- Arrest van 20 april 2011

20/04/2011 - P.10.2006.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 383bis, §2, van het Strafwetboek, straft hij die wetens zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers bezit die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter voorstellen waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld; het beoogt de bescherming van de persoon van de minderjarige en van het gebruik van diens afbeelding alsook de bestrijding van de handel in alles wat met kinderpornografie verband houdt, door de veroordeling van de gewone consument van dergelijk materiaal mogelijk te maken (1). (1) Parl.St., Kamer, zitting 1993-1994, nr. 1381/4-4; Parl.St., Senaat, zitting 1994-1995, nr. 1142-3, p. 50; A. DE NAUW, Initiation au droit pénal spécial, 2de uitg., Kluwer, 2008, p. 239; I. WATTIER, 'Etat du droit pénal des moeurs après la loi relative à la protection des mineurs et questions critiques', Ann.Dr.Louvain, 2002, p. 137; C. FALZONE en G. GAZAN, La Pornographie enfantine en Belgique, J.T., 2008, p. 357.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.2006.F

J.-P. A.,

Mrs. Pierre Pichault, advocaat bij de balie te Luik, en Julie Levi, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 23 november 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft op 15 april 2011 een conclusie neergelegd ter griffie.

Op de rechtszitting van 20 april 2011 heeft raadsheer Françoise Roggen verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser, die veroordeeld is wegens bezit van beelden met een pornografisch karakter waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld, voert aan dat het arrest artikel 383bis, § 2, Strafwetboek schendt door deze naar analogie te interpreteren.

Die bepaling, die is ingevoegd bij wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, straft hij die wetens, zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers bezit die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter voorstellen waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet de bescherming van de persoon van de minderjarige en van het gebruik van diens afbeelding beoogt alsook de bestrijding van de handel in alles wat met kinderpornografie verband houdt, door de veroordeling van de gewone consument van dergelijk materiaal mogelijk te maken.

Daaruit volgt dat, in strijd met wat de eiser aanvoert, het bezit niet vereist dat het gezag van de computergebruiker over een afbeelding tot uiting komt door ze te downloaden of uit te printen, noch dat hij de afbeelding voortdurend bewaart.

De appelrechters die oordelen dat het feit dat de betrokkene wetens een webstek bezoekt en de beelden bekijkt op zich al volstaat, aangezien die raadpleging inhoudt dat de eiser in het bezit was van een computerscherm waarop kinderpornografie werd vertoond, schenden de aangevoerde bepaling niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De bodemrechters hebben met name erop gewezen dat de eiser in het bezit was geweest van een adres dat verbonden werd met een webstek waarop videofilms met kinderpornografie konden worden bekeken en besteld, dat de eiser de beheerder van die webstek berichten heeft verstuurd die aantonen dat hij de beschikbare trailers heeft bekeken, en dat uit zijn verklaringen aan de door de rechtbank aangewezen deskundige blijkt dat hij heeft toegegeven te weten dat de site waarop hij is gegaan seksueel getint en verboden was.

De verklaringen die de eiser tijdens het eerste politieverhoor zonder bijstand van een advocaat heeft afgelegd, kunnen bijgevolg niet aangemerkt worden als verklaringen waarop de beslissing over zijn schuld uitsluitend of op doorslaggevende wijze is gegrond.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen en in openbare terechtzitting van 20 april 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 383bis, § 2, Strafwetboek

  • Bezit van beelden met pornografisch karakter waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld

  • Ratio legis