- Arrest van 16 maart 2011

16/03/2011 - P.11.0441.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat eigenlijk kritiek uitoefent op een andere beschikking dan die waartegen hoger beroep is ingesteld, zodat de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig is, is niet ontvankelijk omdat het geen verband houdt met het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0441.F

J. D.,

Mr. Hamid El Abouti, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Tegen de eiser is op 7 januari 2011 een bevel tot aanhouding uitgevaardigd. Op 12 januari 2011 is hij voor de raadkamer verschenen waar hij gevraagd heeft dat de zaak zou worden verdaagd. Bij beschikking van 21 januari 2011, datum waarnaar het onderzoek van de zaak was uitgesteld, heeft de raadkamer de voorlopige hechtenis gehandhaafd.

Uit de rechtspleging blijkt niet dat die beschikking werd betekend.

De eiser, die op 16 februari werd opgeroepen om te verschijnen op de rechtszitting van de raadkamer van 21 februari, heeft op 18 februari 2011 tegen die beschikking hoger beroep ingesteld.

Op 21 februari 2011 heeft de raadkamer de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser bevolen, nadat ze zijn verweermiddel had verworpen volgens hetwelk dit gerecht niet bevoegd was wegens het hoger beroep waardoor de kamer van inbeschuldigingstelling was gevat.

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking van 21 januari 2011 ontvankelijk maar niet gegrond.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel verwijt het bestreden arrest "dat het de beschikking van de raadkamer van 21 februari 2011 niet nietig en zonder gevolg heeft verklaard" en, bijgevolg, dat het niet gewezen is binnen de maand volgend op de beschikking van 21 januari 2011.

De kamer van inbeschuldigingstelling diende alleen uitspraak te doen over het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van 21 januari 2011, die de hechtenistitel van de eiser uitmaakt.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de beschikking van 21 februari 2011, houdt het geen verband met de bestreden beslissing en is het niet ontvankelijk.

In zoverre het middel aanvoert dat de kamer van inbeschuldigingstelling binnen de maand volgend op de beschikking van 21 januari 2011 uitspraak diende te doen, ofschoon uit artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, blijkt dat zij haar beslissing diende te wijzen binnen vijftien dagen na de verklaring van hoger beroep van 18 februari 2011, faalt het naar recht.

Ten slotte vraagt de eiser dat het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag zou worden gesteld of, wat het toezicht op de voorlopige hechtenis aangaat, de aanhangigmaking van de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling verenigbaar is met de aanhangigmaking bij de raadkamer.

Naar luid van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, is een rechtscollege, behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met één van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en er geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, in het geval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen.

Aangezien de voorgestelde vraag niet valt onder de in die bepaling bedoelde uitzonderingen, is het Hof er niet toe gehouden die vraag te stellen.

Tweede middel

De wet voorziet niet in een nietigheid of een sanctie wanneer de beslissing die de voorlopige hechtenis handhaaft, niet binnen de termijn van vierentwintig uur werd betekend. Dat vormvereiste doet alleen de termijn ingaan om hoger beroep in te stellen.

Daaruit volgt dat de inverdenkinggestelde, bij ontstentenis van een regelmatige betekening van de beroepen beslissing, hoger beroep kan instellen tegen een beschikking tot handhaving, zodra ze is gegeven en in zoverre de raadkamer niet andermaal, met toepassing van artikel 22 of artikel 26 Voorlopige Hechteniswet, uitspraak heeft gedaan.

Het middel dat aanvoert dat de inverdenkinggestelde, bij ontstentenis van betekening van de beslissing waarbij de handhaving van de voorlopige hechtenis wordt bevolen, in vrijheid moet worden gesteld, vermits artikel 18, § 1, vierde lid, een dergelijke sanctie oplegt wanneer het bevel tot aanhouding niet binnen vierentwintig uren te rekenen van de vrijheidsbeneming is betekend, faalt naar recht.

Derde middel

Het middel dat schending aanvoert van artikel 23, 4°, dat toepasselijk is op de kamer van inbeschuldigingstelling, verwijt het arrest dat het niet antwoordt op de conclusie waarin de eiser aanvoert dat hij op grond van de beschikking van 21 januari 2011 in hechtenis was en dat de geldigheid ervan sedert 21 februari 2011 verstreken was.

De rechter dient alleen te antwoorden op de vorderingen, verweermiddelen en excepties die de partijen aanvoeren in het kader van de bij hem aanhangig gemaakte zaak.

Daaruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, aangezien zij het hoger beroep van de eiser ontvankelijk heeft verklaard, alleen toezicht diende uit te oefenen op de beschikking van 21 januari 2011. De kamer van inbeschuldigingstelling diende dus niet te antwoorden op de conclusie van de eiser waarin de handhaving van de hechtenis op grond van de beschikking van 21 februari wordt betwist.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

Wanneer het arrest uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beschikking waarbij binnen de vijf dagen nadat het bevel tot aanhouding is uitgevaardigd, de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, kan de kamer van inbeschuldigingstelling niet worden verweten dat ze haar beslissing motiveert door de relevante redenen ervan over te nemen.

Het arrest van 4 maart 2011 dat vaststelt dat de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid, die het bevel tot aanhouding van 7 januari 2011 verantwoordden, blijven bestaan, vervalt niet in een automatisme dat onverenigbaar is met het uitzonderlijke karakter van de voorlopige hechtenis, de noodzaak tot individualisering en het evolutieve karakter daarvan.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

In zoverre het middel voor het overige kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende het in artikel 16, § 1, derde lid, bedoelde gevaar op ontvluchting of bedrieglijke verstandhouding, is het niet ontvankelijk.

Vijfde middel

In zoverre het middel kritiek uitoefent zowel op de laattijdige toezending als op de bewoordingen van de oproepingen om op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling te verschijnen, houdt het middel geen verband met de bestreden beslissing.

Voor het overige bepaalt de wet niet dat aan de inverdenkinggestelde een bericht moet worden gestuurd vooraleer hij verschijnt voor de kamer van inbeschuldigingstelling, die met toepassing van artikel 30, § 2, Voorlopige Hechteniswet uitspraak doet. Wat het bericht betreft dat, met toepassing van die bepaling, door de griffier aan de raadsman van de inverdenkinggestelde moet worden gegeven, kan de laattijdige toezending en zelfs het verzuim ervan, alleen tot nietigheid van de rechtspleging leiden indien dat de verdediging heeft geschaad.

Het recht van verdediging van de eiser kan niet miskend zijn aangezien diens raadsman en hijzelf op de rechtszitting zijn verschenen en hen de mogelijkheid werd geboden te vragen dat de zaak zou worden uitgesteld binnen de bij artikel 30, § 3, tweede lid, bepaalde termijn van vijftien dagen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel

Noch een miskenning van het recht van verdediging, noch een overschrijding van de redelijke termijn zoals bepaald in artikel 5.3 EVRM, kunnen voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd.

Het middel, dat bovendien een onderzoek van feitelijke gegevens vergt waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Voorlopige hechtenis

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Aanhangigmaking van de zaak

  • Omvang

  • Cassatieberoep

  • Middel zonder verband met het arrest