- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - C.08.0281.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 1274, Ger. W., zoals het is gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, alsook artikel 42, §2, van die wet, krachtens hetwelk de vroegere artikelen 229, 231 en 232 B.W. van toepassing blijven op de procedures tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken, en voormeld artikel 42, §6, voeren geen discriminatie in tussen de echtgenoot die ten gronde verweerder is, die over een termijn van een maand beschikt om cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing die de echtscheiding tegen hem uitspreekt, en de echtgenoot-eiser, die over een gemeenrechtelijke termijn van drie maanden beschikt om cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing die weigert om de echtscheiding tegen de andere echtgenoot uit te spreken (1). (1) Art. 1274 Ger. W., zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 2007.

Arrest - Integrale tekst

A.R. C.08.0281.F

R. I.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

B. G.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 februari 2008 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Het Hof heeft de uitspraak, bij arrest van 23 oktober 2009, aangehouden tot het Grondwettelijk Hof geantwoord had op de in het dictum van dat arrest gestelde vraag.

Het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord bij het arrest nr. 100/2010 van 16 september 2010.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Het door de verweerder tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is laattijdig:

Het bestreden arrest, dat uitspraak doet over de hogere beroepen die de eiseres heeft ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van 20 juni 2007, dat verweerders hoofdvordering tot echtscheiding gegrond verklaart en de door de eiseres ingestelde tegenvordering tot echtscheiding ongegrond verklaart, en tegen het vonnis van 31 oktober 2007, dat het verzet van de eiseres tegen laatstgenoemde beslissing onontvankelijk verklaart, voegt de zaken wegens samenhang, bevestigt vervolgens dat tweede vonnis en spreekt, na vernietiging van het eerste vonnis, de echtscheiding tegen beide echtgenoten uit.

Krachtens artikel 1274 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 28 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, dat in werking is getreden op 1 september 2007 en voor de wijziging bij artikel 6 van de wet van 2 juni 2010 tot wijziging van sommige bepalingen Burgerlijk Wetboek en Gerechtelijk Wetboek, wordt de termijn om zich in cassatie te voorzien tegen een beslissing die de echtscheiding uitspreekt, vastgesteld op één maand.

Overeenkomstig artikel 42, § 6, van de voornoemde wet van 27 april 2007, is die bepaling te dezen van toepassing, daar het bestreden arrest is uitgesproken op 26 februari 2008.

De eiseres heeft op 23 juni 2008 cassatieberoep ingesteld tegen dat arrest, dat haar is betekend op 21 maart 2008, d.w.z. buiten de in artikel 1274 bepaalde termijn.

Alvorens uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, heeft het Hof, bij arrest van 23 oktober 2009, het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld teneinde te weten of artikel 1274 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, en de artikelen 42, §2, en 42, § 6, van die wet, als zij aldus worden uitgelegd dat zij de echtgenoot die ten gronde verweerder is, een termijn van een maand opleggen om cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing die de echtscheiding tegen hem uitspreekt, terwijl de echtgenoot die ten gronde eiser is, over een gemeenrechtelijke termijn van drie maanden beschikt om cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing die weigert om de echtscheiding tegen de andere echtgenoot uit te spreken, een discriminatie tussen deze twee categorieën rechtzoekenden invoeren en zodoende de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, afzonderlijk dan wel samen beschouwd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol bij dat verdrag.

Het Grondwetttelijk Hof heeft op die vraag, bij arrest nr. 100/2010 van 16 september 2010, negatief geantwoord.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Alain Simon, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Hoofdvordering tot echtscheiding gegrond

  • Tegenvordering tot echtscheiding niet gegrond

  • Hoger beroep

  • Echtscheiding uitgesproken tegen beide echtgenoten

  • Cassatieberoep

  • Termijnen voor cassatieberoep

  • Cassatieberoep van de echtgenoot die verweerder is ten gronde tegen de beslissing die de echtscheiding tegen hem uitspreekt

  • Cassatieberoep van de echtgenoot-eiser tegen de beslissing die weigert de echtscheiding tegen de andere echtgenoot uit te spreken

  • Verschillende termijnen voor cassatieberoep

  • Grondwettelijkheid