- Arrest van 3 maart 2011

03/03/2011 - F.10.0039.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard is overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is een administratieve rechtshandeling en geen proceshandeling waarop de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn (1). (1) Zie concl. O.M., Pas., 2011, AR F.10.0039.F. Het Hof heeft dezelfde dag een ander arrest (AR F.08.0082.F) gewezen waarin bevestigd wordt dat het dwangbevel een administratieve rechtshandeling is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0039.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

DUPONT MARTINE, bvba,

Mr. Olivier D'Aout, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 december 2009 gewezen door het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

...

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 85, § 1 en 2, en 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

- de artikelen 2, 860, 861, 862 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser niet gegrond, bevestigt het beroepen vonnis dat het op 17 augustus 2006 geviseerde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel dat tegen de verweerster gericht was nietig verklaard had en veroordeelt de eiser in de kosten van het hoger beroep. Het beslist aldus op de volgende gronden:

"Tevergeefs voert (de eiser) aan dat het dwangbevel niet nietig kan worden verklaard op grond dat de onregelmatigheid de belangen van de belastingschuldige niet heeft geschaad (schending van de artikelen 2, 860 , 861 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek); het dwangbevel is geen proceshandeling in de zin van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek, dat is een handeling die in het kader van een proces of onder toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter is verricht (Cass., 28 april 1988, 1987-88, nr. 527), maar een bestuurshandeling waarop de regels van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn; de belastingadministratie leert trouwens onder het nummer 632 van haar uitstekende BTW-handboek dat is bijgewerkt tot 1 oktober 2007, terecht het volgende:

‘Het dwangbevel is een buitengerechtelijke akte (...) die dient als uitvoerbare titel voor de invordering van openbare gelden en waarbij de bevoegde ambtenaar het bedrag van de schuld, de oorzaak ervan en de belastingschuldige vaststelt. Het dwangbevel maakt de gedwongen tenuitvoerlegging van de schuldvordering van de administratie mogelijk. Het laat eveneens toe maatregelen te nemen die strekken tot het waarborgen of het verzekeren van de invordering (bewarende maatregelen, hypothecaire inschrijving, etc.).

Het dwangbevel uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar, vormt eveneens een authentieke titel'.

In strijd met wat (de eiser) betoogt kan niet als regel worden aangenomen dat de leer van de nietigheden in het Gerechtelijk Wetboek te dezen moet worden toegepast op grond dat artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde geen enkele bepaling bevat over de nietigheid van het dwangbevel, zelfs niet als het dwangbevel geviseerd is door een ambtenaar die daartoe aangewezen is maar zijn bevoegdheid te buiten gegaan is; inzake belasting over de toegevoegde waarde is het dwangbevel niet alleen een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane betaling, maar ook een akte die geldt als uitvoerbare titel noodzakelijk ter invordering van de belastingschuld (Cass. 9 maart 2006, AR. C.04.0284.N), zonder dat het kan worden aangemerkt als een proceshandeling in de zin van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek.

De omstandigheid dat de aangeklaagde onregelmatigheid niet heeft belet dat de belastingschuldige kennis kreeg van de aanspraken van de belastingambtenaar en dat zij geen afbreuk gedaan heeft aan zijn recht om tegen het dwangbevel verzet aan te tekenen heeft geen invloed op de beoordeling van de geldigheid en de uitvoerbare kracht van het dwangbevel; de eerste rechter diende de vordering tot nietigverklaring van het dwangbevel evenmin niet gegrond te verklaren op grond dat de betekening ervan en het bevel tot betaling het doel hadden bereikt dat de wetgever ermee op het oog had.

In strijd met wat (de eiser) aanvoert, (...) heeft de eerste rechter niet vastgesteld (...); het beroepen vonnis (formuleerde enkel een grief) in verband met omvang van de bevoegdheden (van de ambtenaar), met name in verband met zijn bevoegdheid om, op grond van de uitdrukkelijke akte van bevoegdheidsoverdracht vervat in de dienstnota nr. 24 (...) te handelen als agent, bekleed met een gedeelte van de openbare macht (imperium); om de nietigverklaring van het dwangbevel regelmatig met redenen te omkleden diende het beroepen vonnis niet vooraf vast te stellen dat de belastingschuldige er belang bij heeft of moet hebben om zich op de aangevoerde onwettigheid te beroepen omdat hij hierdoor schade geleden heeft; zelfs als de overdracht van bevoegdheid geschiedt in het belang van de Schatkist en met het gewettigde doel de efficiënte werking van de openbare dienst te verzekeren door de overdracht van bepaalde bevoegdheden, moet immers toch worden vastgesteld dat de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Bergen elke mogelijkheid tot overdracht van zijn bevoegdheden om de dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren uitgesloten heeft in geval van regularisatie voor een bedrag van meer dan 3.000 euro; voor die bijzonder gewichtige bestuurshandeling wou hij zichzelf de uitoefening van die essentieel geachte bevoegdheid voor te behouden; ook de belastingschuldige heeft er dus belang bij dat die bevoegdheid bij die hoge ambtenaar zelf blijft zonder mogelijkheid van overdracht; de burger bezit aldus de waarborg dat de belangrijkste bestuurshandelingen verricht worden door die hoge ambtenaar zelf aan wie die bevoegdheid in de eerste plaats toekomt, wat een bescherming vormt tegen willekeur en machtsoverschrijding.

De eerste rechter heeft de regels inzake de bewijslast in burgerlijke zaken niet miskend: aangezien de belastingadministratie in de tekst zelf van het dwangbevel en tijdens de behandeling van het belastinggeschil aanvoert dat de gewestelijk directeur zijn bevoegdheid overgedragen heeft, staat het aan diezelfde administratie om in geval van betwisting een regelmatige akte van overdracht of elk ander gegeven waaruit het bestaan en de omvang van die overdracht blijkt over te leggen. Die verplichting is zij wel degelijk nagekomen".

Grieven

Artikel 85, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt: "bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de Administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".

Vooral § 2 van die bepaling, inzonderheid 3°, bepaalt dat die kennisgeving "de belastingschuldige in staat stelt verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 89". Laatstgenoemd artikel bepaalt dat "onder voorbehoud van wat bepaald is in de artikelen 85, §§ 1 en 2, en 85bis, de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het vijfde deel, titel III, van het Gerechtelijk Wetboek inzake gedwongen tenuitvoerlegging".

Eerste onderdeel

Indien het arrest aldus moet worden uitgelegd dat het besliste dat het litigieuze dwangbevel nietig is wegens een vormgebrek omdat eruit niet blijkt dat de ambtenaar die het ondertekend heeft, daartoe de nodige bevoegdheid heeft gekregen, schendt het de artikelen 2, 860, 861, 862 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek.

Inzake belasting over de toegevoegde waarde vormt het dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard is overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde immers de inleidende proceshandeling die, enerzijds, de administratie in staat stelt de belastingen, geldboeten, interesten en kosten in te vorderen die de belastingschuldige naar haar oordeel verschuldigd is en die, anderzijds, aan hem en aan hem alleen het recht geeft om tegen die vorderingen verzet aan te tekenen; het is dus ontegensprekelijk een proceshandeling die, bij ontstentenis van bijzondere regels in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of in enige andere wet, krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, geheel onderworpen is aan de in de artikelen 860 en volgende van dat wetboek gestelde regels; het dwangbevel kan dus enkel nietig verklaard worden indien 1° de wet de nietigheid ervan uitdrukkelijk heeft bevolen (artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek), 2° het aangeklaagde verzuim de belangen schaadt van de belastingschuldige en hem een werkelijke en geen theoretische schade berokkent, wat hij dient aan te tonen (artikel 861), en 3° het dwangbevel, ongeacht de eventuele grond tot nietigheid ervan, ondanks het aangeklaagde gebrek, het doel niet heeft bereikt dat de wetgever op het oog had, namelijk de belastingschuldige op de hoogte te brengen van de vorderingen van de belastingambtenaar en hem in staat te stellen daartegen daadwerkelijk verzet aan te tekenen.

Noch volgens artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde noch volgens enige andere bepaling van de wet is het dwangbevel evenwel nietig als het geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een ambtenaar die daartoe aangewezen is maar zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Het arrest verklaart overigens niet dat het dwangbevel, de betekening ervan en het bevel het doel niet hebben bereikt dat de wet ermee op het oog had en dat de verweerster hierdoor haar recht om verzet aan te tekenen niet met volle kennis van zaken heeft kunnen uitoefenen en dat haar belangen hierdoor daadwerkelijk waren geschaad zodat zij schade geleden heeft.

Het arrest dat alleen stelt dat het dwangbevel geen proceshandeling maar een buitengerechtelijke bestuurshandeling is waarop het Gerechtelijk Wetboek en de erin vervatte leer van de nietigheden niet van toepassing zijn en dat beslist dat, gelet op het belang en de bijzondere kenmerken van die handeling, die de taxatietitel tot stand brengt waarin bij niet-spontane betaling de belastingschuld geconcretiseerd wordt en die tevens geldt als de uitvoerbare titel, nodig voor de invordering van de belastingschuld, "de omstandigheid dat de aangeklaagde onregelmatigheid niet heeft belet dat de belastingschuldige kennis kreeg van de aanspraken van de belastingambtenaar en dat zij geen afbreuk gedaan heeft aan zijn recht om tegen het dwangbevel verzet aan te tekenen, geen invloed heeft op de beoordeling van de geldigheid en de uitvoerbare kracht van het dwangbevel" en dat "de eerste rechter de vordering tot nietigverklaring van het dwangbevel evenmin niet gegrond diende te verklaren omdat de betekening ervan en het bevel tot betaling toch het doel hadden bereikt dat de wetgever op het oog had", schendt de artikelen 85, § 1, en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde alsook de artikelen 2, 860, 861, 862 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Een dergelijke nietigheid kan hoe dan ook zowel op grond van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek als op grond van de regels die in het administratief recht de nietigheid van de akten regelen, alleen dan worden uitgesproken als zij uitdrukkelijk bij wet is bepaald, nadeel berokkent aan de geadresseerde van de akte en een zekere ernst vertoont.

Geen enkele wettekst, en zeker niet de artikelen 85, § 1, en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bepalen evenwel dat het dwangbevel nietig is als het geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door de ambtenaar aan wie een dergelijke bevoegdheid is overgedragen maar die de aan hem toegewezen bevoegdheid heeft overschreden.

Inzonderheid leidt in het administratief recht de miskenning van een rechtsvorm niet automatisch tot de nietigheid van de bedoelde akte omdat daartoe is vereist dat die rechtsvorm ofwel op straffe van nietigheid is voorgeschreven ofwel substantieel is, voorgeschreven is in het belang van de burger en niet in dat van de administratie, dat de miskenning een zeker belang vertoont en, behoudens uitzonderingen, hem niet theoretisch maar daadwerkelijk schade berokkent.

Geen enkele wettekst voorziet evenwel in de nietigheid van het dwangbevel dat uitgevaardigd is op grond van artikel 85, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Bovendien blijkt noch uit de vermeldingen van het arrest noch uit enig stuk waarop het Hof acht vermag te slaan dat het bedoelde gebrek de verweerster werkelijk heeft geschaad. Het theoretisch belang dat de belastingschuldige erbij zou hebben dat elk dwangbevel dat betrekking heeft op een regularisatie van meer dan 3.000 euro, geviseerd en ondertekend zou worden door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, is immers puur denkbeeldig. De miskenning ervan heeft, behoudens bewijs van het tegendeel waaromtrent niet wordt aangevoerd dat de verweerster [het] ook werkelijk heeft geleverd, voor haar geen concrete schade tot gevolg.

Daaruit volgt dat het arrest dat op de aangegeven gronden en met bevestiging van het beroepen vonnis, het tegen de verweerster uitgevaardigde dwangbevel nietig verklaart en elk gevolg eraan ontzegt, de artikelen 85, § 1, en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 2, 860, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek schendt.

III. BESLISSSING VAN HET HOF

Beoordeling

...

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard is overeenkomstig artikel 85 Btw-wetboek is een administratieve rechtshandeling.

Het onderdeel dat aanvoert dat het een proceshandeling is waarop de artikelen 860 en volgende Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Enerzijds zijn, om de in het antwoord op het eerste onderdeel uiteengezette redenen, de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing op het dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard is overeenkomstig artikel 85 Btw-wetboek.

Anderzijds en in strijd met wat het onderdeel aanvoert, vereist de nietigheid van een administratieve rechtshandeling die het gevolg is van de miskenning van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvorm niet dat de burger ten gevolge van die schending een welbepaalde schade geleden heeft.

Het onderdeel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Dwangbevel

  • Administratieve rechtshandeling