- Arrest van 8 april 2011

08/04/2011 - F.10.0033.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het toetsingsrecht van de rechter aan wie gevraagd wordt een B.T.W.-boete te toetsen die een repressief karakter heeft, moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de administratieve geldboete niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete met zodanige omvang.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0033.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige van het btw-ontvangkantoor te Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustervest 24/32,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

STREET ONE bvba, met zetel te 2800 Mechelen, Schaliënhoevedreef 20 C,

verweerster,

met als raadsman mr. Stefaan Vertommen, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van hof van beroep te Antwerpen van 7 december 2009.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

3. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

4. De appelrechters oordelen dat een geldboete van 10 percent niet evenredig is met de begane overtreding. Ze verwijzen hierbij naar de omstandigheden dat:

- het de eerste overtreding is van de verweerster;

- het concurrentieverstorend gevolg van de overtreding van de verweerster niet bewezen is;

- de eiser vergoed wordt voor het financiële nadeel doordat de verweerster verplicht is intrest te betalen op het niet tijdig betaalde bedrag;

- niet blijkt dat de verweerster gehandeld heeft met het oog op het behalen van een persoonlijk voordeel;

- de verweerster ook niet over een gratis krediet heeft beschikt;

- dezelfde minimumboete verschuldigd zou zijn geweest als de belastingplichtige 14 of 28 weken te laat had betaald.

5. Het bestreden arrest verantwoordt aldus niet dat er een onevenredigheid bestaat tussen de vastgestelde inbreuk en de opgelegde minimumboete.

Aldus hebben de appelrechters zich ertoe beperkt hun subjectieve beoordeling in de plaats te stellen van de wettelijke omschreven sanctie en louter om redenen van opportuniteit, tegen de wettelijke bepalingen in, beslist dat de geldboete van 10 percent niet gerechtvaardigd is.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. Overeenkomstig artikel 1, 1°, KB nr. 41 van 30 januari 1987 en punt I, 2, A, eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij voormeld KB, moet een geldboete ten bedrage van 10 percent van de verschuldigde belasting, worden opgelegd bij niet-betaling of niet-tijdige betaling van de belasting of van de voorschotten waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, Btw-wetboek, en waarvoor de btw-hoofdcontroleur een bericht heeft verstuurd.

7. Bij brief van 21 augustus 2006, die blijkens de hoofding uitgaat van het btw-controlekantoor Mechelen 2, werd aan de verweerster een btw-uittreksel bezorgd, waaruit kan worden opgemaakt dat de verweerster een overtreding heeft begaan, doordat de belastingen, waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende aangifte van juni 2006, niet betaald waren op 31 juli 2006.

Ook in de brief van 12 september 2006, met eveneens het btw-controlekantoor Mechelen 2 als afzender, werd de verweerster ingelicht van het feit dat zij de verschuldigde belasting niet heeft voldaan, met de melding dat het btw-controlekantoor binnenkort een bijzondere rekening zal opmaken.

8. Voormelde brieven zijn berichten in de zin van punt I, 2, A, eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij voormeld KB nr. 41.

9. De appelrechters hebben de bewijskracht van de voormelde brieven miskend, door te oordelen dat de overtreding van de verweerster op het moment van de betaling op 15 september 2006 alleen door het CIV was vastgesteld en dat door de btw-hoofdcontroleur dienaangaande slechts een bericht naar de verweerster was verstuurd nadat deze de belastingschuld op 15 september 2006 had betaald.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing hieromtrent over aan de feitenrechter.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 8 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Administratieve sancties met repressief karakter

  • Wettelijkheid van de sanctie

  • Evenredigheid met de inbreuk

  • Toetsingsrecht van de rechter

  • Doeleinden