- Arrest van 8 maart 2011

08/03/2011 - P.10.0299.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van eerste advocaat-generaal De Swaef.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.0299.N

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie West-Vlaanderen, met kantoren te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,

eiser tot herstel,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M R H,

beklaagde,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 19 januari 2010, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 26 februari 2008.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, de artikelen 26, § 1, 3° en § 2, en 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 en de artikelen 4.2.14, § 2 en 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de appelrechters wijzen onterecht het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag af wegens eisers hoedanigheid van orgaan van de uitvoerende macht; de eiser vraagt dat de vraag toch aan het Grondwettelijk Hof zou worden gesteld.

2. In zijn appelconclusie wierp de eiser de discriminatoire voorkeursbehandeling van de verweerster op: daar haar overtreding dagtekent van vóór de eerste inwerkingtreding van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan, kan zij overeenkomstig artikel 4.2.14, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een beroep doen op een - nauwelijks weerlegbaar - vermoeden van vergunning, waardoor geen herstel kan worden gevorderd. De eiser vraagt dat hiernavolgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou worden gesteld:

"Schenden de artikelen 4.2.1, § 2, 5.1.3, § 2 en 7.6.2, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de mate waarin aan de overtreders die een inbreuk hebben gepleegd vóór de eerste inwerkingtreding van de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, bescherming wordt geboden tegen de uitwerking van deze voorschriften op het vlak van de regulariseerbaarheid van de wederrechtelijk tot stand gebrachte constructie via een (door de ernstige en arbitraire inperking van de mogelijkheden tot het leveren van tegenbewijs) in vele gevallen onweerlegbaar vermoeden van vergund zijn, terwijl eenzelfde bescherming nadrukkelijk wordt ontzegd aan overtreders die een inbreuk pleegden na de bedoelde inwerkingtreding, zelfs wanneer de wederrechtelijk opgerichte constructie bestaanbaar was met de op het ogenblik van het plegen van de inbreuk vigerende bestemmingsvoorschriften en eerst ingevolge een wijziging van deze voorschriften niet langer regulariseerbaar werd ?"

3. Hij die de miskenning van het gelijkheidbeginsel en het discriminatieverbod van de artikelen 10 en 11 Grondwet aanvoert, moet aantonen dat hijzelf in vergelijking tot anderen ongelijk wordt behandeld.

4. Uit de formulering van de vraag blijkt dat de eiser niet aanvoert dat hijzelf in vergelijking tot de overtreders ongelijk wordt behandeld, wel dat de ongelijke behandeling van de overtreders die een misdrijf pleegden na de eerste inwerkingtreding van de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan moet worden uitgebreid tot de overtreders die een misdrijf pleegden vóór deze eerste inwerkingtreding, zodat ook deze verder kunnen bestraft worden.

5. Dergelijke uitbreiding van de strafbaarstelling heeft geen uitstaans met de rechtsbescherming die de artikelen 10 en 11 Grondwet bieden aan diegene die door het overheidsoptreden willekeurig wordt behandeld.

6. Ook wanneer het Grondwettelijk Hof van oordeel zou zijn dat de aangevoerde verschillende behandeling een miskenning van het gelijkheidsbeginsel zou inhouden, kan deze prejudiciële beslissing niet bewerkstelligen dat de beklaagde die krachtens de bekritiseerde bepaling het vermoeden van vergunning kan aanvoeren, dat vermoeden niet meer zou kunnen genieten en dat hij bijgevolg aan het ten laste gelegde stedenbouwmisdrijf schuldig zou moeten worden verklaard.

7. Daar de eiser in zijn hoedanigheid van stedenbouwkundige inspecteur bij de voorgestelde prejudiciële vraag geen persoonlijk belang doet gelden en deze vraag niet kan bijdragen tot de oplossing van het geschil, hoeft zij niet te worden gesteld.

8. De appelrechters die oordelen dat de eiser geen beroep kan doen op een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel tussen burgers, ook niet als hoeder van de ruimtelijke ordening, teneinde de door hem geformuleerde vraag te stellen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motieven van het arrest met betrekking tot de herstelvordering, wat het hondenhok betreft, zijn tegenstrijdig met het dispositief.

10. In tegenstelling tot bepaalde andere onderdelen van de herstelvordering, verklaren de appelrechters in het beschikkend gedeelte van hun arrest, wat het hondenhok betreft, het herstel in de oorspronkelijke staat niet ongegrond. Waar zij in het motiverend gedeelte de gegrondheid van de herstelvordering wat betreft het hondenhok aanvaarden, berust het niet uitdrukkelijk bevelen van de afbraak van dit hondenhok in het beschikkend gedeelte klaarblijkelijk op een verschrijving die het Hof vermag vast te stellen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing.

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 410,17 euro, waarvan de eiser 46,07 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 8 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Aanvoering van miskenning van het discriminatieverbod