- Arrest van 1 april 2011

01/04/2011 - D.10.0012.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een arts mag zijn medische activiteiten kenbaar maken aan het publiek; hij moet daarbij bepaalde richtlijnen in acht nemen; de verstrekte informatie moet waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk zijn; de publiciteit mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen; ronselen van patiënten is niet toegelaten; deze eisen gelden ook voor de verslaggeving in de media, wanneer een journalist de arts contacteert en de arts instemt met een interview; de arts moet tijdens die contacten en in interviews dus ook het deontologische vereiste van discretie over zijn medische activiteit in acht blijven nemen (1). (1) Zie Cass. 12 mei 2005, AR D.04.0005.F, AC 2005, nr. 276

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.10.0012.N

E. M.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 1030 Brussel, Jamblinne de Meuxplein 34-35,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de raad van beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal van 3 mei 2010.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn voorziening het navolgende middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 6, 12 en 16 KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van geneesheren;

- het algemeen rechtsbeginsel houdende het persoonlijk karakter van de straf.

Aangevochten beslissingen

De bestreden beslissing: "zegt dat de tenlastelegging wel bewezen blijft in zover deze betrekking heeft op het gebrek aan discretie bij het voeren van publiciteit; - en legt aan (de eiser) daarvoor een berisping op".

op grond van de motieven op p. 3:

"Het onderdeel dat betrekking heeft op de vereiste discretie komt wel bewezen voor: de persartikels hebben immers niet louter tot doel de cliënten ter kennis te brengen dat (de eiser) zijn praktijk heeft overgebracht, maar bevatten ook vermeldingen welke niet aanvaardbaar zijn, zoals de verwijzing naar de groepering van artsenpraktijken (en de mogelijke voordelen daarvan) en een verwijzing naar zijn ‘naam en faam'. Bovendien wekken de, in zeer grote letters gestelde, opzichtige titels veeleer de indruk dat het gaat om commerciële reclame. En het feit dat bij de artikels ook een foto werd gevoegd van (de eiser), in zijn onderzoekskabinet, toont aan dat hij akkoord ging met het opnemen van deze artikels".

Grieven

1. Artikel 12 code van de geneeskundige plichtenleer bepaalt, sedert de wijziging ervan op 21 september 2002, omtrent publiciteit het volgende:

"Mits naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen geneesheren hun medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.

§ 1. De verstrekte informatie dient waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk te zijn. (...)".

De medische plichtenleer verzet er zich derhalve niet tegen dat een geneesheer zijn medische activiteit kenbaar maakt aan het publiek door het voeren van publiciteit, voor zover de door hem verstrekte informatie aan de voormelde eisen voldoet.

2. Diezelfde eisen gelden niet voor de verslaggeving in de geschreven pers over de medische activiteit van een geneesheer door journalisten, vermits deze genieten van de persvrijheid en niet onderworpen zijn aan de tucht waarop de Orde van geneesheren toeziet.

3. De tuchtoverheid kan zodoende een geneesheer enkel disciplinair bestraffen op grond van de artikelen 6, 2°, 12 en 16 KB nr. 79 van 10 november 1967, wegens een door die geneesheer begaan tuchtvergrijp in de informatie die hij zelf kenbaar maakt aan het publiek.

Verslaggeving over de medische activiteit van een geneesheer door de geschreven pers, die niet door de geneesheer gevoerd wordt omdat hij deze informatie niet geplaatst heeft zoals een geplaatste reclameadvertentie, maar enkel eenzijdige beweringen bevat van de journalist over de geneesheer in een vorm waarover deze laatste geen zeggenschap heeft, wegens het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van een op te leggen sanctie, geen grond voor een geldige tuchtsanctie kan zijn.

Het enkel feit dat bij een persartikel een foto van de geneesheer in zijn onderzoekskabinet is gevoegd, kan er wel op wijzen dat de geneesheer instemde met het feit dat een artikel in de pers wordt opgenomen, maar is onvoldoende om met de vereiste zekerheid te kunnen gewagen van een door de geneesheer zelf gevoerde publiciteit, waarbij het niet de journalist is, maar wel hijzelf die informatie kenbaar zou maken aan het publiek.

4. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing onwettig de eiser een berisping oplegt wegens gebrek aan discretie bij het voeren van publiciteit, dan wanneer er door eiser geen publiciteit gevoerd werd, maar er wel enkel verslaggeving voorligt van journalisten in de persartikelen van 6 en 7 januari 2009 over de medische activiteit van de eiser (schending van de artikelen 6, 2°, 12 en 16 KB nr. 79 van 10 november 1967), zonder dat de bijgevoegde foto toelaat te besluiten met de vereiste zekerheid dat de eiser, die geen zeggenschap heeft over de uiteindelijke inhoud en opmaak van de persartikelen, zelf een disciplinaire fout beging (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het persoonlijk karakter van de straf).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Een arts mag zijn medische activiteiten kenbaar maken aan het publiek. Hij moet daarbij bepaalde richtlijnen in acht nemen. De verstrekte informatie moet waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk zijn. De publiciteit mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen. Ronselen van patiënten is niet toegelaten.

2. Anders dan het middel aanvoert, gelden deze eisen ook voor de verslaggeving in de media, wanneer een journalist de arts contacteert en de arts instemt met een interview. De arts moet tijdens die contacten en in interviews dus ook het deontologische vereiste van discretie over zijn medische activiteit in acht blijven nemen.

3. Op grond van de feiten die de bestreden beslissing vaststelt, hebben de appelrechters wettig kunnen oordelen dat de eiser in zijn interview het vereiste van discretie bij het voeren van publiciteit, niet heeft nageleefd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 325,00 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 1 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Publiciteit

  • Voorwaarden

  • Media

  • Interview