- Arrest van 25 maart 2011

25/03/2011 - C.10.0016.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het behoort de rechter de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust, zonder dat hij hierbij vermag de opportuniteit van de vordering te beoordelen (1). (1) Cass., 15 juni 2004, AR P.04.0237.N, A.C., 2004, nr. 323, met concl. van advocaat-generaal DE SWAEF.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0016.N

STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met zetel te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. J. V.,

2. M. C.,

verweerders,

die beide woonplaats kiezen bij gerechtsdeurwaarder Frank Jennen, met kantoor te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 10.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 maart 2008.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Krachtens het toepasselijk artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, kan de rechtbank benevens de straf bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Krachtens het toepasselijk artikel 151 van voormeld decreet, kunnen de stedenbouwkundig inspecteur en het college van burgemeester en schepenen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarvan de werken, de handelingen of de wijzigingen, bedoeld in artikel 146 van het decreet, geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd, de herstelmaatregelen vorderen zoals omschreven in artikel 149, § 1.

2. Krachtens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

3. Uit deze bepalingen volgt dat het de rechter behoort de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust, zonder dat hij hierbij vermag de opportuniteit van de vordering te beoordelen.

De rechter gaat na of de beslissing om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten.

Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien en in het bijzonder na of deze vordering niet kennelijk onredelijk is. Hij moet afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is, dit onder meer op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

Artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, laat evenwel niet toe dat de rechter op grond van de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel leidt tot een onevenredige last voor de overtreder in vergelijking tot het voordeel voor de ruimtelijke ordening, oordeelt dat geen herstel van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te kunnen afwijzen, moet de rechter vaststellen dat ook met een minder ingrijpende maatregel de goede ruimtelijke ordening kan worden hersteld.

4. De appelrechters oordelen dat:

- de verweerders wederrechtelijk een weekendverblijf, evenals drie bijkomende constructies hebben opgericht en in stand gehouden binnen een natuurgebied;

- de wederrechtelijke toestand reeds meer dan dertig jaar geleden werd vastgesteld;

- de verweerders al die tijd ongemoeid werden gelaten in het gebruik en het genot van hun weekendverblijf en bijgebouwen;

- daaruit mag worden afgeleid dat het bestuur gedurende al deze jaren de nadelige weerslag op het natuurlijk milieu niet belangrijk genoeg heeft gevonden om over te gaan tot het instellen van een vordering tot afbraak;

- de gevorderde afbraak de meest extreem mogelijke herstelmaatregel is met de grootst mogelijke nadelige last voor de verweerders;

- de gevorderde herstelmaatregel die wel degelijk een goede ruimtelijke ordening nastreeft en op wettelijke gronden steunt, dan ook disproportioneel bezwarend is voor de verweerders.

De appelrechters die het gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand afwijzen zonder vast te stellen dat de aantasting van de goede ruimtelijke ordening ook met een minder ingrijpende maatregel kan worden hersteld, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelings-voorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Herstelvordering

  • Wettigheid

  • Beoordeling door de rechter