- Arrest van 14 maart 2011

14/03/2011 - C.09.0422.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij het besluit van 2 juni 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap, sluit de inkomsten uit de uitoefening van een mandaat van schepen niet uit om te bepalen of een personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap een ambt in bijberoep heeft uitgeoefend (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0422.F

PENSIOENDIENST VOOR DE OVERHEIDSSECTOR,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D. J.

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. FRANSE GEMEENSCHAP.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 maart 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

De zaak is bij beschikking van 15 februari 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 80 van de wet van 20 juli houdende sociale en diverse bepalingen, ingevoegd bij de wet van 3 februari 2003 ;

- artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, vóór de wijziging ervan bij artikel 1 van het besluit van 2 juni 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap en bij artikel 1 van het besluit van 24 oktober 1996 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap;

- artikel 1 van het besluit van 2 juni 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot regeling van de geldelijke toestand van de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die een politiek mandaat uitoefenen, dat artikel 5, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 wijzigt;

- artikel 1 van het besluit van 24 oktober 1996 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van de geldelijke toestand van de leden van het onderwijzend personeel van de Franse Gemeenschap, dat artikel 5, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 wijzigt;

- artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 84 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond. Het arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt, verklaart de vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond, veroordeelt de eiser om de situatie van de verweerder, wat betreft het rustpensioen, te regulariseren door rekening te houden met de twintig loopbaanjaren gedurende welke hij zijn ambt binnen het onderwijs in hoofdberoep heeft uitgeoefend, te rekenen van 1 november 2004.

Het arrest wijst op het volgende:

"(De verweerder) vordert dat er bij de berekening van zijn rustpensioen als leerkracht rekening zou worden gehouden met de ‘twintig loopbaanjaren gedurende welke hij zijn ambt binnen het onderwijs als hoofdambt heeft uitgeoefend' (...). Zo blijkt uit die vordering, uit de uiteenzetting van de feiten en uit de bijkomende inlichtingen in de conclusie (van de verweerder) dat de te onderzoeken litigieuze periode loopt van 1 januari 1977 tot 1 januari 1997, te weten de periode die:

- ingaat op het ogenblik waarop (de verweerder) voor het eerst schepen van de stad Verviers is geworden;

- eindigt op het ogenblik waarop het besluit van 24 oktober 1996 van de Regering van de Franse Gemeenschap op hem wordt toegepast ; dat besluit is in werking getreden op 13 december 1996 en wijzigt de daarvóór toepasselijke regels ingrijpend".

Wat de toepasselijke reglementering betreft, wijst het arrest op het volgende :

"Het wordt niet betwist dat artikel 5, c), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, te dezen van toepassing is ;

Het wordt evenmin betwist dat artikel 5, c), zoals het bij het begin van de litigieuze periode van toepassing was, alleen bepaalde dat ‘voor de toepassing van dit besluit onder bijbetrekking wordt verstaan het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid: [...] c) dat, uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist, bruto-inkomsten heeft waarvan het bedrag hoger is dan dat van de brutobezoldiging, die het zou verkrijgen indien het zijn ambt als hoofdambt met volledige prestaties uitoefende';

De verweerster schrijft in haar samenvattende conclusie (...) dat die bepaling werd:

1. gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 december 1978;

2. vervangen en aangevuld bij artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982;

3. opnieuw opgenomen in artikel 44 van een wet van 1 augustus 1985, nadat voormeld artikel 4 door de Raad van State vernietigd werd in een arrest van 4 maart 1985 ;

4. aangevuld door artikel 1 van een besluit van 2 juni 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap, dat in werking is getreden op 2 juni 1995.

De wijziging van 1978 voegde daaraan toe dat, ‘voor de toepassing van de vorige leden geen rekening wordt gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van expertises in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed';

De vervanging van 1982, die opnieuw werd opgenomen in 1985, wijzigde de eindzin van voormeld punt c) en voegde daaraan toe: ‘Onder "andere bezigheid", vermeld onder c), wordt verstaan een andere bezigheid dan: 1° een zelfstandig beroep; 2° prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, waarvoor een bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt verleend';

In 1995 werd de bestaande bepaling vervolledigd door de toevoeging dat ‘voor de toepassing van de vorige leden geen rekening wordt gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van expertises in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed', ‘noch met de inkomsten uit de uitoefening van het ambt van burgemeester in een gemeente van ten hoogste 15.000 inwoners, van schepen of van voorzitter van een OCMW in een gemeente van ten hoogste 30.000 inwoners'.

Wat betreft de uitlegging die de administratie aan die bepaling heeft gegeven, vermeldt het arrest het volgende:

"Het eerste stuk dat de partijen hebben neergelegd, is een brief van 12 september 1986 van de Minister van Onderwijs aan de directeur-generaal van het kleuter- en lager onderwijs (...) waarin laatstgenoemde erop wijst dat zijn aandacht was gevestigd op de situatie van een zekere mijnheer F., van wie een bedrag van 683.937 frank teruggevorderd wordt, op grond dat hij sinds 1 januari 1983 een ambt in bijberoep uitoefende;

In die brief vermeldt die minister uitdrukkelijk het volgende: ‘Ik herinner u eraan dat de mandaten van burgemeester en schepen geen "andere bezigheid" zijn in de zin van artikel 5, c), van het koninklijk besluit van 15 april 1958', ‘die beslissing, die steeds is toegepast door alle weddediensten van het departement, werd door het Rekenhof nooit betwist en ik heb geenszins de bedoeling om ze te wijzigen', en hij vraagt die directeur om het aan de heer F. gerichte verzoek tot terugbetaling te vernietigen en de bepalingen van artikel 5, c) op de hierboven vermelde wijze te blijven toepassen;

Pas na die brief heeft het Rekenhof, nadat het had kunnen vaststellen dat de politieke mandatarissen die tegelijkertijd een ambt in het gesubsidieerd onderwijs uitoefenden, betaald werden overeenkomstig de bezoldigingsregeling voor ambten in hoofdberoep, op 6 mei 1987 beslist om een brief naar de minister te schrijven met de mededeling dat de bewuste bepalingen van artikel 5, c), ook van toepassing waren op politieke mandatarissen en met het verzoek om de nodige maatregelen te treffen opdat de tekst op een correcte manier op de betrokkenen zou worden toegepast (...);

Het Rekenhof verwees opnieuw naar deze brief in een nieuwe brief van 24 juni 1987 (...);

Nu al moet erop gewezen worden dat de beslissing van het Rekenhof, in de twee voormelde brieven, gegrond is op de tekst van artikel 5, c), zoals die op dat ogenblik van kracht was, met name met inachtneming van de wijziging van 1978 en de vervanging van 1982, die vernietigd werd maar in 1985 opnieuw werd opgenomen (...);

Op 14 juli 1989 neemt de Minister van Nationale Opvoeding weliswaar de uitlegging van het Rekenhof over en geeft hij richtlijnen voor de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen (...) waarop hij op 29 augustus 1989 een circulaire van het directoraat-generaal met dezelfde strekking uitvaardigt (...); niettemin zal dezelfde minister, wanneer hij hierover ondervraagd wordt, zijn standpunt herzien en in een brief van 14 september schrijft hij dat hij zijn diensten gevraagd heeft ‘artikel 5 c) niet meer toe te passen [...] op de mandaten van burgemeester en schepen';

Vermeldenswaard is wel dat de brief van 14 september 1989 gericht is aan J. R., eerste schepen van de stad Verviers, d.w.z. de stad waar (de verweerder) zijn ambt van schepen uitoefende, en dat die brief erop wijst dat zij 'gevolg geeft aan ons onderhoud van 2 september 1989';

Eén van de door (de verweerder) neergelegde stukken is een uittreksel uit de commentaar van het algemeen secretariaat van het katholiek onderwijs, waarin uitdrukkelijk vermeld wordt dat ‘krachtens een beslissing van de minister, de politieke mandatarissen (schepenen, burgemeesters ...) die tegelijkertijd een ambt in het onderwijs uitoefenen, niet onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 5, c)'. Tevens wordt erop gewezen dat die commentaar werd bijgewerkt op 1 januari 1993 (...);

(De verweerder) maakt daarenboven gewag van een uittreksel uit het verslag dat op 28 juli 1986 namens de Commissie voor de binnenlandse zaken, de algemene zaken en het openbaar ambt werd uitgebracht in het kader van een wetsontwerp tot invoering van het politiek verlof voor de personeelsleden van het openbaar ambt, dat verschillende beschouwingen bevat die voor dit geschil van belang zijn".

Wat betreft de uitlegging die gegeven moet worden aan de bewuste bepaling, zoals die op de litigieuze periode van toepassing is, vat het arrest eerst het standpunt van de partijen als volgt samen:

"(De eiser en de verweerster) scharen zich achter de uitlegging van het Rekenhof en zijn van mening dat, aangezien de litigieuze bepaling de mandaten van burgemeester en schepen niet uitdrukkelijk uitgesloten heeft, met die mandaten dus rekening moet worden gehouden om te bepalen of de functie van leerkracht in hoofdberoep dan wel in bijberoep werd uitgeoefend;

(De verweerder) betoogt dat die mandaten aanvankelijk niet beschouwd werden als ‘een andere bezigheid' in de zin van de bewuste bepaling; dat die uitlegging bekrachtigd werd door de later gevolgde handelwijze en dat die bepaling op grond van de wijzigingen uit 1996 in die zin moet worden uitgelegd",

Het arrest sluit zich aan bij het standpunt van de verweerder.

Het arrest motiveert zijn beslissing als volgt:

"Uit de brief van 12 september 1986 van de minister van Nationale Opvoeding en zelfs uit de bewoordingen van de brief van 6 mei 1987 van het Rekenhof blijkt voldoende dat de bewuste litigieuze bepaling vóór 1986 door alle administraties werd uitgelegd in de zin dat zij geen betrekking had op de mandaten van burgemeester en schepen;

Voor zijn uitlegging heeft het Rekenhof zich niet gebaseerd op de betrokken bepaling zoals zij bij het begin van de litigieuze periode van toepassing was op (de verweerder), maar op een reeds gewijzigde, aangevulde en vervangen versie van die bepaling (...);

De Minister van Nationale Opvoeding heeft zich op 14 juli 1989 weliswaar akkoord verklaard met de uitlegging van het Rekenhof, maar is al snel teruggekomen op zijn beslissing en heeft zijn diensten begin september 1989 dan ook gevraagd de circulaire die net was uitgevaardigd, met name op 28 augustus van dat jaar, op dat punt niet toe te passen;

Het standpunt dat die minister in september 1989 innam, werd opgenomen in de commentaren die achteraf naar de onderwijsinstellingen werden verstuurd;

Uit geen enkel, door [de eiser en de verweerster] neergelegd stuk, blijkt dat de minister of de administratie na september 1989, en tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling in 1996, opnieuw van mening zouden zijn veranderd en de uitlegging van het Rekenhof uit 1987 zouden hebben toegepast;

Hoewel er in de loop van het schooljaar 1995-1996 in theorie een nieuwe wijziging van de bewuste bepaling in werking is getreden, die voor het eerst uitdrukkelijk melding maakte van de mandaten van burgemeester en schepen, blijkt uit geen enkel gegeven van de zaak dat die bepaling ook daadwerkelijk werd toegepast; kort nadien, in 1996, werd de regeling overigens door verschillende wijzigingen volledig herzien;

De in 1996 ingevoerde regeling is geenszins zwart-wit, in de zin dat ze het personeelslid zou hebben verplicht van een ambt in hoofdberoep naar een ambt in bijberoep over te stappen, maar is een genuanceerde regeling met politiek verlof die heel wat minder ingrijpende gevolgen heeft voor de loopbaan van de betrokkene".

Het arrest voegt daaraan nog het volgende toe:

"Aangezien de litigieuze bepaling dagtekent van vóór de fusie van de gemeenten, valt het te begrijpen dat de mandaten van burgemeester en schepen niet beschouwd werden als een ‘andere bezigheid', temeer daar er op dat ogenblik talrijke kleine gemeenten bestonden waar het ambt van burgemeester en van schepen niet tot een aanzienlijke werklast leidden;

Toen het probleem van de inkomsten uit gerechtelijke opdrachten aan de orde kwam, werd de tekst aldus gewijzigd dat die inkomsten, voor de toepassing van de litigieuze bepaling, niet in aanmerking werden genomen;

Toen ook het probleem van de gemeentelijke mandaten voor leerkrachten aan de orde kwam, heeft ook de bevoegde minister, na overleg met zijn administratie, de bewuste bepaling willen wijzigen; zo heeft hij in zijn voormelde brief van 14 september 1989 gepreciseerd dat hij zinnens was een ontwerp van decreet in te dienen en dat hij de opdracht gaf de bewuste bepaling niet langer op de mandaten van burgemeester en schepen toe te passen 'tot die tekst was goedgekeurd (...) ;

De in 1989 aangekondigde wetswijzigingen zijn weliswaar pas in 1996 doorgevoerd; toch is die omstandigheid geen reden om iets te veranderen aan de uitlegging van de vroegere versies van de bewuste bepaling;

De vraag of het aanvaardbaar is om politieke mandaten en ambten voor vastbenoemde ambtenaren te cumuleren, rees pas halverwege de jaren 80 en bleek een moeilijke kwestie die slechts na lang aanslepen opgelost werd wegens de grote diversiteit aan statuten binnen het openbaar ambt".

Grieven

Artikel 80 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, ingevoegd bij de wet van 3 februari 2003, bepaalt het volgende:

"De vóór 1 januari 2003 in een bijambt verstrekte diensten in het vrij secundair onderwijs met volledig leerplan of in het vrij hoger niet-universitair onderwijs met volledig leerplan worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het in artikel 78 bedoelde pensioen. (...) Voor de toepassing van deze paragraaf worden als diensten verstrekt in een bijambt beschouwd, de diensten die op basis van het toepasselijk geldelijk statuut als bijambt worden bezoldigd".

Artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het openbaar onderwijs, zoals het gewijzigd werd bij het koninklijk besluit van 15 december 1978 en de wet van 1 augustus 1985, bepaalt wat volgt:

"Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder 'bijbetrekking', het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellngen wordt uitgeoefend door het personeelslid:

c) dat, uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist, bruto-inkomsten heeft waarvan het bedrag hoger is dan dat van de brutobezoldiging, die het zou verkrijgen indien het zijn ambt als hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, maar berekend op het minimum van de weddeschaal.

Onder 'andere bezigheid' wordt verstaan een andere bezigheid dan:

1° een zelfstandig beroep;

2° prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, waarvoor een bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt verleend.

Voor de toepassing van de vorige leden wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig onderzoek in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed".

Het derde lid van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 werd als volgt aangevuld bij artikel 1 van het besluit van 2 juni 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot regeling van de geldelijke toestand van de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die een politiek mandaat uitoefenen:

"Voor de toepassing van de vorige leden wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig onderzoek in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed, noch met de inkomsten uit de uitoefening van het ambt van burgemeester in een gemeente van ten hoogste 15.000 inwoners, van schepen of van voorzitter van een OCMW in een gemeente van ten hoogste 30.000 inwoners".

Het derde lid van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 werd als volgt gewijzigd bij artikel 1 van het besluit van 24 oktober 1996 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van de geldelijke toestand van de leden van het onderwijzend personeel van de Franse Gemeenschap, dat in werking is getreden op 13 december 1996:

"Voor de toepassing van de vorige leden wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig onderzoek in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed, noch met de inkomsten uit de uitoefening van het ambt van burgemeester, schepen, gemeenteraadslid, voorzitter of lid van een raad voor maatschappelijk welzijn en provincieraadslid".

De uitleggingswet en de uitgelegde wet vormen één geheel. Wanneer een uitleggingswet uitgevaardigd wordt, wordt de uitgelegde wet geacht altijd al de door de uitleggingswet gegeven betekenis te hebben gehad en moet de uitgelegde wet dus als zodanig worden toegepast door de hoven en rechtbanken. Een wet is van nature een uitleggingswet wanneer zij voor een onzeker of omstreden rechtspunt een oplossing vastlegt die ook door de rechter kon zijn aangenomen.

Artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 1978, sloot alleen de inkomsten uit deskundigenopdrachten uit bij het bepalen of het personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap een ambt in bijberoep of in hoofdberoep heeft uitgeoefend. Artikel 1 van het besluit van 2 juni 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot regeling van de geldelijke toestand van de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die een politiek mandaat uitoefenen, heeft die uitsluiting uitgebreid tot de inkomsten uit de uitoefening van het ambt van burgemeester in een gemeente van ten hoogste 15.000 inwoners, van schepen of van voorzitter van een OCMW in een gemeente van ten hoogste 30.000 inwoners. Artikel 1 van het besluit van 24 oktober 1996 van de Regering van de Franse Gemeenschap heeft de uitsluitingen vervolgens uitgebreid tot alle inkomsten uit de uitoefening van het ambt van burgemeester en schepen, ongeacht de omvang van de bevolking.

Een dergelijke uitbreiding van de uitsluitingen zou door de rechter nooit zijn aanvaard. Artikel 1 van het besluit van 24 oktober 1996 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van de geldelijke toestand van de leden van het onderwijzend personeel van de Franse Gemeenschap is bijgevolg geen uitleggingsbepaling en heeft geen terugwerkende kracht.

Aanvankelijk hield artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 wel rekening met de inkomsten uit de uitoefening van het ambt van burgemeester en schepen om te bepalen of het personeelslid een ambt in bijberoep dan wel in hoofdberoep had uitgeoefend. Die inkomsten werden pas volledig uitgesloten vanaf de inwerkingtreding van artikel 1 van het besluit van 24 oktober 1996 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van de geldelijke toestand van de leden van het onderwijzend personeel van de Franse Gemeenschap, dus vanaf 13 december 1996.

Het arrest heeft dus niet wettig kunnen beslissen dat artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals het van toepassing was bij het begin van het litigieuze tijdvak, dat liep van 1 januari 1977 tot 1 januari 1997, aldus moet worden uitgelegd dat het geen rekening houdt met alle inkomsten uit de uitoefening van politieke mandaten om te bepalen of het personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap een ambt in bijberoep dan wel in hoofdberoep heeft uitgeoefend (schending van alle, in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De door de verweerder tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is zonder belang:

Het arrest is alleen gegrond op de ministeriële beslissingen waarnaar het verwijst, in zoverre dat arrest daaruit de door hem gegeven uitlegging afleidt van artikel 5, eerste lid, c), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigings-regeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

Het middel verwijt het arrest niet dat het een besluit of een verordening toepast die niet conform de wet zijn, maar oefent kritiek uit op de uitlegging die het geeft van artikel 5, eerste lid, c), van het koninklijk besluit van 15 april 1958.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Krachtens artikel 5, eerste lid, c), van het koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals het op de feiten van toepassing is, wordt onder ‘bijbetrekking' het ambt verstaan met al dan niet volledige prestaties, dat aan een of meer bij die bezoldigingsregeling beoogde scholen of instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat wegens elke andere bezigheid bruto-inkomsten heeft waarvan het bedrag hoger is dan dat van de brutobezoldiging, die het zou verkrijgen indien het zijn ambt als hoofdambt uitoefende ; onder ‘andere bezigheid' wordt verstaan een andere bezigheid dan een zelfstandig beroep of prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, waarvoor een bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt verleend. Volgens artikel 5, derde lid, zoals het op de feiten van toepassing is, wordt er voor de toepassing van de vorige leden geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van expertises in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed.

Om te bepalen of het personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap een ambt in bijberoep heeft uitgeoefend, sluit voormeld artikel 5, eerste lid, c), de inkomsten uit de uitoefening van een mandaat van schepen niet uit.

Het arrest, dat beslist dat de verweerder in het onderwijs een ambt in hoofdberoep heeft uitgeoefend, op grond dat het mandaat van schepen niet als een andere bezigheid werd beschouwd, schendt voormeld artikel 5, eerste lid, c), van het koninklijk besluit van 15 april 1958.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Schepen

  • Inkomsten

  • Gevolg

  • Onderwijs

  • Onderwijzend personeel

  • Geldelijk statuut

  • Ambt