- Arrest van 17 maart 2011

17/03/2011 - C.08.0477.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Voor schuldvernieuwing volstaat niet dat de schuldenaar, in de overeenkomst, een persoon aanwijst die in zijn plaats moet betalen; in dat geval is er sprake van een lastgeving tot betaling; de aangewezen persoon is de lasthebber van de schuldenaar; hij verbindt zich niet in eigen naam, in plaats van de schuldenaar (1). (1) Het O.M. was van oordeel dat het bestreden arrest stelde dat de tweede verweerster, in haar hoedanigheid van opdrachtgever, die niet uit de overeenkomst van 19 dec. 1966 maar wel uit de bijzondere aannemingsvoorwaarden blijkt, waarin een aanwijzing van solvens voorkomt in de zin van art. 1277 B.W., jegens de aannemer tot betaling van het werk gehouden was, en dat het onderdeel dat berust op de bewering dat het bestreden arrest geoordeeld heeft dat de overeenkomst van 19 dec. 1966 tussen de tweede verweerster en de Belgische Staat aangemerkt moet worden als een aanwijzing van solvens in de zin van art. 1277 B.W. feitelijke grondslag mist.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0477.F

WAALS GEWEST,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. a) Roland PARYS, en,

b) Jos MOMBAERS Jos,

als curatoren van het faillissement van Ondernemingen Arthur Moens, nv,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

2. NMBS HOLDING, naamloze vennootschap naar publiek recht,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 13 mei 2008 van het hof van beroep te Bergen dat uitspraak deed op verwijzing na het arrest van het Hof van 10 februari 2005.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan waarvan het eerste als volgt is gesteld.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1165 en 1277 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest

"Doet het beroepen vonnis teniet behalve in zoverre het afwijzend heeft beschikt op de oorspronkelijke vordering van de vennootschap Arthur Moens tegen de vennootschap NMBS Holding [tweede verweerster] en in zoverre de vordering tot vrijwaring die laatstgenoemde tegen de [eiser] heeft ingesteld, zonder voorwerp werd verklaard;

Wijzigt het voor het overige,

Veroordeelt de [eiser] om aan de vennootschap Arthur Moens 7.776,74 euro (openstaand saldo van 313.713 frank op factuur 10 van 16 januari 1989) en 11.730,69 euro (openstaand saldo 473.215 frank op factuur 109 van 3 mei 1989), te betalen, zijnde in totaal 19.507,43 euro, beide bedragen tot de volledige betaling vermeerderd met de interest bedoeld in artikel 15, § 1 en 4, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten;

Zegt dat die interest zal worden gekapitaliseerd op 30 juni 1997, 30 augustus 1999 en 12 december 200 zodat de interest die op elk van die data vervalt vanaf die data zelf interest zal opbrengen;

Veroordeelt de [eiser] in de kosten van de vennootschap Arthur Moens, begroot op 4.892,35 euro in totaal, blijkens haar kostenstaat".

Het bestreden arrest grondt die beslissingen op de onderstaande redenen:

"De overeenkomst van 19 december 1966 tussen de vennootschap NMBS Holding en de Belgische Staat bepaalde dat ‘het ministerie van Openbare werken zich ertoe verbindt de volledige kosten (...) te dragen van de uitgaven van de werkzaamheden die in aanneming worden uitgevoerd, onder het beheer en het toezicht van de NMBS'.

De vennootschap NMBS Holding bleef echter wel de opdrachtgever en bleef op grond daarvan en met toepassing van artikel 1277 van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van de aannemer gehouden tot de kosten van de werkzaamheden.

Toch voert de vennootschap NMBS Holding terecht aan dat zij, van haar kant, niet nagelaten heeft het verval aan te voeren en dat zij niet de lastgever van de [eiser] is.

Volgens voornoemd artikel 18, § 2, ‘moet iedere rechtsvordering betreffende een overeenkomst op straffe van verval en onverminderd bovenstaande § 1, door de aannemer worden ingediend ten laatste een jaar na de voorlopige keuring van de gezamenlijke werken (...). Iedere rechtsvordering die steunt op feiten of omstandigheden die plaatsvinden gedurende de waarborgperiode, of die betrekking heeft op boeten wegens vertraging, moet nochtans, op straffe van verval, worden ingesteld ten laatste een jaar na het verstrijken van de waarborgperiode, zoals voorzien bij artikel 16, § 4, 2°'.

Ook al zouden de ten dele onbetaalde facturen, die uitgebracht zijn na de voorlopige keuring van 13 december 1988 aangemerkt kunnen worden als ‘feiten of omstandigheden die plaatsvinden gedurende de waarborgperiode', dan nog zou, aangezien de te dezen toepasselijke waarborgtermijn één jaar bedraagt te rekenen van de voorlopige keuring (artikel 43, § 3, laatste lid, van de algemene aannemingsvoorwaarden), de vervaltermijn ingaan op 13 december 1989; de vervaltermijn van één jaar vanaf laatstgenoemde datum, vermeerderd met 90 dagen zoals bedoeld in artikel 16, § 4, 2°, van de algemene aannemingsvoorwaarden, zou dan verstreken zijn op 13 maart 1991, zodat de dagvaarding van 25 maart 1991 zelfs in het vooropgestelde geval te laat is uitgebracht.

Voorts is er geen enkele reden om de vennootschap NMBS Holding te beschouwen als de lastgever van de Belgische Staat, noch van de [eiser] die in zijn rechten is getreden: de NMBS Holding was als opdrachtgever gehouden tot betaling, terwijl de overheid daartoe gehouden was krachtens de overeenkomst van 19 december 1966, die geen lastgeving is.

Wanneer de administratie afstand doet van haar recht om het verval aan te voeren, betekent dat daarom niet dat hetzelfde recht ook aan de zijde van de vennootschap NMBS Holding tenietgaat.

Bijgevolg moet worden bevestigd dat laatstgenoemde buiten het geding wordt gesteld.

Verschuldigd bedrag en interest

Het wordt niet betwist dat het onbetaalde saldo op de facturen 10 en 109, die respectievelijk zijn uitgebracht op 10 januari 1989 en 3 mei 1989, in totaal 786.928 frank in hoofdsom bedraagt, ofwel 19.507,43 euro.

De vennootschap Arthur Moens vordert dat de interest, bedoeld in artikel VII van de overeenkomst van 19 december 1966 tussen de Staat de NMBS, waarin zij geen partij is, op dat bedrag wordt toegepast".

Grieven

Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen:

"De overeenkomst van 19 december 1966 tussen de vennootschap NMBS Holding en de Belgische Staat bepaalde dat ‘het ministerie van openbare werken zich ertoe verbindt de volledige kosten (...) te dragen van de uitgaven van de werkzaamheden die in aanneming worden uitgevoerd, onder het beheer en het toezicht van de NMBS'.

De vennootschap NMBS Holding bleef echter wel de opdrachtgever en bleef op grond daarvan en met toepassing van artikel 1277 van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van de aannemer gehouden tot de kosten van de werkzaamheden";

en

"Voorts is er geen enkele reden om de vennootschap NMBS Holding te beschouwen als de lastgever van de Belgische Staat, noch van de [eiser] die in zijn rechten is getreden: de NMBS Holding was als opdrachtgever gehouden tot betaling, terwijl de overheid daartoe gehouden was krachtens de overeenkomst van 19 december 1966, die geen lastgeving is",

en

"De vennootschap Arthur Moens vordert dat de interest, bedoeld in artikel VII van de overeenkomst van 19 december 1966 tussen de Staat de NMBS, waarin zij geen partij is, op dat bedrag wordt toegepast".

(...)

Tweede onderdeel

Het bestreden arrest stelt, enerzijds, vast dat de vennootschap NMBS Holding als opdrachtgever jegens de aannemer gehouden bleef tot de kosten van de werkzaamheden, aangezien het beding in de overeenkomst van 19 december 1966 volgens hetwelk de Belgische Staat die kosten zou dragen, een toepassing is van artikel 1277 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden arrest stelt aldus vast dat genoemd beding aangemerkt kan worden als een aanwijzing van solvens, aangezien de schuldenaar een persoon heeft aangewezen die in zijn plaats zal betalen.

Een dergelijke aanwijzing komt echter neer op een lastgeving aangezien de solvens zich niet persoonlijk verbindt maar als lasthebber van de schuldenaar in diens plaats betaalt.

Het bestreden arrest beslist echter, anderzijds, dat de overheid (dus de eiser) "krachtens de overeenkomst van 19 december 1966, die geen lastgeving is, (tot betaling) gehouden was".

Het bestreden arrest schendt aldus artikel 1277 van het Burgerlijk Wetboek doordat het, enerzijds, oordeelt dat de eiser tot betaling gehouden was krachtens de overeenkomst van 19 december 1966, aangezien die overeenkomst hem aanwees als solvens, dus als lasthebber, en anderzijds, beslist dat die overeenkomst geen overeenkomst van lastgeving is hoewel de aanwijzing van de solvens in de zin van artikel 1277 van het Burgerlijk Wetboek wel degelijk de kenmerken van een dergelijke overeenkomst vertoont.

Het bestreden arrest schendt voorts artikel 149 van de Grondwet daar het tegenstrijdigheden bevat doordat het, enerzijds, tegelijk beslist dat de overeenkomst van 19 december 1966 de rechtsvoorganger in de vordering aanwees als solvens, met dien verstande dat de solvens slechts een lasthebber is die zich niet persoonlijk verbindt, en dat de eiser tot betaling gehouden is krachtens een overeenkomst die zijn rechtsvoorganger als solvens aanwees, en, doordat het, anderzijds, tegelijk beslist dat de overeenkomst van 19 december 1966 een aanwijzing van solvens bevat die neerkomt op een lastgeving en dat genoemde overeenkomst geen overeenkomst van lastgeving is, aangezien er geen enkele reden is om de NMBS Holding te beschouwen als de lastgever van de Belgische Staat, noch van het Waals Gewest dat in zijn rechten is getreden.

Wegens die beide tegenstrijdigheden is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen omkleedt en schendt het bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1277 Burgerlijk Wetboek brengt de enkele aanwijzing, door de schuldenaar, van een persoon die in zijn plaats moet betalen, geen schuldvernieuwing mee.

In dat geval is er sprake van een lastgeving tot betaling. De aangewezen persoon is de lasthebber van de schuldenaar. Hij verbindt zich niet in eigen naam, in plaats van de schuldenaar.

Het bestreden arrest stelt vast dat "de overeenkomst van 19 december 1966 tussen de vennootschap NMBS Holding [hier de tweede verweerster] en de Belgische Staat bepaalt dat ‘het ministerie van Openbare werken zich ertoe verbindt de volledige kosten (...) te dragen van de uitgaven van de werkzaamheden die in aanneming worden uitgevoerd, onder het beheer en het toezicht van de NMBS'".

Door te vermelden dat laatstgenoemde "de opdrachtgever [bleef] en op grond daarvan en met toepassing van artikel 1277 van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van de aannemer gehouden [bleef] tot de kosten van de werkzaamheden", oordeelt het dat de tweede verweerster, in de geciteerde bepaling uit de overeenkomst, de Belgische Staat heeft aangewezen om in haar plaats te betalen.

Het arrest dat oordeelt dat "de overheid krachtens de overeenkomst van 19 december 1966, die geen lastgeving is, [jegens de vennootschap Arthur Moens tot betaling] gehouden was", terwijl die bepaling van de overeenkomst, zoals zij door het arrest wordt ontleed, de Belgische Staat niet persoonlijk ertoe verplichtte de vennootschap Arthur Moens te betalen, maar hem een last gaf om namens de tweede verweerster te betalen, schendt artikel 1277 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 17 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden