- Arrest van 14 maart 2011

14/03/2011 - S.09.0099.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Inzake arbeidsongevallen in de overheidssector moet de jaarlijkse bezoldiging op grond waarvan de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid berekend wordt, wanneer zij is aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, gedeeld worden door de coëfficiënt die de rang van de laatste spilindex vóór het ongeval vertegenwoordigt(1) (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... . 1 Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.09.0099.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. P.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 5 november 2007 gewezen door het arbeidshof te Luik, afdeling Namen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 4, § 1, en 13 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals zij van kracht waren vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 28 juni 1990 ;

- de artikelen 13, 14 en 19 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, zoals zij van kracht waren vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 28 juni 1990 ;

- de artikelen 1, § 1, 2, 3, 4 en 6 van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, zoals die wet van toepassing was op 14 juli 1985 ;

- ministeriële circulaire nr. 238 van 9 november 1983 en de bijlage ervan, houdende de regeling van de overgang van beperkte indexkoppeling naar normale indexkoppeling in de overheidssector.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt "de eiser om aan de verweerster de rente te betalen die bepaald is in artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967, geïndexeerd overeenkomstig artikel 13 van die wet en artikel 19 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, op grond van een jaarlijkse maximumbezoldiging van 7.436,81 euro en een graad van blijvende ongeschiktheid van 4 pct." en veroordeelt hem in de kosten van de twee instanties om de volgende redenen:

"Artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 [...] bepaalt dat ‘de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld', dat wanneer ‘de jaarlijkse bezoldiging 21.047,40 euro overschrijdt', - een bedrag dat op 21.257,87 euro wordt gebracht door artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 2003 -, ‘zij slechts tot dat bedrag in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de rente', en dat ‘het bedrag van dit plafond dit is dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont'",

"De partijen erkennen dat dit plafond op de datum van consolidatie die te dezen in aanmerking moet worden genomen, namelijk 4 juli 1985, gelijk was aan 7.436,81 euro",

"Het dossier van [de verweerster] bevat dossiers die haar door de eiser zijn medegedeeld en op grond waarvan het bedrag van haar jaarloon kan worden vastgesteld, na aanpassing van dat bedrag aan de algemene indexcijfer van de consumptieprijzen, met name (376.712 + 35.002) 411.714 frank of 10.206,12 euro ;

[...] Artikel 19 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 herinnert aan het beginsel van de koppeling van de in artikel 13 van de wet van 13 juli 1967 bepaalde rente aan de spilindex (thans 138,01) en aan de in de wet van 1 maart 1977 bepaalde schommelingen;

De jaarlijkse refertebezoldiging die te dezen van toepassing is, bedraagt, bij index 100, (10.206,12 euro / 114,20 x 100) 8.937,00 euro, een bedrag dat niet geïndexeerd wordt (Cass., 13 maart 1995, A.C., 1995, nr. 145) en dat op de datum van de consolidatie, met name 4 juli 1985, 7.436,81 euro bedroeg;

De rente die aan de verweerster vanaf 4 juli 1985 verschuldigd is, moet bijgevolg berekend worden op grond van die bezoldiging van 7.436,81 euro en een rentevoet van 4 pct.".

Grieven

Artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals het van kracht was op 14 juli 1985, bepaalt dat "de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld. Zij is evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid. Overschrijdt de jaarlijkse bezoldiging ..., dan wordt zij slechts tot dat bedrag in aanmerking genomen voor de berekening van de rente. Het bedrag van dit plafond is dit dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont".

Artikel 13 van die wet voegt daaraan toe dat "de renten vermeerderd of verminderd worden overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De Koning bepaalt hoe zij aan de spilindex 114,20 worden gekoppeld".

Artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, bepaalt daarenboven dat, "voor de vaststelling van het bedrag der renten in geval van blijvende ongeschiktheid of overlijden, onder jaarlijkse bezoldiging moet worden verstaan enige wedde, enig loon of enige als wedde of loon geldende vergoeding, door de getroffene op het tijdstip van het ongeval verkregen, vermeerderd met de toelagen en vergoedingen die geen werkelijke lasten dekken en op grond van de arbeidsovereenkomst of het wettelijk of reglementair statuut zijn verschuldigd.

Voor de vaststelling der in het eerste lid bedoelde jaarlijkse bezoldiging wordt geen rekening gehouden met enige vermindering van de bezoldiging uit hoofde van de leeftijd van de getroffene".

Artikel 14 beklemtoont het volgende:

"§ 1. Wanneer het ongeval zich voor 1 juli 1962 heeft voorgedaan wordt de in artikel 13 bedoelde jaarlijkse bezoldiging vermenigvuldigd met een coëfficiënt om ze aan te passen aan de schommelingen van de kosten voor levensonderhoud tussen de datum van het ongeval en 1 juli 1962; deze coëfficiënt wordt, in ieder geval, bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort.

§ 2. Wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan na 30 juni 1962, omvat de in artikel 13 bedoelde jaarlijkse bezoldiging niet de verhoging als gevolg van de koppeling ervan aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk op het tijdstip van het ongeval",

Artikel 19 preciseert voorts dat "de rente voor de toepassing van artikel 13 van de wet gekoppeld wordt aan de spilindex ... en schommelt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld".

Volgens artikel 1, § 1, a), 3°, van de wet van 1 maart 1977, is die wet van toepassing "op de renten tot schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten".

De artikelen 2 en 3, § 1, van de voormelde wet, zoals zij te dezen van toepassing zijn, bepalen daarenboven dat de basisspilindex die in aanmerking moet worden genomen voor de aanpassing van de in artikel 1 bedoelde uitgaven 114,20 bedraagt, en artikel 4 bepaalt dat "iedere maal dat het overeenkomstig het tweede lid berekende indexcijfer der consumptieprijzen één der spilindexen bereikt of er op teruggebracht wordt, de uitgaven en bezoldigingsgrenzen, gekoppeld aan de spilindex 114,20 opnieuw berekend worden door de coëfficiënt 1,02n erop toe te passen waarin n de rang van bereikte spilindex vertegenwoordigt".

Artikel 6, ten slotte, preciseert:

"De verhoging of de vermindering wordt toegepast: [...] 3° in de andere gevallen, vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt. Voor de pensioenen, tegemoetkomingen en renten bedoeld in artikel 1, § 1, a), 2) tot en met 4), evenwel in de mate dat deze tijdens de maand die voorafgaat aan de maand waarop ze betrekking hebben of op de eerste werkdag van de betrokken maand worden betaald".

De ministeriële circulaire nr. 238 van 9 november 1983 houdende de regeling van de overgang van beperkte indexkoppeling naar normale indexkoppeling in de overheidssector, die abstracte regels bevat met het algemeen karakter eigen aan de wet, bepaalt ten slotte dat de index die in aanmerking moet worden genomen wegens de overgang naar de normale indexkoppeling, die tot stand is gekomen doordat de wet van 1 maart 1977, die opnieuw van kracht was geworden na 1 augustus 1983, samen met de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, bepaalt dat de nieuwe weddebedragen, "om alle risico's van verkeerde berekeningen inzake wedden en lonen te vermijden", berekend worden als volgt : "wedde (op jaarbasis) x 2,2522 (index op 1 januari 1982) + 34 836 (som van de forfaitaire bedragen van de beperkte indexering)".

Uit het verband tussen die verschillende bepalingen volgt dat, aangezien niet de jaarlijkse basisbezoldiging die dient voor de berekening van de rente maar alleen de rente eventueel geïndexeerd kon worden indien het ongeval zich heeft voorgedaan na 1 januari 1990, de jaarlijkse brutobezoldiging van de verweerster, die 10.206,12 euro bedraagt, wat het arrest ook erkent, niet gedesindexeerd mocht worden op grond van een spilindex van 114,20, zoals het arrest ten onrechte beslist, maar van een verhogingscoëfficiënt die op 1 januari 1982 gelijk was aan 2,2522. De spilindex is immers slechts het refertecijfer voor de vaststelling van de verschillende verhogingscoëfficiënten, op grond waarvan het jaarlijks basisbedrag tot beloop van 100 pct. berekend wordt. Dat jaarlijks basisbedrag is gelijk aan het jaarlijks brutoloon gedeeld door de voormelde verhogingscoëfficiënt.

Het arrest, dat het bedrag van de jaarlijkse refertebezoldiging van de verweerster vaststelt op 8.937 euro door de werkelijke jaarlijkse bezoldiging te desindexeren op grond van de spilindex, terwijl het die basisbezoldiging had moeten berekenen door op de werkelijke bezoldiging de daarmee op 1 januari 1982 overeenstemmende coëfficiënt (met name 2,2522) toe te passen, en die basisbezoldiging te beperken tot een bedrag dat het wettelijke plafond niet overschreed zoals dat op 4 juli 1985 van toepassing was, schendt de in de aanhef van het middel bedoelde wettelijke en reglementaire bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 4, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals het op het geschil van toepassing is, bepaalt dat de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan.

Krachtens de artikelen 13 van die wet en 19 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, zoals ze te dezen van toepassing zijn, wordt de rente vermeerderd of verminderd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en wordt die rente, aangezien ze betrekking heeft op een ongeval dat zich vóór 1 januari 1990 heeft voorgedaan, gekoppeld aan de spilindex 114,20.

Luidens artikel 4, eerste lid, van de voormelde wet van 1 maart 1977, worden de uitgaven en bezoldigingsgrenzen gekoppeld aan de spilindex 114,20, telkens als het indexcijfer van de consumptieprijzen één van de spilindexen bereikt of erop teruggebracht wordt, opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n erop toe te passen, waarin n de rang van de bereikte spilindex vertegenwoordigt.

Artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 bepaalt dat, wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan na 30 juni 1962, de jaarlijkse bezoldiging op grond waarvan de rente berekend wordt, niet de verhoging omvat als gevolg van de koppeling ervan aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Wanneer, bijgevolg, de jaarlijkse bezoldiging is aangepast aan de evolutie van het indexcijfer, moet dat bedrag gedeeld worden door de coëfficiënt die de rang van de laatste spilindex vóór het ongeval vertegenwoordigt.

Het arrest, dat vaststelt dat de geïndexeerde jaarlijkse bezoldiging van het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval, met name 4 juli 1984, 10.206,12 euro bedroeg en erkent dat het voormelde bedrag teruggebracht moest worden tot het niet-geïndexeerde bedrag, zodat het vergeleken kan worden met het wettelijk plafond dat op de datum van consolidatie, met name 4 juli 1985, van toepassing was, beslist dat het bedrag van de jaarlijkse refertebezoldiging gelijk was aan 10.206,12 euro gedeeld door 114,20 en vermenigvuldigd met 100.

Het arrest, dat de jaarlijkse bezoldiging deelt door de spilindex waaraan ze gekoppeld was en niet door de coëfficiënt die de rang vertegenwoordigt van de spilindex die op het ogenblik van het ongeval was bereikt, schendt de artikelen 4, eerste lid, van de wet van 1 maart 1977 en 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de eiser veroordeelt om aan de verweerster een rente te betalen, die dat arrest berekent op grond van een jaarlijkse maximumbezoldiging van 7.436,81 euro.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op de artikelen 16, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 en 28, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Blijvende arbeidsongeschiktheid

  • Rente

  • Basisbezoldiging

  • Indexering