- Arrest van 4 april 2011

04/04/2011 - S.10.0068.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 56.2 van de wet van 4 augustus 1996, artikel 76, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 en artikel 76, eerste lid van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 volgt dat in geval bij de sociale verkiezingen voor het comité voor preventie en bescherming op het werk slechts één kandidatenlijst is ingediend, waarop slechts één kandidaat voorkomt, de verkiezingsprocedure wordt stopgezet; gezien het aantal voorgedragen kandidaten lager ligt dan het minimaal vereiste aantal gewone afgevaardigden nodig om een comité te kunnen samenstellen, kan de enige kandidaat niet geacht worden te zijn verkozen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0068.N

F. D. V.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

PASFROST nv, met zetel te 8980 Zonnebeke, Passendalestraat 80,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 15 februari 2010.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert navolgend middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 49 tot 55, 56, enig lid, 2, en 58 tot en met 60 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

- artikel 2, §§ 1, 2, eerste lid, en 3, en de artikelen 14 en 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden;

- artikel 76, eerste lid, koninklijk besluit van 25 mei 1999 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk;

- artikel 76, eerste lid, koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk.

Bestreden beslissing

Het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, na alle andere en strijdige conclusies te hebben verworpen, verklaart in het bestreden arrest van 15 februari 2010 verweersters hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Ieper van 20 februari 2009 in al zijn beschikkingen, verklaart eisers oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond. De eiser wordt tevens verwezen in de kosten van beide aanleggen.

Het arbeidshof stelt onder meer vast (arrest p. 2-3) dat:

- de eiser als arbeider in dienst was van de nv Lafaut sinds 1 juli 1997,

- de eiser in 2000 voor het ACV kandidaat was voor de sociale verkiezingen van de personeelsafvaardiging voor het comité voor preventie en bescherming op het werk, dat hij enig kandidaat was en dat dienvolgens de verkiezingen werden stopgezet,

- de eiser op 1 april 2003 in dienst trad van verweerster ingevolge de overname van personeel van de nv Lafaut, met behoud van anciënniteit,

- de eiser in 2004 opnieuw voor het ACV kandidaat was voor de sociale verkiezingen van de personeelsafvaardiging voor het comité voor preventie en bescherming op het werk, dat hij enig kandidaat was en dat dienvolgens de verkiezingen geen doorgang vonden,

- de verweerster met aangetekend schrijven van 18 september 2006 de arbeidsovereenkomst van de eiser eenzijdig beëindigde met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon voor 98 dagen.

Het arbeidshof grondde zijn beslissing onder meer op volgende motieven:

"De partijen betwisten of (de eiser) op het ogenblik van het ontslag van 18 september 2006 een beschermd werknemer was die slechts kon worden ontslagen bij toepassing van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. (De eiser) die de beschermingsvergoeding vordert draagt daarvan de bewijslast. Overeenkomstig artikel 1, § 1, van de wet is hij van toepassing:

1. op de gewone en plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen (thans comités preventie en bescherming op het werk) vertegenwoordigen;

2. op de kandidaten voor de verkiezingen van vertegenwoordiger van het personeel in dezelfde organen.

Uit deze bepaling volgt dat de van rechtswege verkozen kandidaat (omdat één enkele werknemersorganisatie een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten) die geen mandaat kan opnemen (omdat slechts één werknemer zich kandidaat heeft gesteld en de verkiezing niet kan leiden tot de instelling van een nieuw comité) niet kan beschermd zijn als "leden die het personeel in het comité vertegenwoordigen". Zij genieten wel de ontslagbescherming als niet verkozen kandidaten.

Overeenkomstig artikel 2 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden genieten de kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van de verkiesbaarheid voldoen, de ontslagbescherming gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld, zo het een eerste kandidatuur betreft. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen, genieten de ontslagbescherming gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag van de verkiezingen.

In 2000 was (de eiser) voor het ACV kandidaat voor de sociale verkiezingen van de personeelsafgevaardigden voor het comité in de nv Lafaut. Hij was de enige voorgedragen kandidaat zodat geen nieuw comité kon ingesteld worden en (de eiser) geen mandaat kon opnemen. Het gevolg daarvan is dat hij de ontslagbescherming genoot als niet-verkozen kandidaat wiens eerste kandidatuur het betrof.

Op 1 april 2003 trad (de eiser) in dienst bij (de verweerster) wegens overname van het personeel en met behoud van anciënniteit.

Luidens artikel 70 Welzijnswet blijven bij overgang van één of meer ondernemingen krachtens overeenkomst de bestaande comités fungeren zo de betrokken ondernemingen hun aard van technische bedrijfseenheid behouden of indien de bestaande technische bedrijfseenheden ongewijzigd blijven. In alle andere gevallen wordt tot de eerstkomende verkiezingen het comité van de nieuwe ondernemingen gevormd door alle leden van de comités die vroeger werden verkozen bij de betrokken ondernemingen tenzij de partijen er anders over beslissen.

Artikel 74 Welzijnswet bepaalt dat in alle gevallen van overgang van een onderneming of van een gedeelte krachtens overeenkomst de leden die het personeel vertegenwoordigen en de kandidaten de beschermingsmaatregelen tegen ontslag blijven genieten.

Uit de voormelde wetsbepalingen volgt dat niet-verkozen kandidaten van een technische bedrijfseenheid in een bepaalde juridische entiteit (de nv Lafaut) die later overgenomen wordt door een andere juridische entiteit (de nv Pasfrost), die zich bij de volgende sociale verkiezingen (2004) van een ingevolge deze overname nieuwe ontstane technische bedrijfseenheid kandidaat stellen, niet dienen beschouwd te worden als stellende hun eerste kandidatuur met de erbij horende langere periode van bescherming. Zij worden beschouwd als vroegere kandidaten die niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen met enkel de korte periode van bescherming (...).

Daargelaten of de nv Lafaut en de nv Pasfrost voor de sociale verkiezingen 2000 een zelfde technische bedrijfseenheid vormden - zoals (de verweerster) voorhoudt en niet afdoende aantoont - alleszins genoot (de eiser) bij de sociale verkiezingen van 2004 de ontslagbescherming als niet verkozen kandi¬daat voor een periode van 2 jaar die eindigde 2 jaar na de aanplakking van de uitslag van de verkiezingen. (De verweerster) voert aan dat de sociale verkiezingen 2004 werden stopgezet op 18 april 2004 en dat op de zelfde datum het bericht van stopzetting werd opgehangen. (De eiser) (die nochtans de bewijslast draagt van zijn ontslagbescherming) vergenoegt zich te stellen dat dat geen proces-verbaal van stopzetting voorligt. Uit de chronologische tabel van de kiesverrichtingen 2004 bij de (verweerster) (...) blijkt de uiterste datum voor de aanplakking van de uitslag op 21 mei 2004. Het stuk 1 dat (de verweerster) voorlegt is de aangetekende brief van 7 september 2004 van het sociaal secretariaat van (de verweerster) aan het ACV, waarbij de werknemersorganisatie werd ingelicht over de intrekking van de kandidatuur van de heer Obin, de enige medekandidaat van (de eiser).

Het ontslag van (de eiser) dateert van 18 september 2006. (De eiser) brengt geen elementen aan dat hij op die datum beschermd werknemer was, terwijl uit de bovenvermelde gegevens in het dossier afdoende blijkt dat (de eiser) op 18 september 2006 niet meer het statuut van beschermd werknemer had.

Het hoger beroep is gegrond. De oorspronkelijke vordering is ongegrond (...)."

Grieven

Overeenkomstig de artikelen 49 en volgende van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zijn de ondernemingen die voldoen aan de gestelde voorwaarden, gehouden een comité voor preventie en bescherming op het werk op te richten. Dit comité wordt, overeenkomstig de artikelen 58 tot en met 60 van dezelfde wet, gekozen volgens een procedure en onder de voorwaarden die door de Koning worden bepaald.

Overeenkomstig artikel 56, enig lid, 2, van dezelfde wet zijn de comités onder meer samengesteld uit een aantal effectieve en plaatsvervangende afgevaardigden van het personeel, waarbij het aantal effectieve afgevaardigden niet lager mag zijn dan twee en niet hoger dan vijfentwintig.

Overeenkomstig artikel 76, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk (zoals van toepassing bij de sociale verkiezingen van 2000) en later artikel 76, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk (zoals van toepassing bij de sociale verkiezingen van 2004), moet de kiesprocedure worden stopgezet aan de vooravond van het versturen of het overhandigen van de oproepingsbrieven voor de verkiezing wanneer geen enkele kandidatenlijst is ingediend. Hetzelfde geldt wanneer één enkele representatieve werknemersorganisatie (...) een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten, in welk geval de kandidaten van rechtswege verkozen zijn.

De kandidaat-personeelsafgevaardigde wordt dus verondersteld verkozen te zijn wanneer zijn representatieve werknemersorganisatie een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten.

Het arbeidshof stelde vast dat eiser zowel voor de sociale verkie¬zingen van 2000 als voor deze van 2004 kandidaat was voor de verkiezing van de leden van het comité voor preventie en welzijn op het werk, doch dat de verkiezingsprocedure telkens moest worden stopgezet omdat eiser de enige voorgedragen kandidaat bleek te zijn. Eiser moest dus geacht worden verkozen te zijn, ook als hij geen effectief mandaat zou uitoefenen.

Luidens artikel 2, § 1, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden, kunnen de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen wegens bepaalde redenen en volgens een nader omschreven procedure.

Artikel 2, § 2, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt dat de personeelsafgevaardigden het voordeel genieten van de bepalingen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.

Luidens dit zelfde artikel 2, § 3, eerste lid, van dezelfde wet genieten de kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, het voordeel van de bepalingen van §§ 1 en 2 zo het hun eerste kandidatuur betreft.

Het tweede lid van deze bepaling stelt dat de kandidaat-personeelsafgevaardigden bedoeld in het eerste lid, het voordeel van de bepalingen van §§ 1 en 2 genieten gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen.

Aangezien de eiser, zowel ter gelegenheid van de sociale verkiezin¬gen van 2000 als van 2004 moest geacht worden te zijn verkozen, kon de ontslagbescherming die hij genoot niet beperkt blijven tot deze die geldt voor niet verkozen kandidaten, zoals ten onrechte geoordeeld door het arbeidshof.

De eisers bescherming tegen ontslag gold bijgevolg, zowel ingevolge de sociale verkiezingen van 2000 als van 2004, alsof hij een verkozen kandi¬daat-personeelsafgevaardigde was en meer bepaald, overeenkomstig artikel 2, § 2, van de genoemde wet van 19 maart 1991, gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.

Het arbeidshof kon bijgevolg niet wettig stellen dat de eiser naar aanleiding van zijn kandidatuur bij de sociale verkiezingen van 2000 "ontslagbescherming genoot als niet-verkozen kandidaat wiens eerste kandidatuur het betrof, noch dat de eiser "bij de sociale verkie¬zingen van 2004 de ontslagbescherming als niet verkozen kandidaat (genoot) voor een periode van 2 jaar die eindigde 2 jaar na de aanplakking van de uitslag van de verkiezingen". Het arbeidshof schendt bijgevolg de artikelen 49 tot 55, 56, enig lid, 2, en 58 tot en met 60 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikelen 2, §§ 1, 2, eerste lid, en 3 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden, artikel 76, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk en artikel 76, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk.

Wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst van de door de genoemde wet van 19 maart 1991 tegen ontslag beschermde werknemer, zonder de bij de artikelen 2 tot 11 bedoelde voorwaarden en procedures na te leven, moet de werkgever, overeenkomstig artikel 16 van de genoemde wet van 19 maart 1991 aan deze onregelmatig ontslagen werknemer die zijn reïntegratie niet heeft gevraagd onder de bij artikel 14 gestelde voorwaarden, in beginsel een vergoeding betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van:

- twee jaar zo hij minder dan tien dienstjaren in de onderneming telt;

- drie jaar zo hij tien doch minder dan twintig dienstjaren in de onderneming telt;

- vier jaar zo hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt.

Nu de eiser bescherming genoot tegen ontslag als verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigde, hij ontslagen werd zonder naleving van de wettelijke procedure inzake ontslag, hij zijn reïntegratie niet aanvroeg en hij minder dan tien jaren anciënniteit had op het ogenblik van het ontslag, kon hij lastens verweerster aanspraak maken op een vergoeding gelijk aan het lopende loon voor een periode van twee jaar.

Het arbeidshof, dat eisers recht op deze vergoeding niet erkent, schendt bijgevolg de artikelen 14 en 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Overeenkomstig artikel 56.2, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn de comités voor preventie en bescherming op het werk onder meer samengesteld uit een aantal gewone en plaatsvervangende afgevaardigden van het personeel, waarbij het aantal gewone afgevaardigden niet lager mag zijn dan twee en niet hoger dan vijfentwintig.

2. Overeenkomstig artikel 76, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk, zoals van toepassing bij de sociale verkiezingen van 2000, en later artikel 76, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk, zoals van toepassing op de sociale verkiezingen van 2004, moet de kiesprocedure worden stopgezet aan de vooravond van het versturen of het overhandigen van de oproepingsbrieven voor de verkiezing wanneer geen enkele kandidatenlijst is ingediend. Hetzelfde geldt wanneer één enkele representatieve werknemersorganisatie een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten. In dat geval zijn de kandidaten van rechtswege verkozen.

3. Uit de voormelde bepalingen volgt dat in geval bij de sociale verkiezingen voor het comité voor preventie en bescherming op het werk slechts één kandidatenlijst is ingediend, waarop slechts één kandidaat voorkomt, de verkiezingsprocedure wordt stopgezet.

Gezien het aantal voorgedragen kandidaten lager ligt dan het minimaal vereiste aantal gewone afgevaardigden nodig om een comité te kunnen samenstellen, kan de enige kandidaat niet geacht worden te zijn verkozen.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

In zover het middel de schending aanvoert van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden is het afgeleid uit de vergeefse aanvoering dat de eiser moet worden verondersteld te zijn verkozen voor het comité waarvoor hij kandidaat was.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 398,95 euro jegens de eisende partij en op de som van 82,42 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 4 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Vrije woorden

  • Representatieve organisatie

  • Een enkele kandidatenlijst met één kandidaat