- Arrest van 16 mei 2011

16/05/2011 - C.10.0664.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling die een bepaald gedrag voorschrijft of verbiedt, is op zichzelf een fout die leidt tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid van diegene die de overtreding heeft begaan wanneer die fout schade veroorzaakt, behoudens onoverwinnelijke dwaling of enige grond tot ontheffing van aansprakelijkheid, zodat de appelrechters die zonder meer oordelen dat uit de informatieplicht zoals neergelegd in artikel 136, §2, zesde lid, Z.I.V.-wet niet kan afgeleid worden dat de uitgaven waarvan de terugvordering gesteund op de subrogatie bepaald bij artikel 136, §2, vierde lid, Z.I.V.-wet reeds verjaard is, wel zouden kunnen teruggevorderd worden op grond van de artikelen 170, e, Z.I.V.-wet en artikel 1382 B.W., hun beslissing niet naar recht verantwoorden (1). (1) Zie Cass. 8 nov. 2002, AR C.00.0124.N, AC, 2002, nr. 591.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0664.N

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20/1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 4 december 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 24 maart 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het tweede onderdeel

1. De verweerder voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het een feitelijke betwisting opwerpt en nieuw is.

2. De eiser voert aan dat de appelrechters zijn vordering ten onrechte afwijzen op grond dat de door de verweerder begane inbreuk op de artikelen 136, § 2, zesde lid, en 170, e), ZIV-wet geen fout in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek uitmaakt. Hiermee werpt de eiser geen feitelijke betwisting op.

3. De eiser heeft in appelconclusie aangevoerd dat wie een inbreuk begaat op de strafrechtelijk gesanctioneerde informatieplicht, een fout begaat in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek. Het middel is niet nieuw.

4. De gronden van niet-ontvankelijkheid moeten verworpen worden.

Tweede onderdeel

5. Krachtens artikel 136, § 2, zesde lid, ZIV-wet moet degene die schadeloosstelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling verwittigen van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen.

Indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekerings-instelling hiervan in te lichten, kan hij krachtens artikel 136, § 2, zevende lid, ZIV-wet tegen deze laatste de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbende niet aanvoeren. Ingeval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende.

Bovendien is een inbreuk op deze informatieverplichting strafbaar gesteld bij artikel 170, e), ZIV-wet.

6. De overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling die een bepaald gedrag voorschrijft of verbiedt, is op zichzelf een fout die leidt tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid van diegene die de overtreding heeft begaan wanneer die fout schade veroorzaakt, behoudens onoverwinnelijke dwaling of enige grond tot ontheffing van aansprakelijkheid.

7. Door zonder meer te oordelen dat uit de informatieplicht zoals neergelegd in artikel 136, § 2, zesde lid, ZIV-wet, niet kan afgeleid worden dat de eiser zijn uitgaven, waarvan de terugvordering gesteund op de subrogatie bepaald bij artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet reeds verjaard is, zou kunnen terugvorderen van de verweerder op grond van de artikelen 170, e), ZIV-wet en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het uitspraak doet over de door de eiser gevorderde terugbetaling van uitgaven voor geneeskundige verstrekkingen die zijn verricht na 23 december 2002.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van afgevaardigd griffier Veerle Baeyens.

Vrije woorden

  • Overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling

  • Voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen

  • Verzekeringsinstelling

  • Niet voldoen aan de meldingsplicht

  • Subrogatie

  • Schadevergoeding

  • Toekenningsvoorwaarde

  • Verjaring

  • Terugvordering op grond van artikel 1382 B.W.

  • Toepassing