- Arrest van 11 maart 2011

11/03/2011 - F.10.0020.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die, in een geval waarin de voorwaarden om te facturen met toepassing van artikel 20 van het K.B. nr. 1 niet vervuld waren, vaststelt dat de belastingplichtige volledig te goeder trouw was, door haar medecontractant misleid werd aangaande haar hoedanigheid van B.T.W.-plichtige, zodat de belastingplichtige uiteindelijk slechts heeft gedaan wat zij dacht dat ze verplicht was te doen en de inbreuk dus louter formeel was, zonder enige intentie of opzet gepleegd, heeft op grond van die gegevens wettig kunnen oordelen dat de opgelegde administratieve geldboete onevenredig is met de gepleegde inbreuk en moest worden kwijtgescholden (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0020.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de e.a. inspecteur, ontvanger van het btw-ontvangkantoor te Gent 1, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6/107,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ALGEMENE ONDERNEMINGEN ROBERT WYCKAERT nv, met zetel te 9000 Gent, Ottergemsesteenweg 415,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 januari 2009.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Volgens artikel 70, § 1, eerste lid, Btw-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Volgens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Volgens artikel 1, eerste lid, sub 1, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermin-dering van de proportionele fiscale geldboeten voor overtredingen begaan na 31 oktober 1993 bepaald in tabel G van de bijlage bij dit besluit, ten aanzien van de overtredingen beoogd in artikel 70, § 1, Btw-wetboek.

Volgens rubriek IV van afdeling 1, van tabel G van het voornoemde koninklijk besluit bedraagt de geldboete wegens het ten onrechte toepassen van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling van de belasting over de toegevoegde waarde 20 pct. van de verschuldigde belasting.

2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Hij mag dus onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop reeds in gelijkaardige zaken is geoordeeld. Hij moet hierbij wel in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden is in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

3. De rechter beoordeelt onaantastbaar de feitelijke gegevens op grond waarvan hij oordeelt of de opgelegde sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

4. De appelrechters oordelen, zonder op dit punt te worden bekritiseerd, dat de opgelegde boete een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM.

Zij oordelen verder dat:

- de rechter aan wie gevraagd wordt een dergelijke sanctie te toetsen, de wettelijkheid ervan mag onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen;

- dit toetsingsrecht in het bijzonder de rechter moet toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang;

- de rechter daarbij meer bepaald acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij hierbij in acht moet nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was in verband met de sanctie;

- dit toetsingsrecht nochtans niet inhoudt dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen;

- de gebondenheid van het bestuur aan de sanctie nochtans niet belet dat het bestuur afwijkt van de door of krachtens de wet vastgelegde boetetarieven; de rechter moet precies nagaan of er gronden waren om van die boetetarieven af te wijken en moet die gronden vermelden;

- de voorwaarden om te factureren met toepassing van artikel 20 KB nr. 1 niet vervuld waren; strikt genomen er dus sprake is van verkeerde facturatie;

- ermee rekening moet gehouden worden dat de verweerster volledig te goeder trouw was; al in de aannemingsovereenkomst stond de vzw Backstage als btw-belastingplichtige vermeld;

- de verweerster bovendien de toepassing van artikel 20 KB nr. 1 heeft gemaakt op vraag van een andere mandante van de vzw Backstage, haar architect, terwijl de vzw Backstage nooit heeft ingeroepen - wat ze had moeten doen - dat haar btw-registratienummer sedert 1994 definitief doorgehaald was en dat ze geen periodieke aangiften meer moest indienen;

- tegen die achtergrond de verweerster uiteindelijk slechts heeft gedaan wat zij dacht dat ze verplicht was te doen;

- de inbreuk dus louter formeel is, maar zonder enige intentie of opzet gepleegd.

5. De appelrechters hebben op grond van die gegevens wettig kunnen oordelen dat de opgelegde administratieve geldboete onevenredig is met de gepleegde inbreuk en dat de boete moest worden kwijtgescholden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 11 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Belasting over de toegevoegde waarde

  • Administratieve sancties met repressief karakter

  • Wettelijkheid van de sanctie

  • Evenredigheid met de inbreuk

  • Toetsingsrecht van de rechter

  • Beoordelingscriteria

  • Pertinente elementen