de consumentenbescherming: de maatregel moet evenredig zijn aan het beoogde doel en dit doel moet niet door maatregelen kunnen worden bereikt die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren (...).

In het licht van deze rechtspraak overtuigt het motief van de consumentenbescherming niet ter verantwoording van het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode. Wat de juistheid en de transparantie van de prijzen betreft, worden er waarborgen ingebouwd door de artikelen 2, 3 en 94/12, WHPC. Wat de aankondigingen van prijsvermindering betreft, garandeert de regeling van artikel 43 WHPC dat de consument de nodige en correcte informatie krijgt op een transparante wijze. Rekening houdend met al deze maatregelen die reeds voorhanden zijn op het vlak van de prijsaanduiding en de aankondiging van prijsverminderingen, is het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode niet evenredig aan het ermee beoogde doel van consumentenbescherming.

De conclusie luidt dan ook dat het verbod niet kan worden gezien als een maatregel van consumentenbescherming. Het beoogt enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen. Zodoende valt het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29 (H. De Bauw, De impact van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken op de regeling van de verkooppromoties onder WHPC, DCCR, 2006, 3; J. Stuyck, De nieuwe richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Gevolgen voor de wet op de handelspraktijken, T.B.H., 2005, 901).

De vraag of dit verbod verenigbaar is met de richtlijn 2005/29 is bijgevolg niet aan de orde".

Grieven

Eerste onderdeel

Schending van de artikelen 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2009 in de gevoegde zaken C-261/07 en C-299/07, blijkt dat voor de toepasselijkheid van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken de rechter dient na te gaan of de betrokken praktijk een handelspraktijk is in de zin van artikel 2, sub d, van de Richtlijn, welke het Hof ook omschrijft als een marketingpraktijk die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering en afzet van producten van een onderneming aan een consument (zie randnrs. 48 en 50 e.v. van het arrest van het Hof van Justitie).

Artikel 2, d, van de richtlijn omschrijft dit begrip als volgt: een "handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten".

2. Te dezen heeft het hof (van beroep) in het bestreden arrest zelf vastgesteld dat de actie van de eiseres een aankondiging, minstens een suggestie van een prijsvermindering is (zie randnrs. 11-19). En zoals het zelf aangeeft op p. 8 bovenaan van het bestreden arrest wanneer het artikel 42, § 1, WHPC citeert, houdt een aankondiging van een prijsvermindering in dat het gaat om een "aankondiging van verminderingen van de verkoopprijs aan de consument, ...". M.a.w. om tot een inbreuk te besluiten op artikel 53 WHPC (hetgeen een regeling is van aankondigingen van prijsverminderingen, m.n. een inbreuk op het verbod van aankondiging van prijsverminderingen in de sperperiode), heeft het hof (van beroep) reeds, impliciet maar zeker, vastgesteld dat het gaat om een ‘handelspraktijk' van een onderneming (aankondiging of suggestie van prijsverminderingen) jegens de consument.

Besluit

Door nu op grond van de overwegingen dat "het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode niet evenredig (is) aan het ermee beoogde doel van consumentenbescherming", alsmede dat het verbod "enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars (beoogt) te regelen", te oordelen dat "het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29 (valt)" en dat "de vraag of dit verbod verenigbaar is met de richtlijn 2005/29, (...) bijgevolg niet aan de orde (is)", schendt het bestreden arrest de in het onderdeel ingeroepen bepalingen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, nu het hof (van beroep), na nochtans zelf te hebben vastgesteld dat de gewraakte actie van de eiseres een aankondiging is met een publiek karakter van een prijsvermindering aan de consument, op grond van voormelde overwegingen, niet wettig de toepassing van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken kan uitsluiten en aldus een niet naar recht verantwoorde invulling geeft aan het toepassingsgebied van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (schending van de artikelen 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Tweede onderdeel

Schending van de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC, 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

1. Artikel 1 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken bepaalt:

"Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren".

2. Artikel 2, d, van de richtlijn omschrijft dit begrip "handelspraktijk" als volgt: een "handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten".

3. Rechtsoverweging 6 van de Richtlijn luidt als volgt:

"Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren".

Conform hiermee bepaalt artikel 3.1 van de Richtlijn:

"Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product".

4. Om te verantwoorden dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken te dezen niet van toepassing is oordeelt het hof (van beroep) i.v.m. artikel 53 WHPC dat (a) "... moet worden nagegaan of de maatregel ook daadwerkelijk kan bijdragen tot de consumentenbescherming" en meer bepaald of hij al dan niet "evenredig" is met dit beoogde doel, en (b) de betrokken maatregel "enkel beoogt de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen", waaruit het vervolgens afleidt dat bedoeld "verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29 valt" en dat de vraag of dit verbod verenigbaar is met de richtlijn 2005/29 bijgevolg niet aan de orde is.

Het hof (van beroep) gaat dus voor de beantwoording van de vraag of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken van toepassing is op artikel 53 WHPC, enkel na: a) of deze wetsbepaling werkelijk bijdraagt tot consumentenbescherming en b) of zij al dan niet uitsluitend de "concurrentiële relaties tussen handelaars" regelt.

Deze redenering is echter in strijd met de ingeroepen bepalingen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken waaruit uitdrukkelijk volgt dat de Richtlijn van toepassing is op "oneerlijke handelspraktijken van een onderneming jegens een consument". Volgens de definitie in artikel 2-d van de Richtlijn van het begrip ‘handelspraktijk', volstaat het dat de wetgeving betrekking heeft op een handeling of praktijk jegens een consument.

Zodra dit laatste het geval is, is de vraag of de betrokken bepaling al dan niet "evenredig" is aan het beoogde doel van ‘consumentenbescherming' en of zij "enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars regelt" of niet, dus niet relevant voor de toepassing van de Richtlijn, in tegenstelling tot de enige pertinente vraag of de overtreding ervan al dan niet een oneerlijke handelspraktijk van een onderneming jegens een consument oplevert.

5. Welnu, te dezen heeft het hof (van beroep) in het bestreden arrest eerst al vastgesteld dat de actie van de eiseres een aankondiging, minstens een suggestie van een prijsvermindering is. En zoals het zelf aangeeft op p. 8 bovenaan van het bestreden arrest wanneer het artikel 42, § 1, WHPC citeert, houdt een aankondiging van een prijsvermindering in dat het gaat om een "aankondiging van verminderingen van de verkoopprijs aan de consument, ...". M.a.w. om tot een inbreuk te besluiten op artikel 53 WHPC (inbreuk op het verbod van aankondiging van prijsverminderingen in de sperperiode), heeft het Hof reeds vastgesteld dat het gaat om een (handels)praktijk van een onderneming (aankondiging of suggestie van prijsverminderingen) jegens de consument.

Het regelen van prijsverminderingen zoals in de artikelen 42-43 WHPC en a fortiori het totaal verbieden ervan in artikel 53 WHPC, zijn dan ook wettelijke normen die een ‘praktijk jegens consumenten' regelen.

6. Hieruit volgt dat het hof (van beroep), m.b.t. de verenigbaarheid van artikel 53 WHPC met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, niet wettig kon oordelen dat die Richtlijn niet van toepassing is louter omdat artikel 53 WHPC "niet evenredig (is) aan het ermee beoogde doel van consumentenbescherming" en "(enkel) beoogt de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen". (schending van de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC, 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Besluit

In zoverre het hof (van beroep) om de hierboven weergegeven redenen, oordeelt dat de "vraag of dit verbod (van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode) verenigbaar is met de richtlijn 2005/29 (...) bijgevolg niet aan de orde (is)", miskent het de regel dat de richtlijn van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten en niet op handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren, en schendt het aldus de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC, 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

Derde onderdeel

Schending van de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC en 1, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

1. Artikel 1 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken bepaalt dat het doel ervan is bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de harmonisering van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden.

Artikel 3.1 van de richtlijn bepaalt dat deze van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

Uit deze bepalingen blijkt dat één van de doelstellingen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken het tot stand brengen van een hoog niveau van consumentenbescherming is.

Artikel 53 WHPC bepaalt, inzonderheid in § 1, dat ‘aankondigingen van prijsverminderingen, evenals die welke een prijsvermindering suggereren, zoals bedoeld in artikel 42', verboden zijn gedurende de zogeheten sperperiodes ‘van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni', ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen, en zelfs vóór een sperperiode wanneer zij uitwerking hebben gedurende deze sperperiode.

2. Zoals bevestigd in het bestreden arrest onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding en een arrest van het Grondwettelijk Hof, had de wetgever met artikel 53 WHPC een dubbel doel voor ogen, m.n.: a) het verzekeren van de doorzichtigheid en juistheid van de prijzen die onmiddellijk voor en tijdens de soldenperiodes werden toegepast, en b) de consument de mogelijkheid bieden om de omvang van de prijsvermindering tijdens de koopjes ten aanzien van de referentieprijs te beoordelen en een transparantie over de toegestane prijzen te doen ontstaan wat "de bescherming van de consument ten goede komt".

3. De omstandigheid, vermeld in het arrest, m.n. dat er andere maatregelen zijn in de WHPC die deze consumentenbescherming ook waarborgen, meer bepaald in de artikelen 2, 3, 43 en 94/12, WHPC, neemt geenszins weg dat het in artikel 53 WHPC bedoelde verbod van aankondiging of suggesties van prijsverminderingen gedurende een sperperiode wel degelijk ook, en zelfs in de eerste plaats, de ‘consumentenbescherming' beoogt en uit dien hoofde dient getoetst aan de Richtlijn, ook al leidt het hof (van beroep) uit eerstgenoemde omstandigheid af - op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie die enkel betrekking heeft op de toepassing van krachtens artikel 30, EG Verdrag ongeoorloofde kwantitatieve invoerbeperkingen (terwijl het te dezen gaat om de toepassing van Richtlijn 2005/29) en dus enkel op grensoverschrijdende maatregelen (terwijl Richtlijn 2005/29 ook op niet-grensoverschrijdende maatregelen van toepassing is en bovendien een eigen toepassingsgebied heeft) - dat het motief van de consumentenbescherming "niet overtuigt" ter verantwoording van het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode, en dat artikel 53 niet "evenredig" is aan dat doel.

Besluit

Het arrest schendt dan ook de ingeroepen bepalingen, door niet wettig te oordelen dat "het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29" valt en artikel 53 WHPC niet aan de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken moet getoetst worden omdat het door artikel 53 WHPC beoogde doel van consumentenbescherming "niet overtuigt" of er "niet evenredig" aan is, en het verbod "niet kan worden gezien als een maatregel van consumentenbescherming", maar enkel beoogt "de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen".

Bijgevolg is het arrest in zoverre niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 53 WHPC en 1, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Ingebrekestelling

Tot slot wenst de eiseres er ook op te wijzen dat de Europese Commissie, naar aanleiding van een klacht van het VBO over de omzetting in België van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, de Belgische overheid in gebreke heeft gesteld wegens niet afdoende omzetting van deze richtlijn (persbericht van 20 april 2009; raadpl. www.vbo.be). De ingebrekestelling van de Commissie betreft ook de onverenigbaarheid van artikel 53 WHPC met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. De eiseres is zo vrij erop te wijzen dat het Hof hierover eventueel meer informatie kan verkrijgen bij de Europese Commissie, die daartoe conform haar verplichting tot samenwerking verplicht is (zie o.m. Arrest Zwartveld, arrest van 13 juli 1990, zaak C-2/88, Jurispr. 1990, 1-03365, in het bijzonder § 22 e.v. Dit arrest werd sindsdien herhaaldelijk bevestigd. Zie o.m.: arrest van 26 november 2002, zaak C-275/00, First en Franex, Jurispr. 2002,1-10943, § 49; Arrest van 28 februari 1991, Zaak C-234/89, Delimitis, Jurispr. 1991,1-935, § 53; Arrest van 11 juli 1996, Zaak C-39/94, SFEI, Jurispr. 1996,1-3547, § 50; Arrest van 4 maart 2004, Zaak C-344/01, Duitsland/ Commissie, Jurispr. 2004, 1-2081, § 79 e.v. ).

Prejudiciële vraag

Mocht het Hof niettemin van oordeel zijn dat de uitlegging van de Richtlijn niet duidelijk volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2009, dan verzoekt de eiseres het Hof, op grond van artikel 234, EG-Verdrag, hierover volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen:

"Moet de EG-Richtlijn nr. 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. L 149, 11 juni 2005, 22), en in het bijzonder de artikelen 1, 2-d, 3.1 en 5 ervan, aldus worden uitgelegd dat deze artikelen zich verzetten tegen een nationale wetgeving, zoals artikel 53, Wet handelspraktijken in België, die handelaars verbiedt om aankondigingen van prijsverminderingen aan consumenten te verrichten (behoudens voor levensmiddelen) tijdens de door de nationale wetgever gedefinieerde "sperperiodes", meer bepaald van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni, zijnde twee periodes van zes weken onmiddellijk voorafgaand aan de door de wet vastgelegde soldenperiodes"?

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweerders werpen op dat het middel niet ontvankelijk is doordat het nalaat de schending aan te voeren van de artikelen 10 en 249 EG-Verdrag en van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht op de nationale normen.

2. De grieven van de eiseres volgen uit de aangevoerde schending van de als geschonden vermelde artikelen van de richtlijn 2005/29 van het Europees Parlement en van de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad en niet uit een schending van de artikelen 10 en 249 EG-Verdrag, noch van enig algemeen rechtsbeginsel.

3. De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel moet worden verworpen.

Eerste onderdeel

4. Krachtens artikel 3.1. van voormelde richtlijn 2005/29, is deze richtlijn van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

5. Punt 6 van de considerans van richtlijn 2005/29 luidt als volgt: "(...) de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, (wordt) bij deze richtlijn geharmoniseerd. (...). Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren; met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel behouden de lidstaten de mogelijkheid dergelijke praktijken aan banden te leggen, overeenkomstig de communautaire wetgeving, indien zij zulks wensen. (...)".

6. Richtlijn 2005/29 onderscheidt zich door een bijzonder ruime materiële werkingsfeer, die zich uitstrekt tot elke handelspraktijk die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, de verkoop of de levering van een product aan consumenten. Zoals blijkt uit punt 6 van de considerans van de richtlijn, zijn dus enkel nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die ‘alleen' de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren, van de werkingsfeer van deze richtlijn uitgesloten (Hof van Justitie, 14 januari 2010, zaak C-304/08, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV/ Plus Warenhandelsgesellschaft mbH, r.o. 39).

7. De appelrechters oordelen dat het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode niet kan worden gezien als een maatregel van consumentenbescherming en enkel beoogt de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen, zodat bedoeld verbod buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2005/29 valt.

8. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een nationale maatregel onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt van zodra die maatregel betrekking heeft op een handelspraktijk jegens een consument, ook al beoogt de maatregel enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen, kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Krachtens artikel 3.1. van voormelde richtlijn 2005/29, is deze richtlijn van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

Krachtens artikel 5.2 van de richtlijn is een handelspraktijk oneerlijk wanneer zij:

a) in strijd is met de vereisten van professionele toewijding;

en

b) het economisch gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

Krachtens artikel 5.4. van de richtlijn, zijn meer in het bijzonder handelspraktijken oneerlijk die:

a) misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7;

b) agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.

Krachtens artikel 5.5. van de richtlijn, bevat bijlage I de lijst van de handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle Lid-Staten en mag alleen worden aangepast door wijzigingen van deze richtlijn.

10. Uit deze bepalingen en de onder randnummer 5 aangehaalde considerans nummer 6, volgt dat enkel de handelspraktijken geviseerd in artikel 5 van de richtlijn als jegens de consument oneerlijke handelspraktijken te beschouwen zijn. Handelspraktijken ten aanzien van de consument, die enkel de economische belangen van concurrenten schaden, zijn daarentegen niet te beschouwen als oneerlijke handelspraktijken jegens de consument in de zin van de richtlijn.

11. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

12. Krachtens artikel 53, § 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, zoals te dezen van toepassing, is het, gedurende de sperperiodes van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni en voor de sectoren zoals vermeld in artikel 52, § 1, verboden aankondigingen van prijsverminderingen, evenals die welke een prijsvermindering suggereren, zoals bedoeld in artikel 42, te verrichten, ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen.

Krachtens het derde lid van voormeld artikel 53, § 1, is het, vóór een sperperiode verboden om aankondigingen evenals suggesties van prijsverminderingen te verrichten, die uitwerking hebben gedurende deze sperperiode.

13. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ter verantwoording van deze maatregel een dubbele doel vooropstelde, enerzijds, de consument te beschermen en in te lichten door de doorzichtigheid en juistheid te verzekeren van de prijzen zoals die onmiddellijk vóór en tijdens de opruimingsperiodes worden toegepast, en, anderzijds, de gelijkheid in de verkoopkansen te waarborgen, evenals het voortbestaan van de kleine handelaars veilig te stellen, door het vrijwaren van gezonde concurrentievoorwaarden tussen de onderscheiden soorten van verkopers.

14. Artikel 2 van de voormelde wet van 14 juli 1991, zoals te dezen van toepassing, bepaalt:

"§ 1. Behalve bij openbare verkopen, moet elke verkoper die aan de consument produkten te koop aanbiedt, de prijs hiervan schriftelijk en ondubbelzinnig aanduiden. Indien de produkten te koop uitgestald zijn, moet de prijs bovendien leesbaar en goed zichtbaar zijn aangeduid.

§ 2. Elke verkoper die aan de consument diensten aanbiedt, moet het tarief hiervan schriftelijk, leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig aanduiden."

Artikel 3 van dezelfde wet bepaalt:

"De aangeduide prijs of het aangeduide tarief moet de door de consument te betalen totale prijs of het totale tarief zijn, waaronder is begrepen: de belasting over de toegevoegde waarde, alle overige taksen en de kosten van alle diensten die door de consument verplicht moeten worden bijbetaald."

Artikel 43 van die wet bepaalt:

"§ 1. Elke verkoper die een prijsvermindering aankondigt, moet verwijzen naar de prijs die hij voordien voor gelijke produkten of diensten placht toe te passen in dezelfde inrichting.

§ 2. De aangekondigde prijsvermindering moeten reëel zijn. Behalve voor de produkten waarvan de waarde snel kan verminderen, kan geen enkele prijs noch tarief als gebruikelijk worden beschouwd indien hij niet werd toegepast gedurende een doorlopende periode van één maand, onmiddellijk voorafgaand aan de datum vanaf welke de verminderde prijs wordt toegepast.

De datum vanaf welke de verminderde prijs wordt toegepast, moet aangeduid blijven gedurende de ganse verkoopperiode.

Behalve voor de uitverkopen mag deze periode ten hoogste één maand bedragen en, behalve voor de produkten bedoeld in artikel 41, § 1, c), mag zij niet korter zijn dan een volle verkoopdag.

§ 3. Voor de produkten te koop aangeboden op de wijze bepaald in artikel 49, wordt als gebruikelijk beschouwd, de prijs die tijdens de in artikel 53 bedoelde periodes op ononderbroken wijze werd toegepast.

§ 4. Onverminderd de bepalingen (vervat in artikel 94/1) mag de verkoper slechts naar andere prijzen verwijzen indien hij het leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig aankondigt en indien het gaat om een kleinhandelsprijs die werd gereglementeerd met toepassing van een wet. In dat geval mag hij niet overgaan tot de aanduidingswijzen van een prijsvermindering bedoeld in artikel 5.

§ 5. Niemand mag tot de aankondiging van een prijsvermindering of van een prijsvergelijking overgaan, indien hij niet kan staven dat de prijs waarnaar hij verwijst, beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in dit artikel."

Artikel 94/12 van die wet bepaalt:

"§ 1. Elke reclame die gewag maakt van een prijs of een prijsvermindering, moet die aanduiden overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 3 en 4, en in voorkomend geval van artikel 5 alsmede van de met toepassing van artikel 6, 1 vastgestelde bepalingen.

§ 2. Elke reclame betreffende voorverpakte producten in vooraf bepaalde hoeveelheden moet de nominale hoeveelheden van de inhoud van de verpakking vermelden, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk II, wanneer de reclame de verkoopprijs van deze producten vermeldt."

15. Uit de aard van de maatregel, waarvan sprake in r.o. 12 en r.o. 13, volgt evenwel dat die maatregel er in werkelijkheid toe strekt de concurrentiële relaties tussen de handelaars te regelen, terwijl dezelfde maatregel, gelet op de door de artikelen 2, 3, 43 en 94/12 van voormelde wet van 14 juli 1991 reeds geboden garanties, niet effectief bijdraagt tot de door de wetgever mede vooropgestelde bescherming van de consument.

16. De vraag rijst of voormelde richtlijn 2005/29, die op communautair niveau een volledige harmonisatie van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten tot stand brengt en, zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 4 van de richtlijn, de Lid-Staten niet toelaat strengere maatregelen vast te stellen dan die welke in de richtlijn zijn neergelegd, ook niet om een hoger niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (Hof van Justitie, 14 januari 2010, zaak C-304/08, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV/ Plus Warenhandelsgesellschaft mbH, r.o. 41), inzonderheid de artikelen 1, 2-d, 3.1. en 5 van die richtlijn, zich in deze omstandigheden tegen bedoelde nationale maatregel verzet.

17. Die vraag kan slechts worden opgelost door uitlegging van de hiervoor aangehaalde artikelen van voormelde richtlijn 2005/29.

18. Het Hof dient aldus, alvorens uitspraak te doen, overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen met het oog op de uitlegging van bovengenoemde artikelen.

Dictum

Het Hof,

Stelt de uitspraak uit tot het Hof van Justitie van de Europese Unie zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag:

"Moet de richtlijn 2005/29 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. L 149, 11 juni 2005, 22) en in het bijzonder de artikelen 1, 2-d, 3.1. en 5 ervan, aldus worden uitgelegd dat deze artikelen zich verzetten tegen een nationale wetgeving, zoals artikel 53, § 1, eerste en derde lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, die, voor de sectoren vermeld in artikel 52, § 1, van die wet, handelaars verbiedt om, gedurende de sperperiodes van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni en ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen, aankondigingen van prijsverminderingen te verrichten, evenals aankondigingen die een prijsvermindering suggereren, zoals bedoeld in artikel 42 van die wet, alsmede vóór een sperperiode aankondigingen evenals suggesties van prijsverminderingen te verrichten, die uitwerking hebben gedurende deze sperperiode, ook zo de bedoelde maatregel, ondanks de door de nationale wetgever aangevoerde dubbele doelstelling, te weten, enerzijds, de belangen van de consumenten te beschermen en, anderzijds, de concurrentiële relaties tussen de handelaars te regelen, er in werkelijkheid toe strekt de concurrentiële relaties tussen de handelaars te regelen en, gelet op de overige garanties door de wet geboden, niet effectief bijdraagt tot de consumentenbescherming?".

Houdt de kosten aan.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 21 februari 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

* Met opdracht André Van Ingelgem

Vrije woorden

  • Richtlijn 2005/29

  • Oneerlijke handelspraktijken