- Arrest van 16 mei 2011

16/05/2011 - C.10.0214.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 41, eerste lid van de Wet Landverzekeringsovereenkomst verzet er zich niet tegen dat de rechter onder voorwaarde van de daadwerkelijke betaling aan het slachtoffer, de vrijwaringsvordering inwilligt van de veroordeelde verwerende partij op de hoofdvordering of diens verzekeraar ten aanzien van de medeaansprakelijke.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0214.N

FORTIS BANK nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaast kiest,

tegen

ALLIANZ BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 4 september 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 maart 2011 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, treedt de verzekeraar die de schadevergoeding heeft betaald, ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden.

Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat de rechter onder voorwaarde van de daadwerkelijke betaling aan het slachtoffer, de vrijwaringsvordering inwilligt van de veroordeelde verwerende partij op de hoofdvordering of diens verzekeraar ten aanzien van de medeaansprakelijke.

2. De appelrechters oordelen dat:

- de vordering tot vrijwaring van de verweerster slechts wordt ingesteld voor zover zij de schuld waartoe zij wordt veroordeeld, aan de benadeelden moet betalen;

- zij in dat geval slechts door die betaling op grond van voormeld artikel 41, eerste lid, in de rechten van haar verzekerde wordt gesubrogeerd.

- de vordering tot vrijwaring slechts wordt ingesteld voor zover deze subrogatie heeft plaats gevonden;

- het kenmerkende van iedere vordering tot vrijwaring precies de voorwaardelijke aard ervan is.

3. Door aldus te oordelen hebben de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. De appelrechters oordelen dat:

- de bvba Fidulex ten aanzien van haar opdrachtgever contractueel aansprakelijk is voor de - zelfs met bedrog gepleegde - daden van haar uitvoeringsagent;

- de verweerster in solidum met haar verzekerde, de bvba Fidulex, gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan de opdrachtgever van haar verzekerde;

- de vordering tot vrijwaring van de bvba Fidulex tegen de verweerster gegrond is;

- de vrijwaringsvordering die de verweerster in ondergeschikte orde via subrogatie in de rechten van haar verzekerde, de bvba Fidulex, heeft ingesteld ten aanzien van de eiseres, als bank van de begunstigde, gegrond is, zij het dat het aandeel van haar verzekerde, die moet instaan voor de bedrieglijke handelingen gepleegd door haar uitvoeringsagent, zwaarwichtiger worden geacht dan het aandeel van de eiseres.

5. Wanneer de schade is veroorzaakt door de samenlopende fouten van verschillende personen, staat het aan de rechter om, in de verhouding tussen degenen die deze fouten hebben begaan, te oordelen in welke mate de fout van ieder van hen heeft bijgedragen tot de schade en op basis daarvan het aandeel in de schade te bepalen dat een van de daders die de schadelijder heeft vergoed, van de anderen kan terugvorderen.

6. Het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit", dat eraan in de weg staat dat het bedrog de dader voordeel verschaft, sluit niet uit dat de persoon die ten opzichte van het slachtoffer aansprakelijk is voor het opzettelijk misdrijf, begaan door een persoon voor wie hij instaat, ten aanzien van de mededader aanspraak kan maken op diens aandeel in de schade.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

Derde middel

7. De appelrechters oordelen dat op de bankier van de begunstigde van een overschrijving de verplichting rust om controle uit te oefenen op mogelijke tegenstrijdigheden die de overschrijvingsopdracht bevat, dat er geen enkel bewijs voorligt dat te dezen van deze algemeen aanvaarde handelwijze werd afgeweken en dat evenmin wordt aangetoond dat op datum van de litigieuze overschrijving deze controleplicht ingevolge het algemene automatiseringsproces van betalingsoperaties was weggevallen.

8. De appelrechters verwerpen en beantwoorden zodoende het in het middel bedoelde verweer van de eiseres.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van 520,19 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van afgevaardigd griffier Veerle Baeyens.

Vrije woorden

  • Verzekeraar

  • Subrogatie

  • Vrijwaringsvordering ten aanzien van de medeaansprakelijke

  • Voorwaardelijk karakter

  • Beoordeling van de rechter