- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - C.10.0175.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter oordeelt weliswaar in feite of de hem voorgelegde akte het beweerde feit al dan niet waarschijnlijk maakt en derhalve een begin van bewijs door geschrift uitmaakt maar het staat aan het Hof na te gaan of de rechter het wettelijk begrip waarschijnlijkheid niet heeft miskend (1). (1) Zie concl. O.M., AR. C.10.0175.F, Pas., 2011, nr.…

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0175.F

G. V.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

D. B..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 17 november 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Op 5 april 2011 heeft advocaat-generaal André Henkes een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconlcudeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan. Het eerste luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1315, eerste lid, 1341, 1347, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond en veroordeelt de eiser, met bevestiging van het beroepen vonnis, om aan de verweerster de hoofdsom van 23.549,88 euro te betalen. Het beslist aldus om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"[De verweerster] vermeldt dat de storting van 950.000 frank een lening was.

Zij beschikt niet over een geschrift conform de artikelen 1326 en 1341 Burgerlijk Wetboek, maar wel over een begin van bewijs door geschrift, namelijk een geschrift dat uitgaat van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Het dossier [van de eiser] bevat immers een uittreksel van zijn bankrekening met de datum van de storting. Dat uittreksel bewijst dat genoemd bedrag van 950.000 frank wel degelijk aan hem is gestort en het bevestigt het bankrekeninguittreksel van [de verweerster] waaruit blijkt dat zij op 23 januari 2008 (lees: 1998) het bedrag van 950.000 frank heeft afgehaald om het te storten [aan de eiser].

Dat stuk maakt het bestaan van de aangevoerde lening waarschijnlijk zodat het bewijs van de leningovereenkomst door alle middelen van recht mag worden geleverd".

Het arrest stelt vervolgens vast dat er "gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat die storting wel degelijk betrekking had op een lening, namelijk dat hij voor [de eiser] de verplichting inhield tot teruggave".

Het voegt er het volgende aan toe

"[De eiser] voert aan dat de litigieuze storting een schenking was. Het staat aan hem om hiervan het bewijs te leveren.

Het hof [van beroep] stelt vast dat hij in gebreke blijft het bewijs van die schenking te leveren.

De met de hand aangebrachte vermelding op het rekeninguittreksel van [de verweerster]: 'Teruggegeven aan Georges' bewijst het bestaan van een schenking niet. Het feit dat [de verweerster] [de eiser] voor zich had willen 'terugwinnen' of harmonieuze betrekkingen met hem had willen onderhouden zijn geen elementen die op zich het bewijs van een dergelijke schenking kunnen opleveren.

[De eiser] betoogt tevens dat de storting overeenkomt met geldsommen die hij uit eigen beweging aan [de verweerster] heeft gegeven naar aanleiding van de verkoop van sportpaarden in 1997 en 1998. Het betreft hier een bewering die elke geloofwaardigheid mist".

Grieven

Krachtens artikel 1315, eerste lid, Burgerlijk Wetboek stond het aan de verweerster die de uitvoering van een verbintenis tot terugbetaling van een lening vorderde het bewijs te leveren niet alleen van de overdracht van geldsommen, maar ook van het bestaan van een leningovereenkomst, namelijk van de titel op grond waarvan zij de terugbetaling vorderde.

Artikel 1341 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de lening zoals elke overeenkomst, door geschrift moet worden bewezen. Krachtens artikel 1347, eerste lid, Burgerlijk Wetboek lijdt de verplichting om elke verbintenis die meer dan 375 euro bedraagt door geschriften te bewijzen uitzondering wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is. In dat geval kan de verbintenis door alle middelen van recht worden bewezen.

Artikel 1347, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte is die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

...

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1347, tweede lid, Burgerlijk Wetboek moet het begin van bewijs door geschrift het beweerde rechtsfeit waarschijnlijk maken. Het volstaat niet dat het feit mogelijk lijkt; vereist is dat het, ook al is het niet bewezen, een schijn van waarheid bevat.

De feitenrechter oordeelt weliswaar op onaantastbare wijze of de hem voorgelegde akte het beweerde feit waarschijnlijk maakt en derhalve als een begin van bewijs door geschrift kan worden beschouwd, maar hij mag het begrip waarschijnlijkheid niet miskennen.

Het beweerde feit bestond te dezen niet in de overdracht van geldsommen als zodanig, wat niet werd betwist, maar in de omstandigheid dat die overdracht geschiedde ter uitvoering van een lening. Uit de uittreksels van de respectievelijke rekeningen van de partijen waarop het arrest zich baseert blijkt dat de verweerster op 23 januari 1998 een bedrag van 950.000 frank heeft betaald aan de eiser maar zij maken niets anders waarschijnlijk, meer bepaald niet de juridische aard of oorzaak van die geldoverdracht.

Het arrest stelt vast dat "het dossier [van de eiser] een uittreksel van zijn bankrekening bevat met de datum van de storting. Dat uittreksel bewijst dat genoemd bedrag van 950.000 frank wel degelijk aan hem is gestort en het bevestigt het bankrekeninguittreksel van [de verweerster] waaruit blijkt dat zij op 23 januari 2008 (lees: 1998) het bedrag van 950.000 frank heeft afgehaald om het te storten [aan de eiser]'". Het omschrijft dat bankrekeninguittreksel als "een begin van bewijs door geschrift", namelijk een geschrift (...) dat het beweerde feit waarschijnlijk maakt" daar "dat stuk het bestaan van de aangevoerde lening waarschijnlijk maakt zodat het bewijs van de leningovereenkomst door alle middelen van recht mag worden geleverd".

Aldus verwart het arrest de overdracht van de geldbedragen met de juridische titel op grond waarvan de terugbetaling verschuldigd is, miskent het arrest het begrip waarschijnlijkheid en derhalve het begrip begin van bewijs door geschrift (schending van artikel 1347, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Op zijn minst maakt het uit een vastgesteld gegeven een gevolgtrekking die op die grondslag niet kan worden verantwoord en miskent het aldus het wettelijk begrip vermoeden (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek).

Het beslist bijgevolg niet wettig dat de verweerster door alle middelen van recht mag bewijzen dat de "(litigieuze) storting wel degelijk een lening was, namelijk dat zij [voor de eiser] de verplichting tot teruggave inhield" (schending van de artikelen 1315, eerste lid, 1341 en 1347, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

...

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

Volgens artikel 1347, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt een begin van bewijs door geschrift.

De rechter oordeelt weliswaar in feite of de hem voorgelegde akte het beweerde feit al dan niet waarschijnlijk maakt en derhalve een begin van bewijs door geschrift uitmaakt maar het staat aan het Hof na te gaan of de rechter het wettelijk begrip waarschijnlijkheid niet heeft miskend.

Het arrest stelt vast dat het dossier van de eiser een uittreksel van zijn bankrekening bevat waaruit blijkt dat de verweerster op 23 januari 1998 een bedrag van 950.000 frank aan hem heeft gestort en het beslist dat genoemd stuk het bestaan van de door de verweerster aangevoerde lening waarschijnlijk maakt.

Een bankrekeninguittreksel dat een overschrijving vermeldt bewijst alleen dat er werkelijk een geldsom werd gestort. Het arrest dat beslist dat een dergelijk stuk het bestaan van een lening waarschijnlijk maakt en bijgevolg een begin van bewijs door geschrift vormt waardoor het bewijs van de leningovereenkomst door alle middelen van recht mag worden geleverd, schendt voornoemd artikel 1347, tweede lid.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Pul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van 5 mei 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overschrijving

  • Bankrekeninguittreksel

  • Lening

  • Begin van bewijs door geschrift

  • Rechter

  • Beoordeling in feite

  • Hof van Cassatie

  • Toetsing

  • Wettelijk begrip waarschijnlijkheid