- Arrest van 19 mei 2011

19/05/2011 - C.10.0199.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 volgt dat de wetgever aan dat koninklijk besluit de waarde van een wet heeft toegekend (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0199.F

COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS, federaal autonoom organisme,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

TECTEO, intercommunale in de vorm van een coöperatie vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 februari 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 12, § 5 (zoals hersteld door artikel 53 van de wet van 21 december 2007 houdende diverse bepalingen), en 31, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna: de elektriciteitswet);

- artikel 53 van de wet van 21 december 2007 houdende diverse bepalingen (hierna de wet van 21 december 2007);

- artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit (zoals bekrachtigd bij artikel 53 van de wet van 21 december 2007) (hierna: het tariefbesluit).

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest vernietigt de beslissing ref. (B) 080306-CDC-646E/09 van de [eiseres] van 20 maart 2008 omdat zij haar bevoegdheid heeft overschreden door toepassing te maken van artikel 31 van de elektriciteitswet. Het baseert zijn beslissing op de onderstaande redenen:

"De bestreden handeling maakt toepassing van artikel 31 van de elektriciteitswet nadat zij had vastgesteld dat [de verweerster] niets had ondernomen na de ingebrekestelling die haar werd toegezonden toen de [eiseres] had vastgesteld dat [de verweerster] een in artikel 13 van ‘het tariefbesluit' bedoelde rapportering niet had overgemaakt.

Genoemd artikel 13, § 1, luidt als volgt: ‘Uiterlijk op 14 februari en 14 augustus van elk jaar maakt elke distributienetbeheerder een semestriële rapportering over aan de commissie over de exploitatieresultaten van het distributienet gedurende het voorbije semester (...)'.

Paragraaf 3 van dat artikel luidt als volgt: ‘Tegelijkertijd met de semestriële rapportering op 14 februari van elk jaar maakt de betrokken distributienetbeheerder aan de commissie een jaarlijkse rapportering over de exploitatieresultaten van het distributienet van het voorbije exploitatiejaar over'.

26. Luidens artikel 31 van de elektriciteitswet kan de [eiseres] elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving ‘van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de commissie'. Dat artikel vermeldt tevens: ‘Indien deze persoon bij het verstrijken van de termijn in gebreke blijft, kan de commissie, op voorwaarde dat de persoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen (...)'.

Artikel 25 van het tariefbesluit van 11 juli 2002 bevat een zogenaamde ‘straf'bepaling die als volgt luidt: ‘De personen die nalaten of weigeren de commissie de informatie te verstrekken die zij vraagt en die zij gehouden zijn mee te delen krachtens dit besluit worden gestraft met een geldboete van 1,24 euro tot 495,79 euro'.

27. Aangezien voornoemd koninklijk besluit van 11 juli 2002 onwettig werd bevonden en het hof van beroep daarom geweigerd heeft ervan toepassing te maken, heeft de wetgever dat koninklijk besluit bekrachtigd.

Daartoe heeft artikel 53 van de wet van 21 december 2007 houdende diverse bepalingen in artikel 12 van de elektriciteitswet een § 5 hersteld die als volgt luidt:

‘§ 5. Het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit, bedoeld in § 4, wordt bekrachtigd'.

Artikel 54 van voornoemde wet vermeldt dat voornoemde bepaling uitwerking h[ad] met ingang van 27 juli 2002, datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 11 juli 2002, bedoeld in artikel 53.

28. Na de akte tot wetgevende bekrachtiging hadden de bepalingen van het tariefbesluit niet langer de vorm van een koninklijk besluit en werden ze in de normenhiërarchie op de rang van een formele wet geplaatst waarvan de bepalingen niet langer buiten toepassing mogen worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet.

Omdat de wetgever opteerde voor de bekrachtiging, werden de bepalingen van het tariefbesluit echter niet in de elektriciteitswet zelf ingevoegd. De verordenende akte werd als dusdanig bekrachtigd en het is precies krachtens de bekrachtigingsbepaling in artikel 12, § 5, van de elektriciteitswet dat zij het statuut van formele wet heeft verkregen.

Artikel 54 van de voornoemde wet van 21 december 2007 heeft bovendien terugwerkende kracht verleend aan dat formele statuut.

29. Aangezien artikel 31 van de elektriciteitswet, voor wat de bepalingen betreft op grond waarvan een geldboete kan worden opgelegd, uitsluitend verwijst naar de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, volgt uit het bovenstaande dat de bepalingen van ‘het tariefbesluit' - dat een tariefakte met de waarde van wet geworden is - geen deel uitmaken van de in dat artikel 31 vermelde bepalingen.

Een bepaling die kracht van formele wet heeft, kan immers geen uitvoeringsbepaling zijn van een andere bepaling die in de normenhiërarchie op de zelfde rang staat.

30. Aangezien artikel 31 van de elektriciteitswet de gevallen waarin de [eiseres] een administratieve geldboete kan opleggen, beperkt tot louter en alleen de gevallen van inbreuk op bepalingen van deze wetten en de uitvoeringsbesluiten ervan, was de [eiseres] niet gerechtigd om een administratieve geldboete op te leggen aan [de verweerster] omdat zij artikel 13, § 1 en § 3, van het tariefbesluit - dat tariefwet is geworden - had geschonden en omdat zij geen gevolg had gegeven aan de aanmaning.

31. Aangezien de overige middelen niet tot ruimere vernietiging kunnen leiden, bestaat er geen grond om er verder op in te gaan."

Grieven

Eerste onderdeel

Het tariefbesluit werd door het hof van beroep te Brussel onwettig bevonden, waarna de wetgever overging tot de "bekrachtiging" van dat besluit op grond van artikel 53 van de wet van 21 december 2007 krachtens hetwelk een § 5 werd ingevoegd in artikel 12 van de elektriciteitswet, die als volgt luidt:

"§ 5. Het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit, bedoeld in § 4, wordt bekrachtigd".

De bekrachtiging van een koninklijk besluit door een wet verleent dat besluit, dat oorspronkelijk van verordenende aard was, de kracht van een wet, waardoor de wettigheidstoetsing door de hoven en rechtbanken op grond van artikel 159 van de Grondwet, alsook die door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vervalt. Bijgevolg kan dat besluit enkel nog bij wet worden gewijzigd en kan het enkel door het Grondwettelijk Hof worden geschorst of vernietigd.

Het tariefbesluit werd bekrachtigd (zie de woorden "bekrachtigt" en "confirme" in de Franse versie van de wet) bij artikel 53 van de wet van 21 december 2007 na de invoeging van artikel 12, § 5, in de elektriciteitswet. Ten gevolge daarvan krijgt dat besluit de waarde van een wet, maar het verdwijnt daarom nog niet uit de wetgevende orde: het wordt niet opgeheven, opgenomen of vervangen door een wet, maar, in strijd met hetgeen het bestreden arrest beslist, in zijn verordenende vorm behouden.

Uit die verandering van wettelijke waarde volgt niet dat de wettelijke (in casu) of verordenende bepalingen in andere wetten en besluiten die naar het tariefbesluit verwijzen daardoor waardeloos worden.

Aldus blijven de woorden "specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan" in artikel 31 van de elektriciteitswet doelen op het tariefbesluit ook al heeft voornoemd koninklijk besluit, ten gevolge van de bekrachtiging door de wetgever, de waarde van een wet verkregen.

Een wet en, a fortiori, een "bekrachtigd" koninklijk besluit, kunnen overigens en in strijd met hetgeen het bestreden arrest beslist, perfect de uitvoering zijn van een andere norm van dezelfde rang.

Het bestreden arrest beslist als volgt: "Na de akte tot wetgevende bekrachtiging hadden de bepalingen van het tariefbesluit niet langer de vorm van een koninklijk besluit en werden ze in de normenhiërarchie op de rang van een formele wet geplaatst (...)" en "omdat de wetgever opteerde voor de bekrachtiging, werden de bepalingen van het tariefbesluit echter niet in de elektriciteitswet zelf ingevoegd" maar "de verordenende akte werd als dusdanig bekrachtigd" en "het is precies krachtens de bekrachtigingsbepaling in artikel 12, § 5, van de elektriciteitswet dat zij het statuut van formele wet heeft verkregen". Daarna beslist het bestreden arrest beslist als volgt: "Aangezien artikel 31 van de elektriciteitswet, voor wat de bepalingen betreft op grond waarvan een geldboete kan worden opgelegd, uitsluitend verwijst naar de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, volgt uit het bovenstaande dat de bepalingen van ‘het tariefbesluit' - dat een tariefakte met de waarde van een wet geworden is - geen deel uitmaken van de in (...) artikel 31 (van de elektriciteitswet) vermelde bepalingen. Een bepaling die kracht van formele wet heeft, kan immers geen uitvoeringsbepaling zijn van een andere bepaling die in de normenhiërarchie op de zelfde rang staat."

Het bestreden arrest dat aan het tariefbesluit, ten gevolge van de "bekrachtiging" ervan door artikel 53 van de wet van 21 december 2007, het formele statuut van wet verleent en weigert het "bekrachtigde" tariefbesluit aan te merken als een uitvoeringsbesluit als bedoeld in de artikel 31 van de elektriciteitswet, miskent de draagwijdte van de woorden "specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan" en schendt bijgevolg artikel 31 van de elektriciteitswet.

Tweede onderdeel

Bij de interpretatie van de draagwijdte van de wet moet rekening worden gehouden met de bedoeling van de wetgever, veeleer dan met de afzonderlijk beschouwde grammaticale betekenis van de tekst van de wet.

Toen de wetgever het tariefbesluit bekrachtigde, stond hij erop dat die verordenende tekst zou worden toegepast en dat de inbreuken op die tekst zouden worden gestraft. Artikel 13, § 1, van het tariefbesluit, in zoverre het deel uitmaakt van het "bekrachtigde" tariefbesluit, is bijgevolg een wettekst waarop de bekrachtiging doelt en de woorden "specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan" in artikel 31 van de elektriciteitswet moeten, bijgevolg, aldus worden begrepen dat ze niet alleen slaan op de elektriciteitswet zelf en op de verordenende uitvoeringsbesluiten ervan, maar ook op elk koninklijk uitvoeringsbesluit dat formeel en inhoudelijk, gelijkstaat met een uitvoeringsbesluit, waaronder een door een wet bekrachtigd koninklijk besluit, zoals het tariefbesluit.

Het bestreden arrest beslist als volgt: "Na de akte tot wetgevende bekrachtiging hadden de bepalingen van het tariefbesluit niet langer de vorm van een koninklijk besluit en werden ze in de normenhiërarchie op de rang van een formele wet geplaatst (...)" en "omdat de wetgever opteerde voor de bekrachtiging, werden de bepalingen van het tariefbesluit echter niet in de elektriciteitswet zelf ingevoegd" maar "de verordenende akte werd als dusdanig bekrachtigd" en "het is precies krachtens de bekrachtigingsbepaling in artikel 12, § 5, van de elektriciteitswet dat zij het statuut van formele wet heeft verkregen". Daarna beslist het bestreden arrest beslist als volgt: "Aangezien artikel 31 van de elektriciteitswet, voor wat de bepalingen betreft op grond waarvan een geldboete kan worden opgelegd, uitsluitend verwijst naar de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, volgt uit het bovenstaande dat de bepalingen van ‘het tariefbesluit' - dat een tariefakte met de waarde van een wet geworden is - geen deel uitmaken van de in (...) artikel 31 (van de elektriciteitswet) vermelde bepalingen. Een bepaling die kracht van formele wet heeft, kan immers geen uitvoeringsbepaling zijn van een andere bepaling die in de normenhiërarchie op de zelfde rang staat."

Het bestreden arrest dat weigert te erkennen dat de woorden ""specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan" van artikel 31 van de elektriciteitswet eveneens slaan op het tariefbesluit, schendt, naast artikel 31 van de elektriciteitswet, tevens artikel 12, § 5, van die wet, alsook de artikelen 53 van de wet van 21 december 2007 en 13, § 1, van het tariefbesluit.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel

Beide onderdelen samen

Artikel 12, § 5, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002 en opgeheven bij de wet van 20 juli 2005, werd hersteld bij artikel 53 van de wet van 21 december 2007 en luidt als volgt: "Het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, de ondersteunende diensten geleverd door de beheerders van deze netten en inzake de boekhouding van de beheerders van de distributienetten voor elektriciteit, bedoeld in § 4, wordt bekrachtigd".

Luidens artikel 54 van de wet van 21 december 2007 heeft hoofdstuk II van titel IX uitwerking met ingang van 27 juli 2002, datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 11 juli 2002, bedoeld in artikel 53.

Uit de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 volgt dat de wetgever aan dat koninklijk besluit de waarde van een wet heeft willen toekennen.

De terugwerkende kracht tot 27 juli 2002 die aan die bekrachtiging werd toegekend, heeft tot gevolg dat voornoemd koninklijk besluit geacht moet worden van meet af aan de waarde van een wet te hebben gehad.

Bijgevolg is het koninklijk besluit van 11 juli 2002, dat kracht van wet heeft, geen uitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 31 van de wet van 29 april 1999.

De beide onderdelen die van het tegenovergestelde uitgaan, falen naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 19 mei 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Koninklijk besluit van 11 juli 2002

  • Bekrachtigingswet