- Arrest van 30 maart 2011

30/03/2011 - P.11.0537.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat aanvoert dat de redelijke termijn tijdens het gerechtelijk onderzoek werd overschreden, kan niet voor het eerst worden aangevoerd voor het Hof van Cassatie, dat kennisneemt van een cassatieberoep inzake voorlopige hechtenis (1). (1) Cass., 11 sept. 1996, AR P.96.1224.F, A.C., 1996, nr. 305.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0537.F

P. E-B.,

Mr. Hamid El Abouti, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest dat het niet vaststelt dat de redelijke termijn voor sommige onderzoeksopdrachten verstreken was.

Uit de stukken blijkt niet dat de eiser dat middel voor de appelrechters heeft aangevoerd.

Het middel dat voor de eerste maal voor het Hof wordt aangevoerd, is niet ontvankelijk.

Tweede middel

De eiser die sedert 13 september 2010 in hechtenis is, voert aan dat de bij artikel 136ter Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn van zes maanden, waarover de kamer van inbeschuldigingstelling beschikt om het in paragraaf 3 van die bepaling voorgeschreven nazicht te verrichten, overschreden is.

Uit de paragrafen 1 en 2 van dat artikel volgt evenwel dat dit toezicht eerst verricht wordt na een verslag van de procureur des Konings aan de procureur-generaal, waarna de onderzoeksrechter en de burgerlijke partij worden opgeroepen om op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling te verschijnen.

Gelet op de datum van het bevel tot aanhouding, was de termijn van zes maanden waarbinnen de raadkamer uitspraak diende te doen over de regeling van de rechtspleging, niet verstreken toen zij op 2 maart 2011 de voorlopige hechtenis van de eiser handhaafde.

De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet op het hoger beroep tegen die beslissing, diende het voormelde nazicht niet ambtshalve te verrichten.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Middel voert de overschrijdidng van de redelijke termijn aan

  • Nieuw middel

  • Ontvankelijkheid