- Arrest van 25 maart 2011

25/03/2011 - D.10.0006.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Die vermelding op de kennisgeving aan de arts van de beslissing van de raad van beroep van de Orde der geneesheren dat 'behoudens voorziening in cassatie, de tenuitvoerlegging van de tuchtstraf (zal) ingaan na het verstrijken van de termijn van dertig vrije dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing' heeft enkel tot doel, overeenkomstig artikel 27, § 2, Artsenwet, aan te geven wanneer de tenuitvoerlegging van de opgelegde tuchtstraf een aanvang neemt in het geval geen cassatieberoep is ingesteld, hetgeen te dezen belangrijk is omdat het invloed heeft op de uitoefening van het beroep.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.10.0006.N

G. G.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 35,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de raad van beroep van de Orde der geneesheren van 15 februari 2010.

Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Artikel 26, § 1, 1°, KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van geneesheren, hierna Artsenwet, bepaalt dat voor de procedure in cassatie zowel wat de pleegvormen als de termijnen betreft dezelfde regelen gelden als in burgerlijke zaken, behalve wat betreft de termijn om cassatieberoep in te stellen die een maand bedraagt vanaf de kennisgeving van de beslissing.

Krachtens artikel 860, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek zijn de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden voorgeschreven op straffe van verval.

2. Overeenkomstig artikel 53bis, Gerechtelijk Wetboek, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager ten aanzien van de geadresseerde berekend vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde, wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.

Overeenkomstig artikel 52 van het hetzelfde wetboek, wordt de termijn gerekend van de dag na die van de akte of de gebeurtenis die hem doet ingaan.

Overeenkomstig artikel 54 van dat wetboek, wordt een in maanden bepaalde termijn gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de bestreden beslissing aan de eiser ter kennis werd gebracht bij aangetekende brief met ontvangstbewijs afgegeven op de post op 16 februari 2010 en op de woonplaats van de eiser aangeboden op 17 februari 2010.

De termijn van een maand om cassatieberoep in te stellen heeft derhalve een aanvang genomen op 18 februari 2010 en is geëindigd op 17 maart 2010.

Het cassatieberoep ingediend ter griffie van de raad van beroep op 18 maart 2010, is dan ook laattijdig.

4. Uit de vermelding op de kennisgeving van de bestreden beslissing van 16 februari 2010 dat "behoudens voorziening in cassatie, de tenuitvoerlegging van de tuchtstraf (zal) ingaan na het verstrijken van de termijn van dertig vrije dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing" kon de eiser niet redelijk afleiden dat de termijn om cassatieberoep in te stellen in werkelijkheid dertig vrije dagen bedroeg en dus slechts op 19 maart 2010 zou eindigen.

Die vermelding heeft enkel tot doel, overeenkomstig artikel 27, § 2, Artsenwet, aan te geven wanneer de tenuitvoerlegging van de opgelegde tuchtstraf een aanvang neemt in het geval geen cassatieberoep is ingesteld, hetgeen te dezen belangrijk is omdat het invloed heeft op de uitoefening van het beroep.

Daarenboven blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de eiser op 2 maart 2010, dit is binnen de termijn om cassatieberoep in te stellen, van de verweerster de volgende mededeling heeft ontvangen:"Ten vervolge op de aangetekende brief ter post aangeboden op 16 februari 2010 waarbij u kennis kreeg door de Raad van Beroep van de Orde der geneesheren in uw zaak uitgesproken op 15 februari 2010, deel ik u mee dat behoudens een voorziening in cassatie de tuchtsanctie van schrapping van de lijst van de Orde der Geneesheren een aanvang zal nemen op 21 maart en door u dient nageleefd te worden". Ook deze vermelding maakt een duidelijk onderscheid tussen het instellen van het cassatieberoep en de tenuitvoerlegging van de uitgesproken tuchtstraf.

5. Uit het geheel van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, meer bepaald de arresten van 1 oktober 2003 in de zaak 128/2003, 13 december 2006 in de zaak 197/2006 en 11 maart 2009 in de zaak 51/2009, blijkt dat, anders dan de eiser voorhoudt, de omstandigheid dat de bepalingen van de Artsenwet niet voorzien in de verplichting dat de kennisgeving van de beslissing van de raad van beroep de informatie moet bevatten omtrent de mogelijke rechtsmiddelen, de instanties waar ze aanhangig moeten worden gemaakt en de vormen en termijnen die daarbij in acht dienen te worden genomen, geen onevenredige beperking inhoudt van de rechten van de eiser die het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure waarop voormelde Artsenwet van toepassing is en dat enkel wat de termijn betreft om cassatieberoep in te stellen afwijkt van het gemene recht. Dit is het geval zowel in vergelijking met een sociaal verzekerde bedoeld in artikel 704, § 2, Gerechtelijk Wetboek als met de ambtenaar die tegen de veroordeling tot een tuchtstraf enkel kan opkomen door een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.

Er is dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

6. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 461,32 euro jegens de eisende partij en op de som van 248,72 euro jegens de verwerende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Arts

  • Tucht

  • Orde der geneesheren

  • Raad van beroep

  • Beslissing

  • Kennisgeving

  • Doel

  • Cassatieberoep

  • Termijn